Welkom

Ik hoop dat je inspiratie vindt op mijn site!

Reacties of suggesties voor onderwerpen zijn welkom op mijn e-mailadres: bertflier72@gmail.com.

Veel plezier,

Bert Flier

zondag 27 juni 2010

Vijfde overwinning in Oud Gastel

Oud Gastel is een vast onderdeel van mijn wedstrijdseizoen. Omdat het één van de leukste wedstrijden in Nederland is. No nonsense zwemmen, fietsen en lopen. In 1998 startte ik hier voor het eerst. Dertien seizoenen later staat de teller op twaalf deelnames, waarvan vier keer winst, en mag ik mezelf nog steeds tot de kanshebbers voor de zege rekenen.

Alles in Oud Gastel ademt in de week van de wedstrijd triathlon. Dit is de enige wedstrijd in Nederland waarbij het hoofdnummer het bijnummer is: Gastel loopt pas echt warm als 's middags de trio-triathlon start. Half Gastel staat dan aan de start. Het complete deelnemersveld, van topper tot tobber, staat snaarstrak gespannen aan de start. Men gaat tot het uiterste. Is het niet om de overwinning, dan wel om de tijd. Nederlands, Europees en zelfs wereldkampioenen worden daarvoor ingezet. Dit jaar wint het team met Nederlands kampioen halve triathlon bij de neo's Gerbert van den Biggelaar als zwemmer, veteraan-wereldkampioen tijdrijden Henny Boogers, en meervoudig Nederlands kampioen duathlon en wintertriathlon Wim Nieuwkerk als loper. Schandalig hard gaan ze.

't Is ook schandalig warm. Voor de start heet speaker Wim van den Broek, drijvende kracht achter deze wedstrijd, de deelnemers welkom aan de Gastelse rivièra. Dat is zonder overdrijven. Het is 9 uur in de ochtend, en de lucht trilt al van de hitte. Boven de 25 graden zal het worden. Lekker weer voor een 1/3 triathlon (1,3 km zwemmen, 60 km fietsen en 14 km lopen).

Het zwemwater is met 18 graden perfect op temperatuur. Na de warming-up posteer ik me naast de concurrentie: Gerbert van den Biggelaar (inderdaad, hij start vandaag twee keer), Carlo van den Bergh, Vincent Bruins, en Cesar Beilo.

Direct na de tumultueuze start zie ik één van de bandjes van de zwembril voor m'n ogen bengelen. Ik zet m'n brilletje direct goed, want zonder ben ik kansloos. Ik draag lenzen, min 6,5 en een cilinder van 2, dus dat maakt bij elkaar dat ik praktisch blind ben als ik m'n lenzen kwijt raak. Die paar seconden vertraging leveren me direct twintig plaatsen verlies en een plaats midden in de wasmachine op. Gerbert heeft zich al losgezwommen, het achtervolgende groepje zie ik voor me uit zwemmen. Gelukkig ligt alles nog op een lint, en mannetje voor mannetje zwem ik me naar voren. Bij het keerpunt sluit ik aan bij de staart van het achtervolgend groepje, en schuif op de terugweg nog een paar plaatsen op. In het voorbijzwemmen zie ik dat Rob Musters achteraan ligt, dan Cesar Beilo, vervolgens Vincent Bruins, en op kop Carlo van den Bergh. Ik schuif in tussen Cesar en Vincent.

Als vierde klim ik uit het water, als zesde zit ik op de fiets omdat ik m'n wetsuit in de tas van de naast mij staande Cesar Beilo had gepropt. Details, details... Ik vang een flard van het tijdsverschil met Gerbert op: 1 minuut nog wat.

Daardoor zit ik als laatste van het groepje op de fiets. Dat geeft me de gelegenheid om me bewust te worden van m'n nieuwe zit te wennen. Vandaag rijd ik namelijk voor het eerst op een nieuwe tijdritfiets. De Ridley Dean. Gisteravond laat was-ie klaar. M'n fietsensponsor Ronald Berkenpeis heeft een mirakel verricht om binnen een paar weken tijd een racemonster voor me klaar te maken die Tour-waardig is. Tegen alle regels in heb ik besloten vandaag op een nieuwe fiets te starten: de wedstrijd is de beste test of de nieuwe afstelling bevalt. Ik voel me supergoed in de eerste ronde. Ik time in een bocht het verschil met Gerbert: 1 minuut 15. Da's te overzien, maar ik wil het gaatje graag binnen de minuut krijgen. Op een lekker lopende strook op driekwart van het rondje besluit ik het tempo te gaan bepalen.

Cesar Beilo staat dat even toe, maar binnen twee kilometer neemt hij hard over. Hij trekt door op een stukje vals plat een viaduct op. Kilometers lang rijdt hij een meter of dertig voor me uit, waar tien meter is toegestaan. Ik krijg het gaatje niet direct dicht maar forceer niets; dit gaat hard genoeg. Elke keer dat we een tijdsverschil doorkrijgen op Gerbert, is er weer een handvol seconden vanaf. Van de warmte heb ik geen last, ik verzorg me goed (in de 60 fietskilometers drink ik twee grote Powerbar-voedingsbidons met extra zout weg). Wat het fietsen extra comfortabel maakt is dat ik weet dat ik op papier de beste loper ben.
Met nog tien kilometer te gaan, in de laatste ronde, schuift Vincent Bruins vanaf de vierde plaats in het fietsgroepje naar voren toe. Hij zit blijkbaar nog fris, en schroeft het tempo nog een beetje op. Cesar Beilo gaat, netjes op de reglementaire afstand, met Vincent mee. Carlo moet een gaatje laten, en ik zie dat Carlo op mij ook een meter of vijftig pak. Het gat met Gerbert zit inmiddels onder de vijftig seconden. Hoe graag ik ook de snelste fietstijd op m'n zou willen zetten als bevestiging van m'n huidige vorm (en ter rechtvaardiging van m'n nieuwe tijdritfiets;) - het gaat erom wie als eerste over de streep komt. En dat zal de snelste loper zijn. Ik besluit m'n kruit droog te houden, en zie in de verte dat Cesar nog bij Gerbert komt. Vincent redt het net niet om ook bij Gerbert te komen, maar hij pakt een dikke halve minuut op mij.

Als vijfde, achter Cesar, Gerbert, Vincent en Carlo, wissel ik. Een seconde of veertig, vijftig seconden is het verschil met de kop. Normaal is dat geen enkel probleem, maar ik voel dat er fysiek iets niet goed zit. Ik kan de vinger er niet op leggen, dus start voortvarend. Ik kan hier vandaag immers winnen, en dan mag je een instinctief gevoel overstemmen.

In de eerste kilometer staat Huub Maas, en hij geeft aan dat ik makkelijker en harder loop dan de jongens voor me. Carlo van den Bergh heb ik inmiddels bijgehaald; Cesar Beilo is een kilometer verder de volgende. Dat is de bevestiging die ik nodig heb. Nog twee man voor me: Vincent Bruins en Gerbert van den Biggelaar.

Ik voel me sterk, ik voel dat ik dichterbij kom. Na twee kilometer voel ik fysiek wat ik al mentaal voorvoelde: ik heb pijn in de bovenbenen. Die verkrampen. Uit voorzorg neem ik wat gas terug. Dat gat hoeft niet direct dicht. Veel te vroeg om iets te forceren. Vincent van Os, een clubgenoot, geeft door dat het gat met Vincent en Gerbert 46 seconden is. Ik loop blijkbaar even hard als de koplopers.

Op kilometer drie zijn de krampscheuten zo hevig dat ik slechts met veel moeite nog kan blijven hardlopen. Ik heb een serieus probleem. Als de kramp er in schiet, sta ik geparkeerd en is het einde wedstrijd. Al lopend probeer ik de quadriceps iets te ontspannen. Ik varieer de pasfrequentie, probeer een iets andere kniehoek aan te nemen, en dwing mezelf om zo ontspannen mogelijk te landen en af te wikkelen.

Het helpt niet. De krampscheuten worden met de meter erger. Ik voel dat, als ik blijf doorlopen, de kramp er binnen een paar honderd meter inschiet, en dan is het over en uit. Ik stel het nog honderd meter uit, maar dan moet ik iets doen wat ik nooit doe: stilstaan. Ik neem een seconde of tien de tijd om de spanning van de quadriceps af te halen, doe een soort van mini-speed-massage (voor wat het waard is), en ga weer lopen. Op hoop van zegen.

Zodra ik begin te lopen, schieten de krampscheuten weer door de bovenbenen. Ik loop beheerst, en merk na een paar honderd meter dat het zich stabiliseert. De krampneigingen kan ik onder controle houden. Op het keerpunt, na 3,5 kilometer, time ik het verschil met Gerbert en Vincent, die zij aan zij lopen. Precies een minuut. Zonder die kramp had ik al tot op 20 seconden genaderd moeten zijn. Frustraties steken de kop op. Ik voel me nog fris, zou er zo naar willenn, maar als ik ook maar iets forceer, sta ik geparkeerd.

Ik voel me op dit moment verre van favoriet. Met de handrem erop moet ik in de achtervolging, zorgen dat ik niet over het randje van de kramp ga. Gerbert en Vincent zijn respectabele lopers. En ze kunnen elkaar opjagen.

Na vijf kilometer krijg ik weer een tijdsverschil door. Driekwart minuut. Dat betekent dat er 15 seconden vanaf zijn. Ik krijg weer hoop: blijkbaar loop ik, met deze benen, harder dan de mannen op kop. Het kan dus toch nog. Ik probeer zo min mogelijk met m'n krampprobleem bezig te zijn, zoek plekjes in m'n hoofd waar het prettig toeven is in een poging te ontspannen. Ik zie Gerbert en Vincent steeds duidelijker voor me uit lopen.

Twee kilometer verder, bij de doorkomst in het centrum van Gastel, hoor ik dat het verschil minder dan veertig seconden is. Weer wat eraf gelopen. Ik hoor dat Gerbert een paar meter heeft gepakt op Vincent, en dat ze het zwaar hebben.

De neiging tot kramp wordt iets minder. Ik durf, heel voorzichtig, wat te versnellen. Forceren doe ik niet - als ik op dit tempo doorloop, moet ik Vincent en Gerbert kunnen bijhalen. Een eindsprint moet ik, koste wat het kost, voorkomen, want dat zal niet gaan. Huub geeft me, bij het uitkomen van het centrum, door dat het gat nog dertig seconden is - nog geen honderdvijftig meter. Met elke stap knabbel ik een paar centimeter van de achterstand af. Tussen kilometer 8 en 9 haal ik Vincent bij. Clubgenoten van me staan me bloedfanatiek aan te moedigen wanneer ze zien dat ik naar de kop aan het lopen ben. Goed voor de goesting.

(Niet al mijn clubgenoten zijn zo fanatiek en overtuigd van het belang van winst. Twee trainingsmaten, die elkaar met het lopen bijhalen, zien zo erg op tegen een slopend man-tegen-man duel dat ze een non-proliferatieverdrag sluiten. Ze finishen gebroederlijk. 'Supporters' leveren na afloop stevige kritiek. Ze hadden liever twee uitgedroogde, niet meer tot lopen bekwame lijken zien finishen. Supporters? Op sensatie beluste ramptoeristen, dat zijn het.)

Gerbert loopt nog vijftig meter voor me. Een kleine kilometer verder sluit ik aan en kom ik langszij. Hij geeft een reactie waaruit blijkt dat hij zich gewonnen geeft. Zo opperbest voel ik me inmiddels niet meer, maar ik druk direct door om een definitief gat te slaan. De krampscheuten houden aan, maar ik voel dat ik dit moet kunnen houden.

Bij het laatste keerpunt, met nog 3,5 kilometer te gaan, time ik Gerbert op twintig seconden. Vincent loopt daar weer een stukje achter. M'n eigen tempo lopend, en zorgend dat ik niet de grens van de kramp over ga, loop ik de laatste kilometers. Ze duren lang. Vanaf de zijlijn ziet het er allemaal erg zeker uit, maar ik heb m'n handen vol om netjes lopend over de finish te komen.

Ik ben blij, maar vooral opgelucht, wanneer ik de finish passeer. Eind goed, al goed. Ik moet na de finish even zitten om mezelf te hervinden. Gerbert en Vincent doen hetzelfde wanneer zij binnenlopen.

Krijgen de supporters toch nog waar ze voor gekomen zijn.

Uitslag 1/3 triathlon Oud Gastel, zaterdag 26 juni 2010

1. Bert Flier 2:38:27
2. Gerbert van den Biggelaar 2:39:29
3. Vincent Bruins 2:39:43

maandag 21 juni 2010

17e EK offroad triathlon - even the bad days are good

Mijn beknopte sport-cv: Bert Flier, 37 jaar, 20 jaar wedstrijdatleet, drie Nederlandse titels, lid geweest van de nationale selectie, maar nog nooit uitgekomen op een internationaal kampioenschap. Ik ben er wel een keer heel dicht bij geweest. Twee jaar geleden zou ik op Ameland debuteren op het EK crosstriathlon. Dat werd in Nederland, meer precies Ameland, georganiseerd. Op een parcours dat mij goed ligt (vlak, wind, strand, en lekker lang en zwaar). Toen kon ik niet starten omdat ik in de voorbereiding een ongeluk heb gehad en daarvan herstellende was.

Vorig jaar, op hetzelfde Ameland, werd het NK crosstriathlon georganiseerd. Super ging het daar niet, maar mijn uiteindelijke zesde plaats blijkt wel voldoende om namens Nederland uitgezonden te worden naar het EK crosstriathlon. Dat wordt dit jaar in Stara Myjava in het voormalig Oostblok georganiseerd.

Bij een goede voorbereiding hoort op tijd vertrekken. Ik kies ervoor de 1250 km met de auto te doen, samen met Judy van den Berg, een van de andere geselecteerden. Stara Myjava is niet te vinden in de TomTom en op de routesites op Internet. Totdat ik Slovaakse Republiek intik in plaats van Slovenië. Genant, dat ik de Oostbloklanden zo makkelijk met elkaar verwissel.

De reis is een avontuur op zich. In Tjechië stuurt de navigatie ons wegens wegwerkzaamheden van de snelweg af. We rijden door verlaten plaatsjes, moeten kraters van gaten ontwijken, en voelen ons nogal unheimisch op het vervallen Tjechische platteland. Om de spanning op te voeren, verzinnen we verhalen over Oostblokmafiozie die op eenzame weggetjes als deze wegopbrekingen simuleren om vervolgens met je auto ervandoor te gaan, jou en je gezin ontredderd achter latend. Dat soort avonturen is ons niet gegund, en even later draaien we, vlak onder Praag, weer de snelweg op. We belanden in de Praagse middagfile en zijn een uur bezig met een paar kilometer. Daar gaat m'n geplande avondloopje.

Even voorbij Praag rijden we weer in een zone met wegwerkzaamheden. De Tjechen hebben bedacht dat je best vier rijstroken kunt maken van twee rijstroken. Goed voor de verkeersdoorstroming. Na een paar kilometer precisie-sturen zien we op de tegenovergestelde rijbaan eerst een vrachtwagen en later een busje op de zij in de berm liggen. Van de weg geraakt vanwege te smal. Dit ongeluk vraagt om politionele ondersteuning, die tot onze verbazing al spookrijdend op onze weghelft plankgas met gillende sirenes en flitsende zwaailampen komt aangereden. Vreselijke ongelukken liggen op de loer. Ze doen maar wat hier.

We overleven de verkeerschaos en rijden, na inmiddels twaalf uur sturen, Slowakije binnen. Het is beginnen te regenen. De temperatuur is gezakt van ruim twintig graden in Nederland naar 13 graden hier. Welkom. Op de akkers staan diepe plassen, erosiegeulen lopen door het golvende landschap. Het is hier de afgelopen weken noodweer geweest. Na pas een dik half uur zien we de eerste Slowaak. Schuilend tegen de regen in een verlaten bushalte. Verder is er geen mens op straat te zien. Alsof er een bombardement dreigt. Iedereen in de schuilkelders. Wanneer we in een dorpje wat mensen zien, dan haasten ze zich, schuilend onder paraplu of plastic zak, naar hun bestemming. De maatschappij lijkt te zijn ingericht op overleven. Verlaten fabrieksgebouwen uit de communistische periode zie je overal, maar ook splinternieuwe productiefaciliteiten van westerse beursgenoteerde ondernemingen. Communisme en kapitalisme staan hier schouder aan schouder. Of het land erop vooruit is gegaan? Strofen van het Klein Orkest borrelen in me op. Over de muur, van Oost naar West Berlijn…

In Stara Myjava vinden we zowaar in één keer het Euromesto, waar voor ons onderdak is geregeld. Het gebouw is geschilderd in alle kleuren van de regenboog. Het oogt vervallen. Vanuit een zaal klinkt harde, opzwepende muziek. We vermoeden in een ontaard feest te zullen belanden. We gaan op zoek naar de receptie en proberen een deur. Op slot. Door het glas van de deur zien we een aantal kinderen. Ergens vlakbij begint een hond luid te blaffen. We lopen een trap op, en staan plotseling oog in oog met het witte, gekweld uitziende wezen. Het hekje tussen hem en ons is nauwelijks 60 centimeter hoog. Tot mijn opluchting ligt het mormel aan de ketting en wordt het rustig nu het ons ziet. We lopen verder. In een kelder van het gebouw treffen we twee adolescente Slovaken, een jongen en een meisje. Onderuitgezakt in een oud bankstel roken ze iets dat aan wiet doet denken. Op tafel staat bier. Ik vraag of dit de receptie is. De jongen blijkt Engels te spreken, en meldt dat het Euromesto ‘has not been blessed with a reception’. Maar hij kent wel de bestierder van dit geheel, en vraagt ons hem te volgen.

Hij leidt ons het gebouw binnen, naar de hoofdzaal. Daar pompen de op maximaal volume staande speakers nummers vergeelde discobeats de zaal rond. Een penetrante zweetlucht waait ons tegemoet. Die wordt geproduceerd door een vijftigtal Slowaakse kinderen die heftig dansen op de agressieve muziek. Het zweet parelt langs de gezichtjes. De jongen wijst ons op een in korte broek en groen t-shirt gestoken jongeman die, samen met drie andere volwassen, op een podiumpje een choreografie op de noten van Follow the Leader voordoet. Te oordelen naar het gemak en de synchronie waarmee de kinderen de niet eenvoudige danspassen uitvoeren, hebben ze dit vaker gedaan. Na nog een nummer is het muzikale samenzijn afgelopen en krijgen we de hand gedrukt van Milos, de jongeman in korte broek.



Hij legt, gelukkig ook in vloeiend Engels, uit dat dit etablissement geen hotel of hostel is, maar een verblijf waar zomerkampen voor de jeugd worden georganiseerd. Speciaal voor het EK is het mogelijk gemaakt dat wij hier kunnen verblijven. De Nederlandse selectie blijkt, samen met de Franse selectie, de enige deelnemers die hiervoor gekozen hebben. We worden geleid naar een verder op het terrein gelegen soort van blokhut. Dat is ons kampement. ’t Is oud, schots en scheef, maar binnen is het droog, er zijn bedden, douches en toiletten, en volop ruimte om de fietsen te stallen. Twaalf euro per nacht betalen we hiervoor. Wij vinden het prima.

Donderdagochtend gaan we zwemmen. Dat doen we in het stuwmeertje dat pal achter het Euromesto ligt. ‘t Is 300 meter lang en 100 meter breed, en dit is het wedstrijdparcours. Het is inmiddels wat opgeklaard, maar het meertje ziet er koud en donker uit. De titel van Frederik van Eedens beroemde roman flitst door mijn hoofd: Van de koele meren des doods. Dit meertje zou het goed doen als omslagfoto.

Het meertje blijkt inderdaad stervenskoud. Aanlokkelijk is anders, maar ik ga te water. Het kost me veel moeite om m’n ademhaling onder controle te krijgen. Hyperventileren doe ik net niet, maar ik krijg wel te kampen met brain freeze. Dertien graden is het water. Het eerste rondje ga ik door verschillende stadia van gewenning, verlies het gevoel in handen en en voeten, maar het tweede rondje voelt eigenlijk best goed aan. Ik kan zelfs een ademhalingsritme van één op vier aanhouden, teken van controle. Mooi.

Donderdagmiddag, wanneer we compleet zijn (Ron Hendriks en zijn vrouw Louise zijn woensdagavond aangekomen, Lars van der Eerden en Maud Golsteyn komen rond de middag aan), verkennen we het mountainbikeparcours. We discussiëren over de juiste bandenkeuze. Het complete Schwalbe-programma, door de Schwalbe-marketeers voorzien van allitererende benamingen als Racing Ralph, Rocket Ron, Nobby Nic, en Furious Fred, passeren de revue. Wat is wijsheid? Iemand maakt de voor de hand liggende grap dat de Rocket Ron voor Ron Hendriks bedoeld moeten zijn. Daarop bedenken we Schwalbe-namen voor de rest van de Nederlandse equipe:

Lazy Lars – voor de rustige zondagmiddagritjes in zomerse omstandigheden.

Muddy Maud – spreekt voor zich. Uitstekend geschikt voor in de baggûh.

Jolly Judy – dit is een olijk ingestelde band, voor het meer frivole werk.

Beasty Bert – deze breed geschouderde band voelt zich het best in onontgonnen terrein.

(Rubber Ron en Latex Lars zijn voor de binnenbandencollectie.)

Een professionele marketingafdeling doet er tijden over om dit soort concepten te bedenken, ons kost het welgeteld anderhalve minuut. Daarna worden we een heftige, door- en doornatte beklimming opgestuurd. De achterwielen slippen regelmatig door in de zompige Slovaakse klei. Mijn Racing Ralphs voldoen hier niet. Ik moet een paar keer van de fiets op stukken die gewoon te nat en te steil zijn. Na twee kilometer wordt het wat beter te fietsen, maar het blijft bergop gaan tot een kilometer of zes. We rijden daar een dik half uur over, en beginnen aan de afdaling. Die begint makkelijk met een single trail dat je vol kan nemen, gevolgd door een moeilijkere passage over een bospad dat uitgesleten is door bandensporen en erosiegeulen. Je kunt de fiets hier laten lopen, mits je op tijd van spoor wisselt. Vol verwachting klopt mijn hart wanneer een pijl ons een smal bospaadje in leidt. Aan het begin staat een bordje met een doodshoofd. Ik stuur als eerste het paadje op, en kom zonder problemen de eerste technische passage door. De anderen rijden vlak achter me, ik zit lekker in het ritme, en maak me niet al te veel zorgen over de boomwortels die kriskras over het halve meter brede slingerpaadje lopen. Snelheid houden, dan heb je er de minste last van.

Twee ogenblikken later lig ik face first in een verdorde struik. Bochtje verkeerd ingeschat en gelanceerd door een opstandige boomwortel. Achter me hoor ik een bezorgde Maud vragen hoe het met me gaat. ‘Goed’, zeg ik, ‘niets aan de hand’. Ik probeer op te staan, maar dat lukt niet. M’n fiets ligt op m’n rug, en ik kan me nergens tegen afzetten. Ik vraag Maud om me te ontzetten. Wanneer ze m’n fiets wegtrekt, kan ik, met veel moeite, weer rechtop komen. Mijn selectiegenoten zijn vol lof over het geboden spektakel.

Onaangedaan door de escapade neem ik mijn plaats op kop van het groepje weer in. Nog geen tweehonderd meter verder duikt er plots een diep gat op. Mijn balans is niet goed, teveel gewicht op de voorvork. M’n achterwiel komt met een knal omhoog, en ik word over m’n stuur gelanceerd. Lars, die vlak achter me rijdt, knijpt van schrik te hard in z’n voorrem en voert dezelfde manoeuvre uit. Hij kan net voorkomen dat hij met z’n kruis op mijn stuur landt. We krijgen uitgebreide complimenten van de anderen voor onze capriolen. Volgens Ron kunnen we met deze act zo het circus in.

Onder de bagger, maar zonder lichamelijk letsel vervolgen we onze parcoursverkenning. Dat gaat wat worden morgen besef ik me wanneer ik met een noodgang aan het eind van het bospaadje een stukje skipiste afdender. We rijden in volle vaart rechtdoor, weer het bos in. Bij gebrek aan parcoursbordjes keren we even later weer om, rijden terug naar de skipiste, en zien tot onze schrik dat het parcours ons recht omhoog de skipiste stuurt. De aanloop is net te fietsen, maar dan moeten we toch echt afstappen. Dit is steiler dan 25 procent schat ik. Schiebenstrecke noemt men dat in Oostenrijk. Vijf minuten duurt dit kreng, daarna nog een halve kilometer vlak en een kilometer afdalen, en we hebben het rondje vol. Een dik uur hebben we gereden over 12 kilometer. Met Lars en Maud rijd ik ‘m nog een keer. Zonder valpartijen. Het voelt allemaal al veel zekerder en makkelijker aan. Moet goedkomen zaterdag.

Vanwege de modder besluit ik een andere achterband te monteren. In Myjava zit een fietsenwinkel. Met Judy check ik elke band in het pand. We kopen de complete voorraad modderbanden op, waarmee wij het monopolie op grof profielbanden voor Myjava en omgeving verkrijgen. Uit de selectie banden kies ik de Continental Mountain King van 2.4 inch, waarmee ik vrijdag het rondje nog een keer rijd. Stukken beter. Ik kan alles omhoog rijden, behalve twee steile, spekgladde gedeeltes waar ik een paar technische Belgen die een minuutje voor me rijden, ook zie afstappen.


’s Middags gaan we naar Myjava voor de wedstrijdbriefing en de vlaggenparade. Beide hebben weinig om het lijf. Vermeldenswaardig is de jeugdige Slowaakse basgitarist die, samen met vier anderen, de muzikale omlijsting verzorgt van de vlaggenparade. Uit alles blijkt dat hij deze middag graag anders had besteed. Maar ja, als jij toevallig de enige jongeling bent van het dorp die een beetje met een basgitaar overweg kan, dan ben je standaard de klos voor dit soort gelegenheden. Zijn rechterhand omvat de strijkstok als ware het een honkbalknuppel. Mechanisch beweegt hij het hout heen en weer over de snaren. De linkerhand houdt minutenlang hetzelfde accoord aan, alleen het ritme van zijn strijkarm wisselt af en toe. In de tien minuten lang durende muzikale voordracht tel ik welgeteld drie accoordvariaties. Bewonderenswaardig is wel dat hij altijd op tijd is. Ook na passages zonder basgitaar valt hij, ogenschijnlijk achteloos en lukraak, maar wel op precies het juiste moment, in. Hij moet dit stuk honderden keren gespeeld hebben. Het musiceren kan plaatsvinden zonder zijn mentale aanwezigheid. De jongen blikt dan ook rustig in het rond. Hij is toeschouwer van zijn eigen show.

's Avonds, tijdens de pasta party, krijgen we gezelschap van de Belgen Jim Thijs en Jef Dams, de mannen die voor ons in het bos fietsten. Ze blijken erg prettig gezelschap. De sfeer is goed, we delen mooie en minder mooie wedstrijdervaringen uit het verleden, en babbelen over koetjes en kalfjes en ditjes en datjes. Allemaal niet vermeldenswaardig. Totdat Jef, met een geheimzinnige blik, zijn fotocamera tevoorschijn haalt. Hij wil ons deelgenoot maken van een belangwekkende ontdekking. Hij browst door zijn foto's, en toont ons onderstaande foto. Gemaakt ergens in Tjechie.


Inderdaad. Kancelarska Technika. Kancelarska. Cancellara. Het kan niet anders, het is overduidelijk. Het is achter deze onschuldig ogende gevel dat Cancellara's fiets moet zijn voorzien van de aandrijving die elke vorm van doping overtreft. Het resultaat kennen we inmiddels: zeges in de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix.

Hadden we dit eerder ontdekt, dan zouden we een volledig Belgisch/Nederlands EK-podium hebben gehad.

In de nacht voor de wedstrijd is het noodweer. Het regent en waait vreselijk, ik word er wakker van. Nog natter dan donderdag zal het parcours zijn.

Bij het ontbijt vertellen Judy en ik dat we ons ontzettend uitgerust voelen na bijna elf uur nachtrust. Lars en Maud hebben een mindere nacht gehad. Ze zijn tot diep in de nacht op jacht geweest naar een Slowaakse veldmuis die rondritselde op hun slaapkamer. De muis heeft een poging tot doodslag van Lars overleeft, heeft zich niet gestoord aan de schoen die voor zijn (waarschijnlijke) hol is geplaatst, en is zelfs zo brutaal geweest rond te muizen in de etenswaren. Lars en Maud hebben uiteindelijk eieren voor het geld gekozen en zijn verhuisd naar de meest vergelegen kamer op de gang. Zo ver mogelijk bij het monster vandaan.

Deze muizenissen worden besproken tijdens het ontbijt. Daarna gaan we langzaam over in de wedstrijdmodus. Ik richt m’n plek in het parc fermé in en doe een warming-up in drie delen: warmlopen, droogzwemmen met elastieken, en inzwemmen in het nog steeds stervenskoude stuwmeertje.


Net voor de start wordt het selecte veld voorgesteld aan het publiek, waarna we positie mogen kiezen. Ik stel me op naast Jim Thijs en Lars van der Eerden. Mijn plan: zo ontspannen mogelijk starten, de klap van het koude water en de hoge hartslag van de start doorkomen, en dan opschuiven. Na het startschot wacht ik een paar tienden, genoeg om in de voeten van Jim te belanden. Ik zit direct in het ritme, en kan op overhouden mee in de voeten van een groepje. Zelden ben ik zo beheerst, taktisch en gecontroleerd gestart. Bij de eerste boei, na 250 meter, schuif ik een paar posities op. Ik zie dat ik in het tweede groepje zit, de kopgroep zwemt een meter of veertig voor ons uit. Ons groepje rekt zich uit tot een lint, ik zoek positie en houd die tot aan de doorkomst na de eerste zwemronde. Daar moeten we even het water uit, twintig meter lopen, en weer terug het water in voor de tweede ronde. Ron Hendriks geeft door dat ik inderdaad in de tweede groep zit, bij Lars en Jim Thijs, op veertig seconden van de kop. Ik zit waar ik moet zitten, dit gaat super. Ik verzet in het loopstuk m’n zwembrilletje, een Brit maakt daar gelijk gebruik van om een plaatsje te winnen. Dit is racen, elke positie telt.

Achter een paar Britse voeten zwem ik het tweede rondje en kom op anderhalve minuut van de kop in de staart van het tweede groepje als elfde uit het water. In de wissel neem ik m’n tijd op de loopschoenen en wielerhandschoenen aan te doen. Het kost me wel de aansluiting met m’n zwemgroepje, maar ik heb geen zin om het risico te lopen in de klim, die vlak na de wissel begint, nog te lopen klooien om dingen aan te krijgen.


Het parcours ligt er vreselijk bij. De regen heeft de kleigrond volledig verzadigd. Onderaan de klim zie ik m’n zwemgroepje in een lint voor me. Lopend naast de fiets. De regen heeft het grootste deel van de eerste beklimming te glad gemaakt om te rijden.

Als ik veldrijder was, had ik Erwin Vervecken geheten. Ik houd van loopstukken in een mountainbikeparcours. In de looppassages pak ik een paar man terug; iets voor me zie ik het oranje tenue van Lars. Die had na de wissel een dikke minuut voorsprong, en die is dus alweer bijna dicht. Een stukje later, in een vlakker gedeelte in het bos, haal ik ‘m bij. 't Gaat goed, zegt hij, en dat geldt ook voor mij. Ik blijf m’n eigen tempo rijden, en haal nog een paar man bij. Uiteindelijk belandt ik achter Tim McDowell, een Brit, en Vasilis Krommidas, een Griek. Na de wedstrijd hoor ik dat hij degene was die het tempo maakte in de start van het zwemmen. Dit is iemand van Olympisch niveau, met vierkante kaken van de testosteron, en ik haal deze gast dus bij. Mijn moraal stijgt nog eens een graadje.

Tegen het eind van de klim worden we ingehaald door een Tjech. Niet normaal zo hard als hij naar boven knalt. Ik houd me aan m’n plan: eerste ronde niet forceren, tijd zat om nog wat te doen in ronde twee. Vooral de skipiste wil ik gebruiken om tijd terug te winnen op de technisch betere rijders. De afdaling start ik voor McDowell en Krommidas, maar de modder ligt me niet zo. Ik neem geen risico, en laat halverwege McDowell passeren. Kan ik zijn lijnen volgen. Nog geen minuut later, nadat ik door een stenige geul ben geknald om van spoor te wisselen, ratelt m’n achterband. Lek. @#$

Ik ben hier op voorbereid en doe wat ik moet doen: afremmen, wiel eruit, band eraf. Lars rijdt even later langs, knijpt in de remmen en vraagt of ik alles bij me heb. Super dat hij dat doet. Ik zeg dat ik het wel red en bedank ‘m voor de support. Uit m’n zadeltasje haal ik een binnenbandje, leg de band er weer om. Het CO2-patroon dat ik op het ventiel schroef om de band op spanning te zetten loopt sissend leeg. Langs m’n ventiel. Uit ervaring weet ik dat dit me driehonderd extra slagen met m’n handpompje kost. Bijna het hele veld is me gepasseerd wanneer ik eindelijk weer verder kan. De technische passage in het bos gaat redelijk, onderaan de skipiste zie ik een man of drie voor me uit lopen. Dat is een mooi doel. In één ritme loop ik omhoog, en heb ze bijgehaald wanneer ik boven de laatste afdaling van het eerste rondje inrijd. De tweede ronde is het parcours nog slechter berijdbaar geworden. Ik kan nog een paar man bijhalen, maar weet ook dat de kans op een goede klassering verkeken is, zeker wanneer ik twee onnodige schuivers maak in de modderbende in het vlakkere stuk bos.

Aan het begin van de afdaling pomp ik voor de zekerheid nog een bar extra in m’n achterband. Er zit net anderhalve bar in en ik kan me niet nog een lekker band permitteren. In de technische bospassage maak ik nog een paar slippers, maar alles zonder gevolgen. Wanneer ik wissel voor het loopgedeelte – twee rondes van 3,7 km – hoor ik van Ron dat Lars al in zijn laatste ronde zit. Die is dus goed bezig.

Ik vraag hoe de dames liggen. Maud blijkt in gevecht om de Europese titel met de Oostenrijkse vlieggewicht Carina Wasle. Judy ligt vierde en heeft nog volop kansen op een podiumplaats. In the ladies race, Holland rules!

Dat zijn goede berichten. Mijn loopbenen blijken prima, ik heb nog energie en moraal om lekker hard te lopen. Het looprondje heb ik niet verkend, maar ik weet dat er een erg steile grashelling in zit. Dat ligt halverwege, nadat je een modderig stuk vals plat omhoog, een scherpe afdaling en een glibberig bospaadje te verteren hebt gehad. Het eerste stuk van de helling kan ik blijven hardlopen, maar na nog een knik omhoog word ik tot wandelen gedwongen. Voor me zie ik een concurrent. Ik haal hem snel terug, weer een plaatsje gewonnen. In de afdaling laat ik me vallen, zwik daarbij een paar keer bijna door een enkel en verlies bijna een schoen in een zuigende modderpoel, maar kom heelhuids beneden.

Ron meldt dat Lars inmiddels is gefinisht, als dertiende, dankzij een strakke tweede ronde en een goed looponderdeel. Ik hoor dat Maud een gaatje heeft moeten toestaan op Wasle. Judy loopt op plaats vier, maar kan nog een plekje opschuiven. ’t Is spannend bij de dames.

In de tweede ronde haal ik nog een mannetje bij, en finish na iets meer dan 3 uur als 17e. Ik loop terug naar Ron om Maud en Judy op te wachten. We staan bij de camper van onze Belgische collega’s Jeff Dams en Jim Thijs en bespreken de mogelijkheden van Maud op winst. Wij gunnen Maud werkelijk alles, maar tot onze teleurstelling komt Wasle als eerste uit het bos. We bespreken haar postuur. Dit meisje is zo mager en schriel dat zij voor zelfs de meest ernstige anorexia-patiënten een schrikbeeld moet zijn. Nauwelijks veertig kilo licht schatten we haar. Het is niet netjes om te oordelen over het uiterlijk van schepsels, maar ik durf te stellen dat dit meisje ronduit lelijk is. De Belgen opperen zelfs een tijdstraf vanwege uiterlijk. Dan kan Maud alsnog tot kampioen worden uitgeroepen.

Wanneer ze ons passeert, juichen we haar hartstochtelijk toe. Deels uit schuldgevoel over ons oordeel over haar uiterlijk, maar vooral uit respect voor haar prestatie. Zij was de beste vandaag. Punt uit. Maud wordt tweede en is daar blij mee. Voor plaats drie maakt het Judy het vreselijk spannend. In de laatste ronde heeft ze vol gelopen om de Estlandse Schmidt, een neoseniore, bij te halen. In de finishstraat perst ze er alles uit, maar het loopparcours is net een halve kilometer tekort om het gat dicht te lopen. Bij de senioren is wel derde, en dat is haar derde EK-brons op de offroad triathlon.


Wanneer ik later m’n fiets ophaal, blijkt dat m’n achterwiel zwaar aanloopt. De remschijf is krom. Waar het is gebeurd weet ik niet. Materiaalpech, valpartijen en andersoortige ellende, het zijn de mindere kanten van offroad triathlons. Maar, eerlijk is eerlijk, als ik technisch vaardiger zou zijn, zou ik waarschijnlijk geen lekke band of een kromme remschijf hebben opgelopen. Alhoewel, soms heb je gewoon pech. Ook Jim Thijs, ex-downhiller en technisch zeer begaafd, en Miko Vastaranta, ook een goede mountainbiker, zijn lek gereden. In de laatste ronde, een paar kilometer voor de finish. Ze hebben geen band gewisseld, maar hebben lopend en op de velg fietsend de laatste kilometers afgelegd, en zijn als zesde en vijfde gefinisht. Dat kan dus ook.

In offroad triathlon, even the bad days are good.

Uitslag EK triathlon, 19 juni 2010, Myjava, Slowakije

1. Franky Batelier (Frankrijk) 2:19:42
2. Victor del Corral Morales (Spanje) 2:24:03
3. Thomas Jurkovic (Slowakije) 2:25:20
13. Lars van der Eerden (Nederland) 2:42:52
17. Bert Flier (Nederland) 3:01:10

maandag 14 juni 2010

Nipte winst in Klazienaveen

Onder het motto 'wat je ver haalt, is lekker' stap ik zaterdagochtend vroeg in de auto en toets Klazienaveen in op de TomTom. Dat is 220 km, waarin ik onder meer langs Huizen kom waar vandaag ook een kwart triathlon wordt georganiseerd. De Almeerse polders laat ik links liggen. Naar het noordoosten wil ik, een regio waar ik graag wedstrijden doe. Drachten, Heerenveen, vroeger Oldeberkoop, en nu dus Klazienaveen. In het land van Bartje is het goed triathlonnen.

Voor vandaag heb ik verzonnen dat ik op m'n trainingsfiets rijd. Geen ligstuur, geen dichte wielen, gewoon zoals vroeger. Eens kijken wat het verschil is met m'n tijdritfiets. Met het infietsen besluipt me een lichte twijfel. De wind blaast wel erg hard vandaag, en er zijn veel lange, rechte stukken waar ik zoveel wind vang dat ik flink moet trappen om boven de dertig te rijden. Het zal lastig worden m'n normale kruissnelheid van rond de 40 per uur te halen. Positief is dat er een paar rot lopende klinkerstukken in zitten, en een lekker bochtige passage in Klazienaveen. De wedstrijd zal leren hoe mijn beslissing uitpakt.

Met het inzwemmen zie ik dat de oevers van het kanaal aardig vol beginnen te lopen met nieuwsgierige Klazienaveners die zich afvragen wat voor spektakel zich in hun dorp gaat voltrekken. Twee bruggen waar we onderdoor zwemmen beginnen ook al vol te lopen. Triathlon is nog nieuw in Klazienaveen. 't Is pas de vierde keer dat deze wedstrijd wordt georganiseerd.

Mede daardoor is het startveld bescheiden: zo'n veertig man ligt in het water voor de langste afstand (1 km zwemmen, 45 km fietsen, en 10 km lopen). Ik stel me strategisch op aan de oostelijke walkant van het kanaal, zodat ik met een halve duik kan starten. Na 200 meter zie ik iemand midden in het kanaal zich loszwemmen. Dat is Peter van Grootheest zijn, de beste zwemmer van het pak. Ik probeer in zijn voeten te komen, maar kom een paar meter tekort. Langzaam maar zeker zwemt hij van me weg. Ik maak me geen zorgen; die vijftig meter los ik later in de wedstrijd wel op. Tussen mij en de derde man in de wedstrijd ligt een hele grote plas water.

Peter zit na de wissel een halve minuut voor me. Dat is een gat dat dicht te rijden is. Denk ik, terwijl ik over de klinkers van Klazienaveen-centrum rijd. Dat dichtrijden blijkt dus niet zo makkelijk. In de eerste bochtige, in grof patroon belegde klinkerkilometers blijft het verschil gelijk, maar zodra we in de winderige landstreken rondom Klazienaveen belanden merk ik dat de koploper steeds kleiner wordt. Hij rijdt dus van me weg. Ik treur niet, want ook in de polders blijkt de triathlon te leven. Menig in de Klazienaveense polders wonend gezin heeft het complete tuinameublement langs de weg geparkeerd om ons aan te moedigen. Klazienaveen verdient een nominatie voor Tourstad. Animo genoeg.

Na een stuk verschrikkelijke tegenwind, waar ik de teller net op de 32 weet te houden, rijd ik langs het plaatsnaambordje 'Erica'. Peter van Grootheest is uit beeld gefietst, achter me zit ook niemand. Tijd voor contemplaties. Erica heeft een beroemdheid. Daniël Lohues, zanger, songwriter, en de man achter Skik komt hiervandaan. Met dank aan de heer Lohues waait er een wrampletje door m'n hoofd:

wie döt mij wat, wie döt mij wat, wie döt mij wat vandage
'k heb de banden vol met wind
nee ik heb ja niks te klagen
wie döt mij wat, wie döt mij wat, wie döt mij wat vandage
'k zol haost zeggen, jao het mag wel zo

Inspirerende tekst, mooi nummer, maar voor mij werkt het nu even niet. Ik schiet voor geen meter op. Voor de wind rijd ik net boven de veertig. Daar ga ik deze oorlog niet mee winnen Na de eerste ronde van 15 km is m'n achterstand op Peter van Grootheest gegroeid tot anderhalve minuut. En er zijn nog 30 lange kms te rijden.

Ronde twee verloopt nog moeizamer. Onderin de beugel zitten gaat niet vanwege de restpijn in m'n rug van de Ventoux-expeditie van vorige week. Met de handen bovenop het stuur noteer ik tegenwind een laagste snelheid van 28,8 km/uur. Dit schiet echt niet op. Lichte zorgen over het ontglippen van de winst borrelen op.

Aan het eind van ronde twee, op de weg van Erica naar Klazienaveen langs het kanaal, blik ik spichtig naar de overkant om te zien of de koploper daar al is te zien. Gelukkig niet. Tot mijn opluchting heeft hij zelfs nog niet helemaal de lus door het dorp gereden, en daar doe ik drie minuten over.

Ik kan hier dus nog winnen. Kwestie van dezelfde snelheid aanhouden in de laatste fietsronde, accepteren dat de achterstand zal blijven groeien zolang we op de fiets zitten, en dan maar heel hard lopen.

Aan het eind van ronde drie word ik gepasseerd door een duo. Het zijn Samme Steenstra, de nummer drie in de wedstrijd, en de eerste fietser van de estafette-triathlon die gelijk met ons is gestart. Als derde wissel ik, ik maak haast. De wissel levert me direct al twaalf seconden winst op. Drie en een halve minuut resteren. Er is tien kilometer te lopen, dus er is werk aan de winkel. Ik reken even snel: 3,5 minuut = 210 seconden / 10 kilomer = 21 seconden per kilometer die ik harder moet lopen om hier te kunnen winnen. Dat betekent vol gas vanaf meter 1.

Zo lastig als het fietsen ging, zo lekker gaat het lopen. Ik ga als 'n speer, Ik ga als 'n raket , Ik ben alles tegelijk, Een refrein en een couplet, Ik ga als de brandweer, Ik ga als 'n speer... nu werkt Skik dus wel. Lopen is lekker.

Na vijf kilometer time ik m'n achterstand op 1 minuut 45. De helft van het gat dichtgelopen, nog vijf kilometer te gaan. Het gaat krap worden. In de verte kan ik de koploper zien. Omdat ik geen zin heb in een eindsprint, verhoog ik het ritme. Dat gat moet dicht, en wel zo snel mogelijk. Per kilometer gaan er happen van bijna dertig seconden vanaf. Met nog twee kilometer te gaan is het gat een gaatje van nog maar een dikke honderd meter, aan het begin van de laatste kilometer kan ik Peter bijhalen en is de winst binnen. Het publiek heeft het mooi gevonden, de inhaalrace, maar ik moet even zitten om bij te komen. Een hoge 32-er op de te korte tien kilometer heb ik nodig gehad.

Wat was dit lastig.

Volgende week een uitdaging van een andere orde. Dan kom ik in Slovenië namens Nederland uit op het EK crosstriathlon. Kort, maar heftig, met 1 km zwemmen, 1000 hoogtemeters op 24 km mountainbiken en een lekker technisch fietsparcours. Het lopen is niet lang, 8 km, maar is ook zwaar. Het water loopt me nu al in de mond.

Uitslag Klazienaveen, zaterdag 12 juni 2010

1. Bert Flier 2:00:06
2. Peter van Grootheest 2:00:37
3. Samme Steenstra 2:04:55

maandag 7 juni 2010

La Ventoux Beaumes-de-Venises

Een naarling, dat is het. Een sloper. De berg die het leven kostte aan Tom Simpson. De berg ook van de eerste klimtijdrit in de Tour de France. Charly Gaul won ‘m, in 1:02:09. De beklimming waar Eddy Merckx van aan het zuurstof moest. En waar het, in de week voordat ik ‘m reed, zo hard waaide dat een op ons vakantiepark verblijvende wielrenner van z’n fiets werd geblazen. Niet in de afdaling, maar in de beklimming.

De Mont Ventoux, want daar heb ik het over, is het hoogtepunt van de Cyclo La Ventoux Beaumes-de-Venises die ik zaterdag 5 juni rijd. Eens een weekend geen triathlon, maar een andersoortige beproeving. De start is in Beaumes-de-Venise, daarna met een peloton van een man of tweeduizend in vliegende galop over hellende provinciale weggetjes door wat dorpjes, en dan, na een dik half uur koers, bij Bédoin omhoog, de Ventoux op. Ter inspiratie heb ik, in de 1100 kilometer lange autorit naar de Provence, grote delen uit De Renner voorgelezen aan Ronald, mijn reisgenoot. Daarin ook beschrijvingen van de zeven beklimmingen die Tim Krabbé reed, de één nog vreeswekkender, dus inspirerender, dan de andere. Krabbé’s beste tijd: 1:21:50. Ik heb die tijd in m’n hoofd geprent. Vandaag eens kijken hoe ik me verhoud tot de wielrenner/schrijver/schaakgrootmeester.

Net buiten Bédoin druk ik, op aangeven van een oplettende Ronald, m’n laptijd in. We rijden in de staart van de kopgroep en zitten er dus nog bij. Nog, want we weten allebei dat wij geen schijn van kans hebben tegen de klimmertjes die hier voor de overall winst gaan. De eerste kilometers gaan vals plat omhoog. De wattagemeter geeft tussen de 350 en 400 watt aan, m’n hartslag zit goed. Om deze mooie dag te vieren - het is bijna windstil, de lucht is strakblauw en de zon schijnt dat het een lieve lust is - prop ik een iPod-speakertje in m’n linkeroor. Hij staat op shuffle, en ik word getrakteerd op The Dutch Mountains van The Nits. Ik voel me opperbest. Goesting te over.

Een stukje later is het valse plat overgegaan in echt klimmen. Acht, negen, soms meer dan tien procent. En dat gaat nog wel even duren. Al na een paar kilometer in het bos worden de klanken van m’n iPod overschreeuwt door pijnsignalen uit de onderrug. Ik ga een paar stukken staan en doe wat bekkenkanteloefeningen in een poging de rug wat te ontspannen. Daardoor versnel ik telkens een beetje, en ik haal bij ieder staand stuk wat mannen in. De benen voelen goed, de hartslag is onder controle, maar die rug… die wordt pijnlijker en pijnlijker, m’n ontspanningsoefeningen ten spijt. Elke kilometer staat er een bordje. ‘Sommet, 14 km, 9,2%’. ‘Sommet, 13 km, 10,2%’. M’n snelheid ligt tussen de 11 en 14 km/uur. Het gaat dus nog een klein uur duren tot ik boven ben en de spanning van de rug kan halen. De pijn is niet te harden. Ik weet dat er een verzorgingspost staat vijfhonderd hoogtemeters onder de top. Dat zou een punt kunnen zijn om even te stoppen en de rug te rekken.

Ik rijd nog twee kilometer door, de pijn wordt steeds ondraaglijker, en besluit toch even af te stappen en m’n rug te rekken. Ik pak een minuutje, stap weer op, en hoera, de onderrug voelt iets minder pijnlijk aan. Voor een minuut of twee. Daarna ben ik weer terug bij af. Er zit niets anders op dan de situatie te accepteren en door te rijden. Ik haal één voor één de renners in die me tijdens m’n rekpauze zijn voorbijgegaan. Bij de verzorgingspost stop ik om snel de bidons te vullen. Als enige, zo lijkt het: iedereen wil zo snel mogelijk naar boven, en de koers is nog maar anderhalf uur oud. De laatste zes kilometer hebben wat minder zware stukken, en ik haal weer een man of tien, twintig in. M’n humeur begint weer wat op te bloeien, en ik vang weer flarden op van m’n iPodspeakertje. Bovenop tik ik af. 1 uur 23 minuten, zonder de stop. Langzamer dus dan Krabbé, maar in het acceptabele. Ik rits m’n shirtje dicht en begin de afdaling. (Ronald, die achter mij boven komt, neemt bovenaan de afdaling een verkeerde afslag. Daar komt hij pas achter wanneer de weg, na een paar ziedende afdalingskilometers, blijkt uit te komen op een camping. Ronald is er nuchter onder, maar hij vertelt me naderhand dat hij in de klimkilometers terug naar de top van het groepje Fransen dat samen met hem was fout gereden zijn Franse scheldwoordenschat flink heeft kunnen aanvullen.)

De eerste kilometers in de afdaling gebruik ik om m’n rug te stretchen. Onderin de beugel zitten doe ik niet. Te diep, te pijnlijk, te onbelangrijk vooral. Ik moet eten, de pijn in de onderrug weer onder controle krijgen, en zorgen dat ik de bochten goed lees. Na een paar kilometer komt er een groepje renners voorbij. Ik sluit aan. De afdaling loopt superlekker, met overzichtelijke, brede bochten waar je nauwelijks voor hoeft te remmen. Op een lang, recht stuk kom ik bijna aan m’n daalrecord. Dat staat op 91, nu tik ik de 87 aan.

In de groep rijd ik het dal aan de andere kant van de Ventoux binnen. De benen zijn nog behoorlijk goed, de rug is wat beter, we zijn tweeënhalf uur bezig. Nog vierëneenhalf te gaan, bedenk ik me. Dat is nog een roteind, en ook niet geheel vlak: we zitten net op de helft van de bijna 4.000 hoogtemeters die we in de 170 km lange koers voor onze kiezen krijgen. Bij de tweede verzorgingspost, aan het begin van het dal, stop ik weer om de bidons vol te gooien. De rest van de groep, behalve één man, rijdt door. En het is toch echt bloed- en bloedheet. Vierendertig graden in de schaduw om precies te zijn.

Na m’n pitstop kijk ik achterom en zie tot mijn opluchting een groepje achter me aankomen. Ik laat ze bijkomen en haak aan. In de vele klimmetjes op de weg door het dal wordt er lekker doorgereden, maar zodra het vlak is en het briesje wind tegen blaast, heeft geen van de heren zin om op kop te rijden. Ik probeer een beetje organisatie aan te brengen door een paar stukken voor m’n rekening te nemen, maar tevergeefs. Wat meer helpt om het tempo op te voeren, is het zicht op het groepje voor ons dat ik bij de verzorgingspost heb laten rijden. Een kwartiertje later halen we het groepje bij en bedenk ik me dat ik twee volle bidons heb en in dezelfde positie zit als de mannen die niet gestopt zijn. Goede keus dus, met de logica van achteraf. We zijn nu drie uur onderweg. Zoutkristallen kleuren m’n broek wit. Ik zweet me het lebbertje. M’n rug doet nog steeds flink veel pijn, maar het is uit te houden.

Ik voel me onrustig en laat me terugzakken in de groep. Even mijn gedachten op wat anders focussen dan op mezelf. Ik monster de mannen in de groep. Uit de shirtjes op te maken is het merendeel Frans, maar er rijden ook wat Belgen en Italianen rond. Gepraat wordt er niet. Men is te druk met rijden. Op erg mooie fietsen. Ik zie een Cervelo S3 met strakke Zipp tubewielen en rotorcranks, een Pinarello Dogma met Campa Record 11-speed groep en lage tubevelgen van een schamele kilo zwaar, keramische lagers gevat in carbon naven, iemand met een SRM-crankstel, en nog veel meer moois. Het mag allemaal wat kosten.

Een Nederlander die ook onderdeel van de groep uitmaakt, zie ik telkens aan het begin van een klimmetje naar voren schuiven en wegrijden van het groepje. Dat herhaalt hij een paar keer, maar wegkomen doet hij niet. Ik spreek hem aan, en hij vertelt dat dit zijn taktiek is om z’n mindere afdaling te compenseren. Bij een wat langere beklimming verrekent hij zich en neemt hij een krap minuutje voorsprong. Na de praktisch rechte afdaling heeft hij nog steeds een gaatje. Ik neem de kop om het gat dicht te rijden en maan mijn groepsgenoten tot overnemen. Daar wordt twee keer gehoor aan gegeven. De derde keer dat ik op kop kom, blijk ik na dertig trappen los te zijn. Niemand wil blijkbaar het gaatje op mij dichtrijden. Ik trek door, en rijd redelijk snel het gat dicht op de Nederlander. Wanneer ik aan zijn wiel neerstrijk, blijk ik gezelschap te hebben gekregen van de man op de Cervelo. We zijn nu 3 uur 20 minuten onderweg, en dus ongeveer op de helft. De krampscheutjes die ik onderaan de afdaling van deVentoux voelde, zijn nu krampscheuten geworden. M’n rug doet nog steeds verrekte pijn, en ik weet dat we nog flink wat moeten klimmen in deze bloedhitte. M’n hoofd begint negatieve gedachten te produceren:

3 uur 23 minuten: Wat een griebusrit is dit. Twee dagen in de auto om vervolgens 7 uur lang je rug in de puin te rijden.

3 uur 26 minuten: Kijk toch niet telkens op je tellertje om te zien hoe lang het nog is. Rijden en focussen.

3 uur 32 minuten: Wegrijden uit een groepje dat waarschijnlijk een minuutje achter je rijdt en waar je lekker uit de wind had kunnen zitten. Lekker slim. Eerst het bord van een ander, dan dat van jezelf.

3 uur 34 minuten: Fietsen in de bergen is niet leuk. Ik ben hier niet geschikt voor.

3 uur 40 minuten: Wat rijden die andere twee hard. Ik wil langzamer.

Dat langzamer rijden blijkt even later geen fysieke, maar vooral een mentale zaak. Want even later pak ik m’n beurt op kop. Een bocht hiervoor zagen we, in de verte, een groep rijden. Ik wil er naartoe, en snel ook. Ik zet aan. ‘Doucement!’ maant de Fransman op de Cervelo me tot rust. Hij heeft gelijk. Als we zo kop over kop doorrijden, komen we er vanzelf bij. Positief: blijkbaar zijn m’n benen nog goed, anders had hij me niet gevraagd rustiger te rijden. Negatief: ik ben onrustig, labiel in m'n hoofd en sta op het punt mezelf in de zelfdestructiemodus te zetten. Die neiging heb ik altijd als ik last heb van allerlei lichamelijke ongemakken en voel dat er nog meer ellende gaat komen. Dan beheers ik me moeilijk, en roep ik, misschien als soort van protest, onheil over me af door domme dingen te doen. Demarreren bijvoorbeeld, of mezelf slecht verzorgen.

3 uur 45 minuten: Wat is het bloedverziekend heet. Dit is weer om aan het zwembad te zitten in plaats van op de fiets.

Ik herpak me enigszins wanneer we, na vier uur wedstrijd, het groepje beginnen bij te halen. Dat gebeurt onderaan de klim naar Chalet Reynard. Die ligt op ruim 1400 meter, vijfhonderd meter onder de top van Ventoux. Echt steil is-ie niet, maar wel lang.

Ik begin door m’n water heen te raken. De Nederlander, die deze cyclo al vaker reed, zegt dat ergens in de buurt van een dorpje onderaan de beklimming vorig jaar een verzorgingspost stond. Dat zal tijd worden. M’n bidons zijn alweer leeg, en ik voel dat de spieren in m’n knieholten steeds meer verkrampen. M’n armen glinsteren van het opgedroogd zout. Ik heb vocht en mineralen nodig, en snel ook. Ook begin ik misselijk te worden. M''n dadel-amandeltaartje, dat ik normaliter met groot genoegen naar binnen schrok, kauw ik nu minutenlang door voordat ik het door durf te slikken.

Na een kilometer of vijf klimmen valt de groep langzaam uiteen. Ik heb me met tegenzin weer aangesloten bij de Nederlander en de Fransman-op-de-Cervelo die op een steiler stukje wat gas gaven. Eigenlijk heb ik helemaal geen zin meer in die hele cyclo, maar omhoog moet ik toch. Als ik met deze mannen meerijd, duurt het lijden ten minste wat korter. De Fransman versnelt nog eens. Ik en de Nederlander laten hem rijden. We hebben stilzwijgend een pact gesloten. We kankeren beiden op de organisatie die het heeft verrekt voldoende drankposten neer te zetten. Een bordje langs de weg geeft aan: ‘Sommet – 14 km’. Dat betekent dus nog een uur zonder drinken. Ik weet dat het geen zin heeft om me daar nu over op te winden, want het verandert niets aan de situatie, maar ik doe het toch. En dat gaat een stuk lekkerder als je een medestander heb. We besluiten dat we erg onheus behandeld worden door de Franse organisatie, maar daarmee hebben we ons vochtprobleem niet opgelost. Ik stel voor om bij het eerste het beste huis aan te bellen voor water. Mijn metgezel, bekend met deze klim, ontneemt me die optie door te zeggen dat er tot aan de top geen huizen staan.

Even later rijden we toch langs iets wat eruit ziet als een huis. Het blijkt vervallen. Op een aangrenzend terrein staan wat vrachtwagens, een camper een caravan. Als er al mensen wonen, dan hebben ze loslopende honden en zijn ze niet erg gastvrij. We rijden dus door. Na een bocht even verderop staat een oudere Franse dame naast haar auto in de berm. ‘Avez-vous de l’eau?!’ roep ik in mijn beste Frans. Dat blijkt ze te hebben, maar het merendeel van de reeds aangebroken anderhalve literfles water wil ze reserveren voor iemand die ook meerijdt - het is me onduidelijk of dat haar man, zoon of wat dan ook is. Ik en mijn metgezel krijgen, na wat aandringen, toch de fles overhandigd en legen die totdat er nog een schamel bodempje water van over is. Het is oorlog, en dan mag dit, vind ik. Een achteropkomende renner die ook stopt voor een slok water krijgt nul op het rekest.

Inderdaad. Brutalen hebben de halve wereld.

Op acht kilometer onder de top kunnen we weer bij een langs de kant geparkeerde supporter water scoren. Dit keer met bubbels, en lekker koud, uit een koelbox. Een halve bidon vol. Daarmee redden we het tot op de doorkomst bij Chalet Reynard. Deze beklimming, van gemiddeld vijf procent, hebben we op trainingstempo gereden, maar we zijn nauwelijks ingehaald. Iedereen heeft het hier zwaar.

Bij de verzorgingspost by Chalet du Reynard (wel vocht, geen mineralen) gooi ik m’n beide bidons weer vol. Vijf uur wedstrijd gehad, nog iets van anderhalf uur te gaan. Het moet lukken, binnen de zeven uur te finishen – de tijd die nodig is voor goud.

De afdaling van de Mont Ventoux terug naar Bédoin loopt lekker. Ik haal mannetje voor mannetje in en durf lekker hard de bochten in te sturen. Onderaan de afdaling, wanneer het weer zin heeft om te trappen, schieten de krampscheuten door m’n benen. Het ergst zijn de spieren in m’n knieholtes en op de kop van m’n dijbeen. Ik rek voorzichtig de beide benen. Ik kan ze net in gestrekte positie brengen, maar wanneer ik begin met trappen, schieten ze op slot wanneer het pedaal op 12 uur staat. Alsof een elastiek te strak staat gespannen. Er valt niet mee te fietsen. Het groepje waarin ik terecht gekomen ben, heb ik al moeten laten rijden. Tot aan de finish is het nog dertig kilometer, met daarin twee klimmetjes van een kilometer of drie.

Dat gaat niet lukken in deze staat. Ik overweeg m’n opties: afsnijden en via de vlakst mogelijke route naar de finish rijden, uitstappen en zien dat ik vervoer naar de finish regelen, of een wederopstanding bewerkstelligen. Ik probeer me te ontspannen, maar dat helpt voor geen meter. Zodra ik probeer rond te trappen, schiet de kramp in m’n knieholtes.

Elke nadeel heb z’n voordeel: de pijn in m’n onderrug ben ik, door de kramp, vergeten.

Ik weet dat mijn probleem niet zozeer vochttekort is, maar tekort aan mineralen. Zout, om precies te zijn. Op m’n benen en armen heeft zich een heuse zoutkorst gevormd, en daarom heb ik die kramp. Ik rol een dorpje binnen, en zie links een terrasje. Ik stuur erheen, stap voorzichtig af opdat de kramp er niet inschiet, en strompel op een lunchend groepje fietsers af. Het blijken Nederlanders, en ze blijken me ook nog eens van naam te kennen. ‘Dat is Bert Flier!’ hoor ik iemand zeggen. ‘Inderdaad’, zeg ik, ‘en hij heeft kramp. Staat er zout op tafel?” Dat blijkt zo te zijn. Ik pak het vaatje en giet een flinke scheut zout in m’n bidons. Men vraagt wat ik hier doe. ‘Een cyclo rijden’, zeg ik.

Ik drink een halve bidon leeg en fiets weer weg. Tot mijn verbazing kan ik binnen een paar minuten weer redelijk rond trappen. Ik zie een renner langs de kant staan, volledig in de kramp. Een grijns kan ik niet onderdukken. Met de minuut voel ik me beter, en een poging om staand op te pedalen een stukje te klimmen, slaagt. Het eerste klimmetje, de Col de la Madeleine op (voor de duidelijkheid: een naamgenoot van de befaamde Madeleine in de Alpen) kan ik zowaar met driehonderd watt oprijden.

Het zout heeft een wonder verricht.

Twee minuten voor me uit zie ik plukjes renners uit m’n afdaalgroepje. M’n moraal stijgt met de meter, ik suis de afdaling van de Madeleine af, op zoek naar renners die ik nog kan inhalen. De laatste klim van de dag is de Col de la Chaine. Die heb ik gisteren verkend en is in mijn herinnering een serieuze klim van een kilometer of drie, tussen de zes en acht procent steil. Dat blijken er in de praktijk iets minder kilometers te zijn. Raar maar waar: ik wens dat deze klim maar wat langer duurde, dan kan ik meer man inhalen. De rug is weer redelijk, ik kan weer hard bergop, de moraal is weer helemaal terug. Ik pak toch nog een paar man in de laatste klimkilometer. Of het mannen van de 170 of 97 kilometer zijn weet ik niet, maar lekker is het wel.

De laatste kilometers dalen af naar Beaumes-de-Venises. Met een Fransman, gestoken in een erg mooi blauw tenue, sikje op de kin, gezeten op een strakke Canyon, redelijk fors gebouwd, eerder type Nederlandse krachtpatser dan lichte klimmer, rijd ik kop over kop naar de finish. Krampscheuten vlammen door de benen, maar ik kan blijven draaien en kracht leveren. Na 6 uur 10 minuten netto en zeseneenhalf uur bruto kom ik als 57e overall over de finish.

Ik durf te zeggen dat deze rit in mijn top-vijf van zwaarste ritten ooit staat. Volgende week staat er een bescheidener opdracht op het programma: de kwart triathlon van Klazienaveen. Lekker twee uur rammen door het vlakke Drentse land, zonder bergen, zonder hitte, en met een hopelijk herstelde rug.