Welkom

Ik hoop dat je inspiratie vindt op mijn site!

Reacties of suggesties voor onderwerpen zijn welkom op mijn e-mailadres: bertflier72@gmail.com.

Veel plezier,

Bert Flier
Posts tonen met het label Trainingsverslagen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Trainingsverslagen. Alle posts tonen

maandag 2 januari 2012

3in1Sports Kerststage Nijverdal 2011

De dagen tussen Kerst en Oud en Nieuw was ik in Nijverdal. Lekker drie dagen lang aan de slag om mijn passie voor het zwemmen, mountainbiken en lopen te delen met een brede groep sporters, samen met de Belgische offroad-prof Jim Thijs en zwemtrainer Frank Huisman.

De uitvalsbasis voor deze 3in1Sports offroadstage is de Wilgenweard, een sportherberg die pal tegen de bossen van de Sallandse heuvelrug ligt. Een superlocatie: het spiksplinternieuwe zwembad van De Ravijn ligt op een dikke kilometer, je kunt vlakbij fantastisch lopen in de bossen en er liggen tientallen offroad tracks vlak in de buurt. Mogelijkheden te over om lekker te werken aan de mountainbikevaardigheden en om de conditionele en (zwem)technische basis te leggen voor het komende seizoen.

Dinsdag 27 december beginnen we met een offroad circuittraining. In een mooi stuk bos op 500 meter van onze locatie wisselen we anderhalf uur lang blokken lopen af met romp- en buikspiersetjes. Gedoseerd en op zo'n manier dat een paar mensen gedurende de volgende twee dagen aangeven spieren te voelen waarvan ze het bestaan niet durfden te vermoeden.

Na de lunch staat de eerste mountainbiketraining op het programma. We hebben mazzel, want wanneer we wegrijden blijken de omliggende bossen volgehangen met lintjes vanwege een atb-toertocht die morgen wordt georganiseerd. Als Kleinduimpjes volgen we de lintjes, om na een paar kilometer het parcours te laten voor wat het is: we hebben namelijk een heel interessante afdaling gevonden die perfect is om aan de stuurvaardigheid te werken. Dat was in het begin best lastig:


Na een half uurtje konden de meesten al heel vlot naar beneden. Echt heel gaaf om te zien hoe snel een groep zich ontwikkeld en wat mensen allemaal kunnen en durven na de uitleg en een paar keer oefenen.


's Avonds is er een Q&A sessie met Jim: wat is het verschil tussen een gewone mountainbike en een 29-er? Wat is een verstandige bandenkeuze? Hoe stel ik m'n voorvering af? Maar ook: hoe traint een offroad-prof nu eigenlijk zijn technische vaardigheden? Gewoon, door afdalingen en beklimmingen op te zoeken die nog een uitdaging zijn en daar de technische grenzen te verleggen. Daarbij wordt regelmatig gevallen, vandaar dat Jim deze trainingen in het voorseizoen doet. Naarmate de wedstrijden dichterbij komen 1x per week de techniek onderhouden, maar zonder grote risico's te nemen: heel aan de start staan is natuurlijk voorwaarde om goed te kunnen presteren.

Woensdagochtend staan we op tijd op, want om half negen staat de eerste zwemtraining op het programma. Een aantal mensen wordt door Frank op video vastgelegd voor een technische zwemanalyse. We doen een 100 meter-test slaglengte en slagfrequentie-test op basis waarvan we voor iedereen individueel kunnen aangeven waar je aan kunt werken om vooruitgang te boeken (het principe van deze test wordt binnenkort in de Triathlon Sport door Frank Huisman beschreven). Het pièce de résistance van deze training is een anaeroob capaciteitsblokje: 4x50 volle bak met 1.30 als rust. Het zwembad roffelt van de inspanning.
Na het zwemmen lopen we ontspannen een uurtje in het bos. Smiles all over the place: het is 11 graden, er schijnt een flauw zonnetje en de sfeer is ontspannen.


Daarna lunchen en op de mountainbike. We rijden naar een nieuwe locatie, een zandkuil in de bossen achter Hellendoorn. Daar zetten Jim en ik een lekker technisch rondje uit, met als grote uitdaging een drop-off gevolgd door een technische zandafdaling de kuil in. Dit is weer een treetje hoger dan gisteren. Ik geniet ervan als ik zie dat mensen die in eerste instantie denken dat je hier dus niet met een fiets naar beneden kan, dat tot hun eigen verbazing even later zelf doen. Aan het eind van de training rijden we een half uur lang aaneengesloten het rondje. Conditioneel zwaar, technisch uitdagend: dit is zoals mountainbiken hoort te zijn.


De derde en laatste dag starten we met een zwemclinic van Frank. De kern is het optimaal leren afstellen van de slaglengte en slagfrequentie. Nieuw materiaal voor de meesten die veel inzicht geeft in mogelijkheden tot verbetering.

Na het zwemmen gaan we weer terug naar het zwembad. Nu met de loopschoenen aan, want pal achter het zwembad ligt een schitterende langgestrekte heuvel die fantastisch is om het bergop en bergaf lopen te trainen. Dat doen we doen ook, volle bak. Jim demonstreert zijn zelfontwikkelde afdaaltechniek: licht landen op de voorvoeten, controle houden over je snelheid en met de armen tegengesteld draaien om stabiel te blijven.

Na de lunch doen we de afsluitende mountainbiketraining. We rijden nogmaals naar de zandkuil, want de mogelijkheden daar zijn eindeloos. Letterlijk trouwens, want tijdens het voorrijden van het nieuwe, schitterende rondje raken we een deelnemer kwijt. Na een kwartiertje wachten duikt hij gelukkig weer op. Eén verkeerde afslag en het is gebeurd in deze bossen die wemelen van de paadjes.

Na drie dagen, zeven trainingen en veel en lekker eten zit het er dan op. Nog maar één jaartje wachten en dan staat de volgende Kerststage alweer op het programma.

Wil je ook een keertje mee op trainingsstage? Dat kan! Je kunt kiezen uit vijf stages:

15-22 maart 2012 Voorjaarsstage Malaga
06-09 april 2012 Paasstage Ardennen (deze stage is al volgeboekt)

zondag 2 januari 2011

Offroad triathlonstage Elst

Tussen Kerst en Oud en Nieuw heb ik namens Tri-Experience.com een driedaagse offroad triathlonstage georganiseerd. Vanuit het StayOkay in Elst, prachtig gelegen in de bossen van de Utrechtse Heuvelrug. Centraal in Nederland, en een ideale omgeving om te mountainbiken en te lopen.

Tenminste, zolang het niet sneeuwt. En gesneeuwd had het dit jaar. Een wittere Kerst kan je niet krijgen. De vrijdag voor Kerst verken ik de omgeving per mountainbike. De eerste meters zijn onzeker en glad. Alsof je door het mulle zand rijdt. Even je evenwicht kwijt en je achterwiel slipt weg. In het begin glibber ik voorzichtig door de Veluwse bossen, een S-vormig spoor achter me latend. Maar, alles went, en na een uurtje weet je niet beter en blijkt het een genot om te rijden in de sneeuw.

Toch maak ik me zorgen. Het doel van de stage is immers werken aan de offroad vaardigheden. Een essentieel kenmerk van offroad triathlon is je aanpassen aan de omstandigheden. Vanuit dat perspectief biedt sneeuw een unieke gelegenheid om aan je vaardigheden te werken. Elk foutje wordt afgestraft. Maar ik weet ook dat er deelnemers komen die pas een mountainbike hebben gekocht. En als ik me soms onzeker voel, hoe moeten zij zich dan voelen? Voor de zekerheid neem ik een optie om te kunnen gaan spinnen. Voor als het echt erbarmelijk slecht is.

Maandagochtend 27 december druppelen de deelnemers binnen. Vierentwintig in totaal: volle bak. Voor het mountainbiken heb ik de steun van de Belgische offroadspecialist Jim Thijs. Rond negen uur krijg ik een smsje. Het is Jim, die meldt dat hij een parking heeft opgezocht. Om even uit te rusten. Hij is namelijk ziek, maar neemt zijn verantwoordelijkheid en heeft besloten toch te komen. Even voor tien uur meldt hij zich in Elst. We besluiten dat hij eerst naar bed gaat en ik de ochtendtraining zal doen.

Dat wordt een looptraining. Door de bossen lopen we naar een mountainbikeparcoursje bij Kwintelooijen, zodat we het parcours van de mountainbiketraining van vanmiddag alvast kunnen verkennen. Mijn Icebugs blijken perfect geschikt voor deze ondergrond. Materiaalkeuze is erg belangrijk in triathlons, en voor het offroadwerk kan, naast de bandenkeuze, ook het profiel van je schoen belangrijk zijn. We doen een aantal setjes waarin we wisselen met frequenties, en lopen daarna een paar keer het mountainbikerondje zodat we alvast weten hoe het loopt. Af en toe moeten we daarbij sleetjerijders ontwijken die met een noodgang van de over het parcours lopende hellingen afsuizen. Dat wordt interessant vanmiddag.

Jim hult zich 's middags in een viertal lagen kleding om de mountainbiketraining te kunnen begeleiden. Voor deze eerste dag doen we het rustig aan, en laten de groep wennen aan het rijden in de sneeuw. Het valt me alles mee met de gladheid: met het lopen heb ik meer slip- en glijpartijen gezien dan op de mountainbike. Ook alle sleetjerijders worden, tot mijn opluchting, telkens weer ontweken. Uitdaging van de dag is de rondom het mountainbikeparcours liggende motorcrossparcours. Daar zit een aantal steile en spiegelglad beijsde stukken bij. Bergop niet te doen, maar de afdalingen blijken zonder kleerscheuren te berijden.

Tenminste, zolang je van je remmen afblijft. Wanneer ik onderaan de afdaling omhoog kijk om de daalcapaciteiten van de deelnemers te beoordelen, zie ik iemand de helling afkomen. De houding is gespannen, het gezicht vertrokken tot een grimas. Dit is iemand met een doel. Fietsend beneden komen, koste wat het kost. Langzaam rijdt hij de helling af, begeleid door het erbarmelijk piepen van schijfremmen. Halverwege de helling ligt een schans, die ernstig steil naar beneden doorknikt. Op dat punt aangekomen verstard de blik in zijn ogen. Een golf van paniek rolt de helling af. In plaats van de fiets te laten lopen wordt de achterrem volledig ingeknepen. De fiets raakt in een slip, het achterwiel glijdt weg en doet een poging het voorwiel in te halen. Ademloos kijk ik toe, wachtend op de crash. Die wordt op het laatste nippertje voorkomen door de remmen los te laten. Zwabberend hervindt de fiets het spoor, en opgelucht parkeert deze Yeti-op-wielen even later zijn fiets naast me.

Dinsdag beginnen we met minder gevaarlijke activiteiten. 's Ochtends doen we een core stability training, lekker binnen in een zaaltje. Daarna geeft Frank Huisman, namens de Tri-Experience zwemafdeling, een buitenwaterclinic. Niet in buitenwater, want daar ligt ijs op, maar gewoon in het zwembad. Hij leert het verschil tussen glijslag en sprintslag en hoe je daartussen kunt wisselen op kritieke momenten in de wedstrijd. We demonstreren de techniek van het boeien ronden en doen een aantal oefeningen in het kiezen van positie in de groep. Hoogtepunt is het oefenen van de start. Frank dirigeert de 24 deelnemers achter een denkbeeldige startlijn in een claustrofisch klein startgebied. Doel is om twee boeien te ronden en vervolgens aan te tikken. Onderweg is alles toegestaan. Net als in de wedstrijd. We doen een afvalrace. Na een startje of zes ligt er nog zes man in het water die een kolkende finale afwerken. Met het gevoel een aantal waterpolopartijen achter elkaar gespeeld te hebben klimmen we na anderhalf uur het bad uit voor een lekkere douche, flink wat vaardigheden rijker en een paar halfverzopen deelnemers armer.

's Middags splitsen we de groep op in drie delen, waarbij we optimaal gebruik maken van de weersomstandigheden. Groep een gaat schaatsen, groep twee mountainbiken en groep drie offroad lopen. 's Avonds rijden we naar Ede, waar de grootste bioscoop van de Benelux blijkt te staan. Bij mij in de auto zitten Jip, Jim en Lion. Vanuit de speakers klinken de klanken van de Top 2000. Het gesprek komt op muziek. Jip, met haar 18 jaar de benjamin van deze stage, deelt mee dat ze Top 2000-fan is. Maar het meest fan is ze van de Belgische Selah Sue. Da's een singer/songwriter van het niveau Katie Meluah, mijn favoriete zangeres. Naast Kim de Boer natuurlijk. St. Pancras rules.

'O', zegt Jim. 'Selah Sue? Die woont bij mij in de buurt'. Jip kan haar oren niet geloven. Haar idool, wonend in de achtertuin van Jim. Het verhaal wordt nog sterker. Jim, die werkt in het plaatselijke zwembad, meldt dat Selah Sue daar elke vrijdagavond haar baantjes zwemt. Jip is uitzinnig. Ze kondigt aan zich zeer binnenkort in het Belgische zwemparadijs te melden om haar idool in levende lijve te kunnen ontmoeten.

Jip doet later op de avond wederom van zich spreken. De gehele groep zit lekker onderuit van De Eetclub te genieten. Ergens in de film zit een spannende passage. Die zie je van heinde en verre aankomen. Ook Jip. Sterker nog, ze heeft deze scène al eens eerder gezien. Toch schrikt ze op het moment suprème zo heftig dat ze een gil slaakt waar de haren op mijn armen recht van overeind gaan staan. Ze komt zelfs los van haar stoel en belandt half op de naast haar zittende Erik.

Jips commentaar na afloop: 'Genaaaant!'

Woensdagochtend staat er weer een mountainbiketraining op het programma. We rijden weer naar het parcours bij Kwintelooijen. Jim, die zich een beetje beter voelt, maar nog lang niet de oude is, geeft daar een in eenvoud uitblinkende clinic. Hij demonstreert drie simpele technieken, die de groep binnen een half uur onder knie heeft. Met die technieken kan je 80% van de moeilijkheden oplossen. Hoe simpel kan het zijn. Met de groep rijden we vervolgens het mountainbikerondje. Bij de technische passages geeft Jim uitgebreid uitleg over hoe deze te nemen, en we oefenen vervolgens net zo lang totdat iedereen weet hoe het moet. Aan het eind van deze oefenronde rijden we nog een dik uur om de nieuwe technieken in te slijpen. Het is mooi om te zien dat mensen die minimale mountainbike-ervaring hebben op deze derde dag het complete parcours kunnen rijden. Onder technisch moeilijke omstandigheden.

Wat ook helpt, is dat men niet bang is om te vallen. Na afloop stap van de training stap ik onder de douche. Guus is net uitgedoucht en staat zich af te drogen. Zijn beide heupen zien eruit als rauwe biefstuk. 'Heb je geen pijn aan die heupen?', vraag ik. 'Neuh, valt wel mee'. Straffe jongens, die Friezen.

's Middags gaan we met de hele groep lopen. In het besneeuwde bos, over het fietsparcours van de Amerongse berg. Op een technisch stukje van 300 meter met een helling van een procent of vier doen we tien versnellingen. Dat heb ik zelf bedacht. De benen zijn inmiddels moe, de coördinatie minder, en dat geeft een prima gelegenheid om het technisch gecontroleerd leren lopen onder vermoeidheid te trainen. Zoals je dat met de wedstrijden ook hebt. Die tien keer hadden er van mij ook zes mogen zijn, want dit blijkt een best wel erg zware training te zijn. Maar dat is offroad triathlon ook.

En leuk. Want deze stage was een succes, zelfs, of misschien wel juist door, de sneeuw. Het is mooi en inspirerend om een brede groep mensen kennis te laten maken met offroad triathlon. Want offroad triathlon is wat mij betreft een van de mooiste sporten die er zijn. Het is bevrijdend om te zwemmen in de zee, te fietsen in de bergen en te lopen over strand en door bossen en duinen. In Nederland, maar ook internationaal, komen er steeds meer wedstrijden, georganiseerd in de meest mooie omgevingen. Bekijk voor inspiratie dit filmpje van wereldkampioen Conrad Stolz.

Er zijn al plannen voor vervolgstages. Houd deze site en Tri-Experience.com in de gaten!

dinsdag 21 december 2010

De Hofstade-avonturen

Tussen Kerst en Oud en Nieuw 2010 organiseer ik een trainingsstage in Elst (zie www.tri-experience.com voor meer informatie). In de voorbereiding daarop stuit ik op een verslag van een stage die ik in 2003 in Hofstade deed. Om alvast in de stemming te komen.

Over pierkes, torpedo’s, verloren portemonnees, en andere avonturen

Entree
De organisatie is al volop bezig het sporthotel voor te bereiden op een legioen van 52 zwemmers en 12 triatleten. Het hotel is deze dag gebruikt voor de organisatie van een UCI cyclocross, waarvan de her en der door het hotel opgehangen bordjes stille getuigen zijn: Medische Commisie, Persruimte, Inschrijfbureau, Dopingcontrole. Ik ontvreem het bordje Dopingcontrole en plak het op de deur van mijn kamer. Opdat men mij en m’n kamergenoten weet te vinden.

Pierke
’s Avonds gaan we op bezoek bij het Belgisch triathlonfenomeen Rudi Stroobants. Ter verhoging van de stemming dient het hotel nog in kerstsfeer gebracht te worden. Er is van alles meegenomen uit Nederland, maar we enkele essentiële attributen. Voor de kerstverlichting hebben we een verlengsnoer nodig, maar daarvoor schiet de contactdoos van het hotel vanwege incompatibiliteit met de Nederlandse stekkers tekort. Tessa van de organisatie legt het probleem uit en wordt vervolgens getrakteerd op een zinsnede in de trant van ‘O, dan moeten we een ander pierke nemen’. Tessa blikt verbaasd en niet-begrijpend in het rond, maar treft in onze ogen dezelfde niet-begrijpende blik. Pierke ontbreekt in ons hollands vocabulaire. Nog steeds ben ik niet zeker of het nu stekker, contactdoos of wellicht lamp (peertje?) betekent.

Torpedo’s
’s Anderendaags word ik in de ochtendvroegte op brute wijze uit een diepe slaap gehaald. Een vers gearriveerde kamergenoot slingert met veel kabaal drie volumineuze sporttassen de kamer in. Tsja, als je in vier dagen tijd twaalf trainingen gaat afwerken heb je nogal wat materialen nodig.
Vandaag staan er twee zwemtrainingen en een looptraining op het programma. De ochtendlijke zwemtraining is een oefening in leedvermaak. Vandaag zijn er veel nieuwelingen, en die worden getest. Niet om zwemvermogen (wij kennen onze beperkingen) maar op het vermogen een uit 15 onderdelen bestaand inzwemprogramma na één keer noemen zonder haperen uit te voeren. Bij het opnoemen van het gevarieerd inzwemprogramma vang ik nogal wat hulpverlangende blikken op. Daarna worden de nieuwelingen voor het eerst blootgesteld aan allerhande techniekoefeningen. Met gestrekte of gebogen armen zwemmen lukt de meesten wel, maar wanneer de opdracht wordt verzwaard naar linkerarm gestrekt boven en gebogen onder water en rechts andersom, zie ik mensen het spoor bijster raken. En dan zijn we nog niet eens ingewikkeld aan het doen. Vrij ingewikkeld is de opdracht armen in wisselslagvolgorde en benen in omgekeerde wisselslagvolgorde. Iedereen van de vaste groep weet wat de nieuwelingen meemaken en met z’n allen spijkeren we de nieuwkomers zo snel mogelijk bij. Ze vliegen vooruit.

Soms wat te letterlijk. Ter afsluiting van de training doen we, ter ontspanning, een blokje onderwaterzwemmen. We bouwen langzaam op naar één baan borstcrawl benen-met-flippers onder water. Er wordt uitgelegd dat je de uitvoering vergemakkelijkt door weinig zuurstof mee te nemen en niet naar de overkant te kijken. Anders besef je hoe lang het nog duurt voor je weer mag ademen. Ik zie de nieuwelingen mensen denken dat deze wijze raadgevingen de overlevingskansen juist minimaliseren. Tegen alle adviezen in worden longen gevuld met liters zuurstof. Hersenen draaien op volle toeren om te bedenken hoe lang 25 meter wel niet is.

Teveel lucht meenemen en teveel denken is niet handig, maar niet fataal. De grootste fout die je kunt maken in een hypoxietraining is te hard zwemmen. Dat vreet energie, dus zuurstof.

We starten de hypoxietraining. Ik bijt het spits af en zwem m'n onderwaterbaantje. Wanneer ik aantik hoor ik een aanzwellend geruis op me afkomen. Het geluid komt van achteren en wordt gedempt door het water. Wanneer ik omkijk zie ik twee brede bellenbanen naar het wateroppervlak opstijgen. Ik steek m'n hoofd onder water om te kijken wat er aan de hand is. Het geraas blijkt veroorzaakt te worden door twee nieuwelingen die als menselijke torpedo’s op de muur komen aanzwemmen in een ultieme poging hun eerste volledige baan onder water te halen. De snelheid is enorm, de vastberadenheid indrukwekkend, de zelfdestructie compleet.

Bonfire
’s Middags geeft Rob Barel een looptraining. Onderwerp van deze training is loopscholing, onder andere gericht op het vergroten van de paslengte. De eenvoudigere en bekende oefeningen kan ik redelijk uitvoeren. Ik win aan zelfvertrouwen en durf het op een gegeven moment zelfs aan om het voortouw te nemen en de oefeningen als eerste te demonstreren. Wat ben ik toch een coördinatief gezegend atleet, bedenk ik me. Drie minuten later schakelt Rob door de wat moeilijkere oefeningen. Hij doet ze haast achteloos voor. Wij dienen daarna zijn voorbeeld te volgen. Ik voel dat m’n coördinatieve vaardigheden zich nu op glad ijs gaan begeven en laat me listig afzakken tot in de buik van de groep. In de hoop m’n onhandigheid wat te maskeren.

Tevergeefs. Wanneer we met een pendeloefening bezig zijn hoor ik de naam Bonfire over de lippen van de triathlonnestor rollen. Ik voel me aangesproken. ’t Is me duidelijk dat ik op dit soort vaardigheden nog flink wat progressie kan boeken.

De verloren portemonnee - deel één
Zaterdag staan vier trainingen op het programma. Drie van de vier trainingen worden door gasttrainers gegeven. Herman Vrijhof (mijn eigen looptrainer) verzorgt de looptraining. Rob Barel geeft een mountainbiketraining en Erik Landa een zwemtraining. De eerste zwemtraining doet George Sieverding. Dat belooft dus een heel mooi dagje te worden. Ik verheug me met name op de mountainbiketraining van Rob.

Daarvoor heb je een fiets nodig. Die staan gestald in het hotel, in een ruimte vlak naast de ingang. Niet slim, vind ik. Dat is vragen om moeilijkheden qua diefstal en joyriding en zo. Uit diefstalpreventieve overwegingen stal ik mijn ATB in m’n auto. Vastgeketend aan een onverwoestbaar slot. Het type slot waarmee je zelfs in Amsterdam op safe speelt. De auto zelf is ook nog eens hermetisch afgesloten. Kortom: wie doet me wat.

Een kwartier voor aanvang van de training kleed ik me om en ga m'n fiets pakken. Ik loop naar de auto, open de kofferbak, en zie m'n fiets staan. Klaar om bereden te worden. Piekfijn afgesteld en veilig aan de ketting. Even van het slot halen, en rijden. De sleutel zit in m’n portemonnee. Die heb ik niet bij me. Ik loop terug naar de kamer en kijk in m’n meest voordehandliggende tas. Geen portemonnee. Om geen twijfel te houden keer ik de tas om en fouilleer hem grondig. Zonder resultaat. De tweede en derde tas ondergaan dezelfde behandeling, maar de portemonnee blijft spoorloos. Vanuit het raam zie ik iedereen rondjes rijden op de parkeerplaats. Op hun achteloos neergezette fietsen. Jongensjongens, dat werkt op m'n zenuwen. Ik begin me serieus zorgen te maken en loop dezelfde route naar de auto, koortsachtig speurend naar m'n portemonnee. Een speurtocht van een vol uur blijkt nutteloos. Dag mountainbiketraining. Wat ik allemaal heb gemist? Het afrijden van trappetjes, springen over balken, dalen met blokkerend achterwiel, en het nemen van bochten met slippende wielen. Kortom, het betere Jackass-werk. De reservesleutel haal ik zondag thuis in Nederland op, waarna ik eindelijk m'n mountainbike kan bevrijden.

De Tim DeBoom demonstratie
Op maandagochtend staat er een circuittraining in de zaal op het menu. In een gymzaal wordt een traject van zeven onderdelen uitgezet. Er liggen matten met medicinballen, er staat een bank met kort daarachter een kast, er is een sumo-worstelmat, een complete verzameling springtouwen en meer van dat soort accessoires. Aangezien dit voor ons de eerste zaaltraining wordt, dient eerst duidelijk gemaakt te worden wat van ons wordt verwacht qua fysieke inspanning bij de verschillende stations.

Tim DeBoom (niet de echte, maar een naamgenoot) krijgt de eer ons de correcte uitvoering van de onderdelen te mogen demonstreren. Dat werkt als volgt. Bij elk toestel geeft de heer Sieverding een mondelinge uitleg. Het is vervolgens de bedoeling dat Tim hij deze uitleg vertaalt in lichamelijke bewegingen om ons zodoende de oefening te demonstreren. Dat resulteert bij station 7 in de volgende situatie. Sieverding: je gaat naast die bank staan. (Tim gaat naast de bank staan). Sieverding: goed zo, en nu een kwartslag draaien. (Tim draait een kwartslag). Sieverding: ik bedoelde een kwartslag de andere kant op, anders stap je er zo meteen naast. (Tim draait zich 180 graden om en kijkt wat onzeker om zich heen, niet helemaal klaar voor de volgende opdracht). Sieverding: nu zet je je buitenste been op de bank. (Tim beweegt z’n buitenste been achter z’n standbeen langs, probeert z’n buitenbeen op de bank te plaatsen en haakt zichzelf bijna tijdens deze ingewikkelde manoeuvre). Sieverding: het is misschien handiger als de dat buitenste been voorlangs brengt. (Tim kijkt niet-begrijpend om zich heen en probeert nog wat andere varianten). Sieverding: je gaat naast die bank staan en je stapt op dat bankje met je buitenste been. (Tim doet uiteindelijk wat van hem verlangd wordt en kijkt triomfantelijk om zich heen). Sieverding: Nu stap je aan de aan de andere kant van de bank weer af. (Tim springt met twee benen van de bank af). George: ik zei afSTAPPEN, niet afSPRINGEN. (Tim gaat naast op de bank staan en doet voor ’t eerst de oefening in z’n geheel goed). Sieverding: en deze oefening doe je dan straks vier minuten lang achter elkaar. Lijkt me niet zo moeilijk, he Tim?

De verloren portemonnee - deel twee
Dinsdagmiddag hebben we vrij en gaan we met de groep een terrasje pakken in Mechelen. Daar vinden we een portemonnee. Het is al laat en we worden verwacht voor de volgende training, dus we nemen 'm mee. Afgeven bij de politie kan altijd nog. Terug in het hotel onderwerpen we tijdens het diner de portemonnee aan een grondige inspectie. In eerste instantie willen we achterhalen wie de rechtmatige eigenaar is. Geen rijbewijs of andere pasjes-met-naam, maar wel een foto, waarop een olijk uit haar ogen kijkende Belgische schone. Hoe verder het onderzoek vordert, hoe groter onze interesse in de eigenaresse. We zetten de puzzelstukjes op een rij. Intrigerend is het uitleenbriefje van de bibliotheek. Daaruit blijkt de literatuur- en muziekkeuze van onze Belgische. De titels laten aan duidelijkheid niets te wensen over. Deze dame onderzoekt de vleselijke geneugten van het leven. In de catacomben van de portemonnee vinden we hiervan nog concretere aanwijzingen. Deze meid is op een prettige avond voorbereid.

Hoogtepunt is de vondst van een stukgelezen papiertje in een vergeten zijvakje. Daarop staan handgeschreven, onnavolgbare zinnenprikkelende regels die bol staan van de alliteraties en vreemd aandoende klankcombinaties. Op het briefje staan tevens plastisch omschreven aanwijzingen betreffende tongvoering en liptuiting om de teksten vloeiend te kunnen uitspreken. Dit lijken wel coördinatieve oefeningen voor de mondsector. We denken eerst te maken te hebben met een beginnend dichteres, tot een heldere geest opmerkt dat deze woordencombinaties en uitspraakaanwijzigingen erg veel weg hebben van een logopedieles. We speculeren erop los. Hebben we te maken met een studente logopedie? Of heeft ze zelf een spraakstoornis en is dit haar oefenstof? Alles bij elkaar zijn we wel even zoet met het ontleden van de inhoud van de portemonnee. Sieverding kondigt ten slotte aan dat de zwemtraining, die na het eten gepland staat, met een kwartier uitgesteld zal worden om de zaak van de portemonnee te kunnen afhandelen. Dit heeft hij in vierjarige periode nog nooit gedaan.

De Belgische heeft haar portemonnee trouwens weer terug. Door de eerlijke vinder persoonlijk terugbezorgd.

woensdag 18 augustus 2010

Goud van Oud: Energie goes USA - deel 2

Week 2 (schrijver: Bert Flier)

Maandag
We willen vandaag naar een groot pretpark gaan zonder schuldgevoel over te weinig trainen. Daarom beginnen we ’s ochtends vroeg. Om 5.30 opstaan, eten, en 10 km lopen naar het zwembad. Bij het zwembad hebben we 1.15 uur de tijd om 4 km te zwemmen. Dat wordt dus rammen. We delen de training in in 4x1000m progressief, variërend van 15 blank tot 13.57. [Wat een discipline en trainingsijver, ik sta er 15 jaar later van te blozen]. Uit het zwembad lopen we weer 10 km naar huis. Volgens het schema moet het laatste half uur hard worden gelopen; de kilometers gaan van 3.50 naar 3.30. Op de heen- en terugweg knijpen we 'm wanneer we langs het erf van een white trash familie lopen. Een schrikwekkende hellehond stormt op ons af. Hij zit aan de ketting, maar hij stormt op ons af alsof hij van geen ketting weet. Het beest wurgt zichzelf bijna. Had de ketting gebroken, dan waren we er geweest.

Om kwart over negen zijn we klaar met de trainingen van vandaag. Op de heenweg naar Cedar Point ontbijten we dat het een lieve lust heeft. Opdat we onderweg niet ter aarde storten. Nadat Arco nog wat toiletten in het etablissement heeft bevuild, kunnen we naar Cedar Point gaan.

Cedar Point ligt op een schiereiland en is Amerikaans groot. Waar de Efteling één schamele achtbaan heeft, heeft Cedar Point er veertien, de een nog groter en vreeswekkender dan de ander. Vandaag schijnen de wachtrijen niet lang te zijn, alhoewel ik dik een uur wachten voor een ritje van tweeënhalve minuut wel wat aan de lange kant vind. Als echte Hollanders willen we zo veel mogelijk waar voor ons geld. We lopen dus PR’s om zo snel mogelijk van de ene naar de andere attractie te komen. Een van de mooiste attracties is de wet ride. Op weg naar boven, wanneer het water onderin de nepboomstam klotst, probeert iedereen krampachtig de voeten droog te houden, om er in de afdaling achter te komen dat de complete boomstam inclusief menselijke inhoud door een metershoge vloedgolf wordt overspoeld. Zeik- en zeiknat wandelen we even later door het park. We maken er een lekker lang dagje van, maar na 10 uur pretparken zijn zelfs wij het zat. Van die 10 uur zijn we netto een half uur in de attracties geweest, de rest breng je door met wachten. Amerika, land van de short kick.

Dinsdag
Vandaag hebben we een behoorlijk zware dag. ’s Ochtends staat er 80 km fietsen op het programma, niet te hard. ’s Middags gaan we eten in Oberlin. We hebben daar een supertent gevonden: all you can eat voor het schamele bedrag van 4 dollar. En gratis refills. We zijn van plan ze helemaal failliet te gaan eten.

Arco, die behoorlijk dorstig is van al dat gefiets van vanochtend, vult direkt bij binnenkomst een literglas Mountain Dew. Die toverdrank kennen we niet in Nederland, maar ik kan verklappen dat daar drie keer zo veel cafeïne en acht keer zo veel giftstoffen in zit als in Coca Cola. Binnen een minuut klokt hij zijn kelk leeg, schept vervolgens zijn bord vol met een kop van heb-ik-jou-daar, en doet vervolgens een refill van nog een liter Mountain Dew. Die is in no time ook in zijn keelgat uitgestort.

Kort daarna krijgt Arco geweldige buikpijn. Onderweg naar huis krepeert hij van de pijn. Bloedserieus vertelt hij: ‘ik denk dat ik een maagzweer heb’. Wij denken dat het door wat anders komt.

Aan het eind van de middag, wanneer de maaltijd een beetje verteerd is, zwemmen we drie kilometer los in het zwembad. Daarna start er een intervaltraining op de indoorbaan op het schema. Wanneer we ons aan het inlopen zijn, voltrekt zich een scène uit een film. Vanuit de diverse ingangen stromen tientallen cheerleaders de hal binnen, in leeftijd variërend van 16 tot 20 jaar. Het zijn er zoveel, dat het gehele middenterrein, zes tennisbanen groot, geheel in beslag wordt genomen door de dames, de een nog fruitiger dan de ander.

Arco in het bijzonder voelt zich als een leeuw temidden van een kudde zebra’s. Het schuim staat bijkans op zijn lippen. Al tijdens het inlopen begint zijn hartslagmeter te piepen van jewelste. Geïnspireerd door de kunsten die de cheerleaders op het middenterrein demonstreren, starten we ons baanprogramma bijzonder voortvarend. We bulken van de motivatie. Dit is andere koek dan tempoblokken draaien op het gloeiend hete asfalt van highway 511.

Arco, waarvan we niet kunnen zeggen dat hij is overgoten met looptalent, zet tijden neer waar Ben Johnson een punt aan kan zuigen. Ook wij lopen tijden die op de Olympische Spelen finaleplaatsen zouden opleveren.

Een paar setjes later is het over met de pret. De hal blijkt speciaal te zijn afgehuurd voor de cheerleader-activiteiten. Tot onze teleurstelling wordt ons vriendelijk verzocht de hal te verlaten. Wij mogen buiten spelen, in de bloedhitte, terwijl de dames binnen, airconditioned en wel, hun kunsten perfectioneren.

Diep bedroefd verleggen we ons werkterrein naar het tartan buiten. Tijdens onze 400-meter setjes zien we zowaar een Harry Heeke-look-a-like. Het contrast met de cheerleaders binnen kan niet groter zijn. Maar ja, je wilt toch weten of hij misschien verre familie is van de roemruchte Barendrechtse Harry, en we knopen een gesprekje aan. Hij blijkt de loopcoach van het college te zijn met een PR van 14.37 op de 5 km. Wanneer hij hoort dat we uit Nederland komen, vertelt hij iedere week aan zijn pupillen de Olympische 800m damesfinale van Ellen van Langen te zien en te zweren bij het boek van Peter Janssen: Melkzuur, hartslag, en training. Volgens ons kan hij zijn groep beter wekelijks indoor tegelijkertijd met de cheerleaders op de indoorbaan laten trainen. Wij zouden het wel weten. Daar kan geen hartslagmeter tegenop.

Woensdag
Er dient vandaag een duurloop van 30 km afgewerkt te worden, waarbij de temperatuur boven de 40 graden zal uitkomen. Daarom zetten we op het 9 km-punt een 10-liter jerry can met water neer, gekoeld door 20 king size ijsblokken en een stuk of wat diepgevroren vrieselementen. Op de heenweg maak ik een vreselijk avontuur mee wanneer een Duitse herder, maat paard, vanaf een erf op me af komt stormen. Ik blijf stokstijf staan en zie m’n hartslag acuut in de verzuring schieten. Ik zoek verwoed in het Woudloperszakboekgedeelte van m’n geheugen of je in dergelijke situaties de hond in de ogen moet kijken of juist niet. Ik gok op het laatste, en fixeer mijn ogen op die van het monster. Dat blijft plots staan, trekt z’n gele tanden bloot, en begint me diep grommend te besluipen. Ik blijf hem recht aankijken, en draai mee wanneer hij naar mijn flank probeert te draaien. Op het moment dat ik denk ‘dit moet niet lang meer duren’, komt er een vrouw van het erf afrennen. Ze grijpt de hond in z’n nekvel en kijkt me bezorgd aan. ‘Did he bite you?’ vraagt ze. ‘No’, zeg ik, een beetje wit wegtrekkend. ‘You are the first’, zegt ze, terwijl ze het kreng weer terug het erf opsleept.

Het duurt kilometers voor het rubberen gevoel in de benen is verdwenen. Onderweg drink ik bijna vier bidons, wat nog te weinig is vanwege de bloedhitte. Ik loop een heen-en-weer-parcours en ben als de dood wanneer ik weer langs de boerderij met de hond moet. Deze keer zit het mormel gelukkig achter slot en grendel.

’s Middags gaan we 40 km losfietsen. Wanneer we bijna thuis zijn breekt er een noodweer los. De temperatuur zakt 15 graden en tussen de regendruppels zit nog wat hagel. Kop over kop fietsen we naar huis op een tempo wat allang geen losrijden meer genoemd kan worden. Onweer hier is wat anders dan in Nederland. Links en rechts slaan de bliksemflitsen in. De andere dag blijken we allemaal kou gevat te hebben. Om de drie trainingen vol te maken, zwemmen we aan het eind van de middag nog een uurtje in het superbad in Oberlin.

Donderdag
In de ochtend gaan Jerry en ik 70 km losfietsen over heerlijk glooiende wegen. Ard moet vandaag werken en Arco gaat de looptraining van gisteren inhalen. Hij presteert het om 2½ uur te lopen op één bidon water. We meten de temperatuur: in de volle zon, op het asfalt, is het 45 graden. Tot onze verbazing is Arco nog bij kennis wanneer hij terugkomt, en kan hij zelfs samenhangende zinnen produceren.
’s Middags bestijgen Jerry en ik onze rossen nogmaals. Nu voor een 55 km temporit, die we in 35 km/uur afraffelen in de heuvels. Wanneer Ard thuis is plonzen we nog even het zwembad in, waarmee we deze soort van rustdag afsluiten.

Vrijdag
Vandaag is het koud. De temperatuur komt niet boven de 30 graden, en er staat een strakke wind. Vandaag gaan we maar weer eens een stuk fietsen. 120 km, waarvan de eerste helft vals plat en wind tegen. Dat schiet dus niet op. We drinken alsof we in de Sahara zitten, en binnen de kortste keren zitten we alle vier met aandrang. Na 30 km lassen we een plaspauze in. Als de vier Daltons stellen we ons op in een greppel langs de weg. Een beetje uit het zicht, maar niet helemaal. Terwijl we de laatste druppels afslaan, rijdt er een auto langs. De bestuurder mindert vaart, draait het raampje open, en roept dat we in overtreding zijn. En of we zo snel mogelijk op willen rotten, en dat de sheriff op ons af gestuurd gaat worden.

Wij zijn ons van geen kwaad bewust en hebben geen idee waar we in deze desolate omgeving anders onze blazen kunnen legen. Even later worden we bijgehaald door een politiewagen. Achter het stuur zit een erg boze sheriff. Hij zegt dat hij ons hier nooit meer wilt zien en of we zo snel mogelijk uit zijn county willen rijden. Onder politiebegeleiding rijden we door het dorpje waar de sheriff de scepter zwaait. We wanen ons in een Dukes of Hazard episode. De sheriff laat ons pas met rust wanneer we over de grens van zijn territorium zijn. Zwaar teleurgesteld in de plasvrijheid van Amerika rijden we verder. We hebben inmiddels al weer aandrang. De volgende plasstop bereiden we voor als ware het een militaire undercover-operatie.

Gelukkig verloopt de twee helft een stuk voorspoediger. De wind staat in de rug, we hebben het vals plat mee, en er rijden geen sheriffs op ons achterwiel. De teller komt amper onder de 40, zodat we een beetje het Tour-gevoel krijgen. Thuis kunnen we een gemiddelde van 34 bijschrijven in de annalen. ’s Avonds gaan we weer naar het supersonische zwembad in Oberlin voor 5 km zwemmen. De kern bestaat uit 5x400 en 10x200. Ik zwem op het laatste 400tje zowaar een PR en kan daarna nog een setje strakke tijden op de 200 op de klokken zetten. Misschien wordt het nog wel eens wat met dat zwemmen.

Zaterdag
Vanochtend rijden we om 7 uur weg voor een 200 km. We houden het simpel: 100 km heen, draaien, en 100 km terug. De eerste 50 km kennen we. Vals plat tegen richting Ashland, dwars door de akkervelden. De zwakke wind staat tegen. Niet echt inspirerend, het lijkt hier wel erg veel op de Hoeksche Waard. Na Ashland begint de weg steeds meer te golven en wordt de omgeving bosrijker. Er rijden hier weinig auto’s, het is heerlijk rustig en de zon begint steeds meer kracht te krijgen. Ons humeur stijgt met de kilometer, want zo veel zin hadden we niet vanochtend. Je zou het zelfs tegenzin kunnen noemen.

Na 70 km houdt de 511, waar ook ons huis aan staat, eindelijk op. We rijden een soort Duits/Luxemburgs landschap binnen, onwaarschijnlijk groen en heuvelachtig. We passeren tot de verbeelding sprekende plaatsjes. Zoals Widowville. Er zitten kogelgaten in het plaatsnaambordje. Aan mijn geestesoog zie ik de hoofdstraat van Widowville voor me, honderd jaar geleden. De gehele gemeenschap is daar verzameld. Twee cowboys, met getrokken pistool, lopen langzaam van elkaar weg, de ruggen naar elkaar toe. Na twintig passen keren ze zich bliksemsnel om om elkaar kapot te schieten, hun vrouwen eenzaam achterlatend.

Na Widowville wordt het landschap steeds heuvelachtiger. Bergen kan je het nog niet noemen, maar we moeten af en toe uit het zadel om de klimmetjes, anderhalf tot twee kilometer lang tot maximaal 10%, op te rijden. We zijn inmiddels Amish country binnengereden. Op een bekllimming haal ik een paard en wagen in. De twee Amish kinderen achterin de huifkar moedigen me uitbundig aan, de man op de bok knikt me vriendelijk toe. Ze blijken gastvrij, want je kunt zonder afspraak hun huizen bekijken om te zien hoe de Amish leven. Dat doen we overigens niet. Wij zijn hier om te fietsen, en we zouden wel erg detoneren in onze wielerkleding met de outfit van de Amish.

Na 100 km stoppen we bij een benzinestation. We zijn nog steeds erg voorzichtig met onze sanitaire stops en kunnen ons geluk niet op wanneer we een kraakhelder toilet aantreffen. Lekker een plek waar we zonder kans op bekeuringen of arrestaties kunnen bevallen. Per persoon anderhalve kilo lichter beginnen we aan de terugweg.

Met nog 50 km voor de wielen rijdt Jerry lek. Ik heb de onvolprezen Zefal-pomp bij me en biedt aan het pompwerk voor mijn rekening te nemen. Ik pomp net zo lang tot ik in de verzuring schiet. Jerry’s band is zo hard als een tuinslang.

Nog geen 200 meter verder klinkt er een gigantische knal. Jerry’s binnenband heeft het begeven. Te hard opgepompt. Zelfs de buitenband is gescheurd. We verzinnen een oplossing door een dollarbiljet onder de scheur te frommelen voordat we de band weer oppompen. Wat zijn we toch een McGyvers. Het laatste stuk hebben we vals plat en wind mee, dus die gaan als een speer. Aan het eind van de middag lopen we nog een half uur. Om het af te leren. Wanneer ’s avonds de trainingsuren worden opgeteld, blijk ik een kwartier te weinig te hebben getraind om de dertig-uursgrens doorbroken te hebben. De totalen voor deze week: 595 km fietsen, 68 km lopen en 16 km zwemmen.

Het laatste gedeelte van het verslag is zoek. Bij deze beloof ik plechtig de archieven van Energie te zullen naspitten, want de vooraankondiging aan het eind van dit gedeelte meldt:
- Gerard die supergoedkoop wielen aanschaft,
- Het nieuwe driedelig kostuum van Bert,
- Arco scheert zijn benen, en nog wat meer dan dat,
- Een kapotte autoruit,
- Ard die het zat is

Wordt vervolgd

dinsdag 10 augustus 2010

Goud van oud: Energie goes USA - deel 1

Een verhaal uit de oude doos. Het verslag van een trainingsstage met m'n broer en clubgenoten van TV Energie in voorbereiding op Almere. We schrijven 1995, Oberlin, Ohio. Wat waren we jong en onbevangen. Wat trainden we veel en hard. En soms ook best wel dom. En wat hadden we een plezier, en wat beleefden we een avonturen.

Ter introduktie de personages.

Arco Meijer. Onbekende triatleet. Dat is onterecht, zoals uit het verslag zal blijken.
Gerard Pruijt. Net zo onbekend als Arco. Heeft, door zijn finish in Almere 1995, zich life-long bragging rights verworven. Zoals iedere Ironman finisher.
Ard Flier. Broer van. Meer talent. Gisteren nog mee gefietst, en dat kan-ie nog steeds.

Energie goes USA

Week 1 (schrijver: Arco Meijer)

Op dinsdagmorgen 11 juli is het dan eindelijk zover. Een Energie-delegatie bestaande uit Bert Flier, Gerard Pruijt (alias Jerry Kuit), Ard Flier en Arco Meijer vertrekt voor een trainingskamp naar Amerika. Dit trainingskamp is in de eerste plaats bedoeld als voorbereiding op de hele triathlon van Almere. Het trainingskamp zou van 11 juli tot 5 augustus gaan duren. Ard was ons in verband met werkzaamheden als een paar dagen eerder voorgegaan en de rest waagt dus op dinsdagmorgen de grote oversteek.

Bepakt en bezakt worden wij, samen met onze fietsen, door onze vriendelijke vrind en toegewijd postbode Jan Rijken op Schiphol afgeleverd. Aangezien de financiële positie van sommige van de delegatie-leden weinig te wensen overlaat hadden wij onze reis geboekt bij Biman Bangladesh Airways, die helaas geen garanties wenst te verstrekken op een veilige overtocht.

Het eerste gedeelte van de reis, van Amsterdam naar New York, verloopt, afgezien van de diarree verwekkende hot curry chicken, voorspoedig. Totdat het moment gekomen is dat wij, geduldig als altijd, aan de bagageband op onze koffers en fietsen staan te wachten. Nadat de koffers al een half uur in ons bezit zijn, begrijpen we wat er fout moet zijn gegaan met de oversteek van de door ons zeer geliefde fietsen.

Na aangifte van de vermissing te hebben gedaan, besluiten we eerst maar wat te gaan eten. In het restaurant aangekomen worden we geholpen door de vrouwelijke uitgave van Mr. Ed (the speaking horse). Afgezien van de lucht hebben we toch wel aardig gegeten.

We vervolgen onze reis en om ongeveer elf uur ’s avonds komen we aan op Cleveland, Ohio. Om ongeveer 1 uur liggen we eindelijk, op de plaats van bestemming, en dat is Oberlin, in ons bedje.

De volgende ochtend komen we pas laat uit bed. Op het moment dat Arco uit het raam kijkt is hij toch wel wat onder de indruk. Van de achtertuin. Die bestaat namelijk uit ongeveer zes voetbalvelden, een bos en een privé-meer.

Omdat onze fietsen nog niet gearriveerd zijn besluiten we om maar wat te gaan zwemmen in ons privé-meer. Bert heeft al een paar keer heen en weer gezwommen wanneer Arco zijn eerste schreden in het Ballaton-Balalaikameer zet. Na ongeveer 50 meter zwemmen rent hij er echter, een nieuw PR zettend, weer uit.

Want wat is het geval? De vissen die in het meer rondzwemmen blijken bijtende en bloeddorstige monsters te zijn die het hebben voorzien op de kuiten van de Energie-leden uit Nederland. Na dit voorval besluiten we gezamenlijk niet meer in het meer (let op de subtiele woordspeling) te gaan zwemmen en uit te zien naar een zwembad. Een jaar geleden namelijk is Bert, tijdens een vijf kilometer lange duurtraining in hetzelfde meer, bijna doodgeschoten. Door een overbuurman die dacht dat er een zwerfhond aan het badderen was. De buks was al geladen, de vinger al gekromd om de trekker toen hij zag dat hij een triatleet op de korrel had.

Aangezien de temperatuur op dat moment en eigenlijk het hele trainingskamp schrikbarend hoog is (temperaturen tot ver boven de 40 graden) besluiten we tot de avond te wachten voordat we onze eerste looptraining afwerken. Tijdens deze looptraining (een duurloopje van 15 kilometer) maaktArco kennis met een zwerm killer bees. Deze lieftallige beestjes storen hem nogal als hij in verband met een sanitaire stop in het gras neerhurkt. Wanneer Arco thuiskomt is hij ongeveer tien knieschijven rijker. Niet doordat hij radioactief besmet is geraakt van het afvalwater dat in het privé-meertje geloosd blijkt te worden, maar doordat de bijensteken nogal groot uitvallen.

Enkele dagen en ongeveer achtentachtig (88) telefoonnummers later hebben we eindelijk onze fietsen terug. Biman Bangladesh Airways blijkt in Amerika te worden vertegenwoordigd door het al even klantvriendelijke Italian Airways. Overal waar we informeren naar onze fietsen en ons bekend maken als klant van Biman Bangladesh Airways, wordt de telefoon op de haak gegooid, en op het vliegveld van Cleveland worden we met de nek aangekeken zodra we onze Biman Bangladesh Airways tickets tevoorschijn toveren. Het lijkt wel alsof we een besmettelijke ziekte hebben. Uiteindelijk lukt het ons via een KLM-connectie en een Schiphol-medewerker onze fietsen op te sporen. Ze blijken al voor ons aangekomen te zijn, en al die tijd braaf op hun baasje te hebben gewacht in de lege, donkere catacomben van een bagagehal.

Voor de maandag staat er een 180 kilometer op het programma. Medegeus Bert heeft een, naar zijn idee, leuk en makkelijk rondje op de landkaart uitgepijld. Na ’s morgens om zes uur al aan de ontbijttafel gezeten te hebben beklimmen we om zeven uur onze privé snelheidsmonsters. De eerste 80 kilometer zijn redelijk vlak (voor Zwitserse begrippen althans), totdat we terecht komen in een soort van Zwarte Woud. De ene berg van 12 procent was nog niet overbrugd of de volgende diende zich alweer aan. Na cols van meer dan 17 procent alsmede cols van de buitencategorie beginnen we na ongeveer 125 kilometer weer aan de terugreis. Het klimmen is sommigen van ons niet in de koude kleren gaan zitten en er wordt dus besloten om ieder in zijn eigen tempo naar huis terug te rijden. Bert, Ard en Gerard zijn na ongeveer 150 kilometer fout gereden maar hebben tot hun grote opluchting bij thuiskomst toch maar 180 kilometer op de teller staan. De lijdensweg van Arco duurt echter ruim 12 kilometer langer omdat hij wel goed is gereden. Wanneer hij ook eindelijk thuiskomt kan hij dan ook gelijk aan het zuurstof, hartbewaking en het infuus. Onder zijn zuurstofkapje vandaan kan hij nog wel enigszins hoorbaar ‘Bedankt, Bert!’ uitkramen.

Nadat iedereen de volgende dag toch nog ontwaakt, gaan we op zoek naar een zwembad. We hebben van kennissen gehoord dat er in Oberlin op de campus waarschijnlijk wel gezwommen kan worden, dus wij tuigen daarhene. Na eindelijk het bewuste complex gevonden te hebben vallen onze schedels open van verbazing. Wat wij daar aantreffen is met geen pen te beschrijven. Daarom doe ik een poging per computer. Een zwembad van 25 yards met aan de rand Baywatch-achtige dames, tennisbanen, squashbanen, fitnesszalen, basketbalzalen en last but not least een airconditioned 200 meter indoor kunststofatletiekbaan. Met drinkfonteintjes. Wij spreken plechtig af dat wij op deze plek nog vele uurtjes zullen gaan doorbrengen. Buiten is ook nog een 400 meter kunststofbaan alsmede vele, vele hectares aan honkbal- en American football velden, maar het is eigenlijk te heet om daar te gaan lopen.

Wordt vervolgd

dinsdag 25 augustus 2009

Trainingsstage St. Moritz

Augustus 2009 was ik twee weken in St. Moritz op trainingsstage




Hieronder de foto's




Omdat beelden meer zeggen dan woorden








Prototype haarspeldbocht. Ik heb er zoveel gezien, dat ik niet meer weet of deze op de Bernina, de Albula, de Gavia, de Julier, of de Albula-pas ligt. Maakt ook niet uit: elke haarspeldbocht brengt je dichter bij de top. Ik houd van toppen. De top betekent het einde aan het klimmen, en het begin van de afdaling. Klimmen vind ik alleen leuk op die paar zeldzame dagen dat je alles kan. De top geeft voldoening. Meestal althans. Dalen is genieten.









De eerste doorkomst op de Bernina van de Koninginnerit. Jeroen van Dijke en ik hadden een mooi rondje op de kaart gezien: St. Moritz-Bormio-Tirano-St. Moritz. 180 km, 5x door de boomgrens, zo'n 4000 hoogtemeters, 40 graden in het dal en bijna 20 graden op 2300 meter. Deze foto is genomen in de ochtend, toen we nog fris waren en geen idee hadden van het hitte-inferno dat ons tijdens de laatste beklimming van de dag, wederom de Bernina-pas, te wachten stond: 43 graden onderaan de klim, 35 km klimmen te gaan, waarvan de eerste 3 km tegen 10% met een fohnwind in de rug. Hawaii is er koel bij.



De tweede klim naar de Bernina, ergens na halverwege. We staken onze dampende hoofden onder elke dorpspomp die binnen ons gezichtsveld kwam. Om te overleven.


Het was niet alleen afzien. Even een blik opzij tijdens het klimmen, en dit is wat je ziet. Geeft genoeg energie voor de volgende klimkilometers.


Dit is een doorkijkje ergens net over de helft van de Albula-pas vanuit Tiefencastel. Een plaatje geknipt uit het fotoboek van de Sound of Music.


Geen idee welke beklimming dit was, maar ik lijk het hier naar m'n zin te hebben.

Want het het is o-zo-fijn / triatleet te zijn

Vlak rijden op hoogte: een waar genot. Op de hoogvlakte die zich tussen Majola en Zernez uitstrekt, kan je point-to-point 50 km nagenoeg vlak rijden. Heen wind mee, terug wind tegen. Vind ik lekker. Ik blijf ten slotte Nederlander. Weer eens wat anders dan omhoog tegen de zoveelste +2200-meter-pas op.


Het hoogste punt van de trainingsstage: de Gavia. 2652 meter hoog, en een klim die ik iedereen afraad. Waarom? Zoek op Youtube op Gavia 1988, en je begrijpt me. Op de dag dat Jeroen en ik 'm opreden, was het weer fantastisch. Een paar honderd meter staand klimmen een kilometer onder de top deed me parkeren. Zittend op het bankje om het bewijs vast te leggen dat ik de Gavia heb beklommen, hangt m'n tong nog buitenboord.

O ja, voor de Gavia pakten we de Mortirolo mee, a.k.a. de Passo della Foppa, of, op z'n Rotterdams, de Motorola. Als je toch in de buurt bent, is het zonde om deze roemruchte Giro-klim, met stukken van 20%, te laten liggen. De afdaling richting de Gavia is trouwens erg lekker. Zo lekker, dat Jeroen in een haarspeldbocht iets te vroeg begon te trappen. Zijn pedaal raakte het asfalt, ik meende vonken te zien rondvliegen, maar Jeroen bleef overeind.

zondag 6 juli 2008

De Tiroler episodes

Lermoos-Imst-Nauders-Morter-Meran-Eppan. Het zijn de zes plaatsjes in de Tiroler Alpen die ik de afgelopen week per mountainbike heb aangedaan. Zes plaatsjes, dat zijn vijf etappes. In een regelmatig ritme af te leggen. Elke ochtend start een peloton van een mannetje of zestig tussen 9 en 10 vanaf het dorpsplein van de plaats in kwestie, om een kilometer of zestig, zeventig later weer op het dorpsplein van het volgende plaatsje te arriveren. Ik rijd samen met Ronald Boers en Vincent van Os. Als primaire opdracht geven we onszelf mee, als het even kan, in dezelfde fysieke toestand als bij de start. Iets vermoeider wellicht, maar wel zonder kleerscheuren. Die loop je hier namelijk snel op.


Er wordt in deze regionen gewerkt met stijgingspercentages waar je stijl van achterover valt. Letterlijk. Stroken van meer dan 30% (dit is geen verschrijving: meer dan dertig procent) kom ik elke dag tegen. Zowel bergop als bergaf. Bergop zijn dergelijke percentages lastig omdat het grote moeite kost om, ten eerste, het voorwiel aan de grond te houden, en ten tweede, voldoende snelheid te genereren om niet om te vallen. Ik heb wijselijk geen kilometerteller gemonteerd, want ik frustreer me wanneer je zo langzaam rijdt dat de cijfers achter de komma gaan tellen. Snelheden van 3 tot 4 kilometer per uur zijn geen uitzondering, en dan maakt 3,0 of 3,9 algauw krap 25% snelheidsverschil uit. In het uiterste geval dien je af te stappen en jezelf met fiets omhoog te duwen. 'Schieben' noemt men dat hier. Ik haat het. Een mountainbike is om te fietsen, niet om te duwen.

De frustraties van het klimmen worden gelukkig ruimschoots vergoed met het genot dat de afdalingen schenken. Bergaf hebben we, uiteraard, dezelfde percentages te overwinnen als bergop. Meermaals heb ik, met de buik op het zadel en de kont ver naar achter gestoken, een soepele serpentine getrokken over een steil, met stenen bezaaid bergpaadje. Tot mijn grote vreugde kan ik vermelden dat ik daarbij niet één keer gevallen ben, en dat terwijl ik de gewoonte heb mezelf bij praktisch elke mountainbiketraining in Nederland zover te pushen dat ik tenminste één keer val. Zelfbeheersing is een groot goed.


Het begint allemaal in Lermoos, een klein Oostenrijks stadje net over de grens van Duitsland. Omdat ik inschat de etappe van 60 kilometer van vandaag in drie uurtjes af te raggen, start ik de dag met een looptraining. Net nadat ik terug ben in het hotel begint het te regenen. We dralen een tijdje voordat we wegrijden, want starten in de regen is geen hobby van me. Voor de zekerheid sjouw ik een rugzak mee, waarin ik kleding heb voor als het echt Donnergewitter wordt. Naast mijn eigen spullen draag ik ook die van Ronald mee, in de hoop de rugzak later in de etappe aan hem over te kunnen doen. (Die hoop bleek trouwens ijdel. Ronald vond het een uitstekend idee dat ik een paar kilo extra meezeulde. Ik heb me in mijn lot geschikt, omdat hij toch telkens later boven was dan ik. Dat weegt veel zwaarder dan een rugzak.) Hieronder ziet u de heer Boers klimmen, zonder rugzak uiteraard.




Het meest moeilijke stuk in deze etappe is een onbeleefd steile beklimming van zo'n dertig procent, waarbij ik bocht na bocht de hoop zie vervliegen dat de klim afvlakt. In totaal heb ik zo'n twee kilometer moeten schieben, maar de beloning is magistraal. We kunnen onze verhitte hoofden koelen in een snelstromend ijskoud beekje, en - na nog eens 10 kilometer klimmen aan vijftien tot twintig procent - de zintuigen laten genieten van een razend snelle en erg lange afdaling. Uiteindelijk blijk ik vierenhalf uur op de fiets gezeten te hebben: het gemiddelde bedraagt 12,5 km/u. En dan was ik nog als eerste binnen ook. Fietsen in de Alpen is van een geheel andere dimensie.



Datum
29. Juni bis 05. Juli 2008
Startort
Lermoos
Etappenorte
Imst, Nauders, Morter, Meran
Zielort
Eppan bei Bozen

maandag 17 juli 2006

Ademnood in Font Romeu

En daar zit je dan, in het Lycée Climatique et sportif in Font Romeu in de Franse Pyreneeën. Samen met Roeland Smits ben ik donderdag 14 augustus vertrokken, me verheugend op het ritme van trainen, eten, slapen en de effecten van langdurig verblijf op hoogte. Mijn Nissan Almera, ook wel De Blauwe Schicht genoemd, heeft ons prima door Duitsland en Frankrijk geloodst, waarbij we onderweg overnachten in een Formule 1-hotel. Dat is heel goedkoop (15 euro pppn), maar heel klein en minimalistisch. De kamer meet vier bij drie meter (is een ruime schatting), heeft een wasbak, een twijfelaar en daarboven nog een soort hoogslaper, een TV’tje en dat is het. Douchen en toiletteren kan op de gang.

Ik bedenk me dat het niet ideaal zou zijn drie weken in een zodanige kamer door te moeten brengen. Tot ik m’n kamer in Font Romeu aanschouw. Mijn verblijf hier meet 1m80 bij 3m40 en biedt net voldoende ruimte voor een (te kort en smal) bed, tafeltje en stoel, wastafel en douchecabine zonder gordijn. Ik denk dat een Nederlandse gevangeniscel meer comfort biedt.




Toiletteren moet op de gang, maar gebeurt naar verluid des nachts ook wel in de wastafel - door het mannelijk deel der aanwezigen althans. Het gevangenisachtige idee wordt versterkt door het ijzeren ritme dat hier gehandhaaft wordt: ontbijten tussen 7.15 en 8.30, lunchen tussen 12.00 en 12.45, dineren tussen 19.00 en 19.45. Aan deze tijden wordt niet getornd en maakt dat je hier automatisch in een strak ritme leeft. De TV- en internetfaciliteiten zijn ook minimaal, dus je ligt meestal al voor tienen op bed.

Zo minimalistisch en sober als het gebouw en de kamer is, zo overdadig zijn de trainingsfaciliteiten. Vanuit m’n raam kijk ik op de 400 meter tartanbaan, er zijn een overdekt 50 meter bad en een 25 meter bad, krachthonken, gymzalen, een kunstschaatshal en ikweetwatnietmeer.

In de omgeving is het prachtig, maar zwaar, fietsen. Ik zal niet proberen om te beschrijven hoe groen de bergen hier zijn, hoe blauw de lucht, hoe helder de sterren hier ’s nachts schijnen, hoe fris het water is dat door de beekjes klatert, hoe de bemoste grond eruit ziet wanneer de zon haar stralen laat filteren door het bladerdek in de omringende bossen, en op hoedanige wijze de looppaadjes je bocht naar bocht verwennen met weer een prachtig uitzicht. Kijk maar naar de foto en bedenk daarbij dat het in het echt nog veel en veel mooier is.



Ik ben niet de enige die zich naar Font Romeu heeft begeven om zichzelf te verbeteren. Een veelheid aan atleten heeft hier het kampement opgeslagen. Zo neem ik waar: worstelaars (mannen en vrouwen, van wie sommige vrouwen dikkere biceps hebben dan menig mannelijk worstelaar), zwemmers en zwemsters (de heersende mode hier is het badpak zo hoog mogelijk op te trekken tussen de billen; wie heeft dat verzonnen?), snelwandelaars (die zichzelf verloochenen: in- en uitlopen doen ze hardlopend), kunstschaatssters (die een wervelende show in het aanliggende Patinoire geven en me doen beseffen dat triatlon als kijksport toch het één en ander tekort schiet), schaatssters (-sters, want schaatsenrijdende heren heb ik niet ontdekt - deze dames hebben bovenbenen als zuigerstangen en kunnen daarmee een spreidstand aan: voorwaar een zeldzame combinatie van kracht en flexibiliteit waar ondergetekende een punt aan kan zuigen), voetballers (in de laatste week arriveert het Nigeriaanse elftal onder 20: het huidige wereldkampioensteam in die leeftijdsklasse! Eén van hen vroeg een collega-triatleet vriendelijk doch dringend zijn bidons af te geven bij wijze van souvenir: “They do that also in the Tour de France”. Peuter zo’n gast dan maar aan het verstand dat dit niet de Tour is en je maar drie bidons bij je hebt!), atleten (waaronder een groep Qatarezen die op de baan rondetijden neerzetten die zich verhouden tot wat die schaatssters op de ijsbaan doen), scheidsrechters (een groep op voetballers gelijkende, maar daarvoor iets te dikke mannen die de Portuguse eredivisie fluiten en zich als een echt team in zelfde outfits bij het eten melden. Eén van hen is tegendraads: wanneer de groep het groene trainingspak aanheeft, draagt hij het rode, en andersom. Curieus!), een Engelse hardloper (hij verdient een aparte vermelding: hij vraagt aan iedereen waar ‘Paula’ is – daarmee doelend op Paula Radcliffe die haar vaak bivakkeert, en volgens de Engelsman ook nu. Ze is, helaas voor hem en gelukkig voor haar, echter allang naar de WK in Helsinki vertrokken wanneer hij arriveert. Deze man heeft daarnaast de eigenaardige gewoonte in de eetzaal ongevraagd bij deze en gene aan te schuiven in een poging vrienden te maken, waardoor hij het averechtse effect sorteert: iedereen mijdt hem als een erge ziekte. Bijkomend probleem is dat hij zich so Brittish gedraagd dat het lachwekkend is: hij heeft een extreem gayish loopje en heeft kostschoolachtige tafelmanieren zoals het omhoogbrengen van de pink bij het thee drinken). Natuurlijk zijn er triatleten, van velerlei nationaliteit: Frans, Duits, Nieuw-Zeelands, Zwitsers, Hong Kongees, Luxemburgs, Spaans, Portugees en uiteraard Nederlands. Ik zoem even in op het Nederlandse contingent triatleten. Aanwezig zijn: Mathijm Wassink en Sandra Hitzert, die ik nog ken van m’n vorig triatlonteam; Roeland Smits, die met mij meegereisd is; Machiel Ittmann en Pieter-Jan Paarlberg; en Richard van Diesen. Behalve Sandra en Roeland zit er dus aardig wat Ironman-ervaring aan tafel. Wij zetten onze collectieve lange-afstandservaring in om de Duitse eliteselectie (Andreas Raelert, Maik Petzold, Anja Dittmer en Joelle Franzmann, getraind door Nederlander Louis Delahaye en stuk voor stuk in staat om een Worldcup te kunnen winnen) op de plaats te zetten: aan de Nederlandse tafel zitten bij elkaar 10 Hawaii-finishes; aan de Duitse tafel niet één. Eins zu nul für Holland. We doen trouwens, in het kader van de Wiedergutmachung, een lange duurrit met de Duitse selectie en Chris Gemmel, de Nieuw-Zeelandse vriend van Dittmer. De eerste 50 kilometer zijn ze wel bij te houden, want die gaan naar beneden. Machiel houdt aan de afdalingen van die dag de bijnaam Black Arrow over. ‘Black’ vanwege z’n zwarte outfit en fiets, en ‘Arrow’ vanwege z’n suïcidale daalcapaciteiten. Dat gaat ongeveer zo: je rijdt een afdaling. Voor je rijdt Machiel, en daar weer voor rijden auto’s, gevuld met toeristen. Die auto’s rijden langzamer dan Machiel, dus die moeten worden ingehaald. In de aanloop naar een daartoe geschikt bevonden bocht zie je Machiel langs de auto’s heenblikken (ik neem aan om te kijken of er niets aankomt, maar het kan ook zijn om te bepalen waar-ie eventueel het ravijn in kan storten), vervolgens zie hem, zijn remmen volledig negerend, in volle vaart langs de auto’s heen schieten. Ook blinde en/of met vers grint bestrooide bochten worden met een dergelijke doodsverachting genomen. Bergop is het met die Duitsers een stuk moeilijker. Wanneer het groepje Petzold, Gemmel en Raelert voorbij komt (zij hebben bij het begin van de beklimming wat gewacht op de heer Van Diesen, die een gebroken spaak heeft en gedwongen wordt in de volgbus te stappen. Later leent hij een wiel van Louis und ist wieder froh), besluit ik in een vlaag van verstandsverbijstering m’n karretje aan te haken. Er zou vandaag immers ‘locker gefahren werden’ en ik voel me wel goed. Het gaat in het begin lekker, maar het tempo wordt geleidelijk aan opgedreven. Binnen een paar kilometer zit m’n hartslag tegen de anaërobe drempel en na niet al te lange tijd halen we Machiel bij, die in de afdaling wat voorsprong had genomen. Er wordt nog eens aangezet, en ik kies eieren voor m’n geld: we zijn pas anderhalf uur bezig, hebben nog drie cols en vier uur te gaan en ik wil nog uit m’n ogen kunnen kijken wanneer ik terug ben. ’s Avonds vraag ik of ze een lekkere lockere Fahrt gemacht haben, en Petzold zegt: nicht bestimmt, aber dies war eine Trainung die mann sich erinnert. Ook vermeldenswaard is het piekwattage wat de heer Paarlberg tijdens deze rit behaalt, in een poging een vrachtwagen voor te blijven: 1041 Watt. Om dit in perspectief te zetten: dat is twee maal het wattage wat ene heer Armstrong rijdt op z’n omslagpunt. Daarentegen houdt Armstrong die 500 Watt een uur vol, en Paarlberg die 1041 Watt een aantal – weliswaar indrukwekkende - seconden.


Trainen in de bergen voor een wedstrijd in vlakke Hollandse polders: geen buitenlander die daar wat van snapt. Ik eigenlijk ook niet, want klimmen is nou niet bepaald een hobby van me. Hier fietsen schiet totaal niet op – ik heb welgeteld 1 keer een gemiddelde van meer dan 30 km/u geregistreerd –, je hartslag vliegt bij het minste of geringste omhoog en je krijgt op den duur flinke pijn in de kuiten, alsmede Oberschenkel, als je zoveel omhoog moet. Ritjes van minder dan 1000 hoogtemeters zijn zeldzaam. Daar komt nog bij dat ons verblijf op 1900 meter hoogte zit: aan het eind van elke rit moet je gegarandeerd nog een paar honderd meter klimmen om weer thuis te komen. Wat wel weer prettig, is dat je alleen al in de noodzakelijke eerste afdaling van elke rit menige col verschalk. Je kunt hier binnen een kilometer of twintig een colletje of vijf pakken, en die liggen dan ook nog eens allemaal boven de 1500 meter. Staat lekker stoer in je logboek.



Om mezelf zonder omwegen in deze contreien te verplaatsen, schrijf ik bij aanvang van elke rit de plaatsnamen op die ik onderweg wil passeren. Die schrijf ik op de rug van hand, zodat ik ook in volle afdaling – dat kan boven de 80,0 km/u gaan - de plaatsnaambordjes kan vergelijken met mijn neergepenseelde steno. Handig daarbij is dat er niet veel te schrijven is, omdat veel plaatsnamen twee- of drieletterig zijn. Zo heb je de plaatsen Err, Das, Ur, Uo, Egl, Bar, Bor, Ria, All, Ger en Ro, alsmede de rivier de Têt.

Zo simpel en duidelijk als hier de plaatsnamen zijn, zo complex en ondoorzichtig is het gebouw waarin het Lycée is ondergebracht. Ik vertoef op de zesde etage. (Liever had ik op de negende gezeten, en dan op een hoogslaper, tegen het plafond geplakt, om maximaal van de hoogte te kunnen profiteren). Bij het vastlopen van de lift zie ik me genoodzaakt me per trap richting de grot van trainingspartner Mathijm Wassink te begeven, die op de vijfde etage is gesitueerd. Ik open de deur van het trappengebouw en daal per trap af tot aan de volgende deur. Tot mijn verbazing staat hier niet de verwachte ‘5’ op, maar een ‘4’. Na enige onderzoekingen begrijp ik dat de verdiepingen per twee verspringen: van de zesde verdieping daal je twee verdiepingen af alvorens je bij de deur naar de vierde verdieping uitkomt, en zo verder. Parallel aan dit ‘even’ trappenhuis is een ‘oneven’ trappenhuis. Dit geldt ook voor de liften. Om van de zesde naar de vijfde verdieping te komen, moet je dus eerst naar de begane grond, of naar de bovenste verdieping, vervolgens de juiste lift of trap nemen die uitkomt op de oneven etages, en die dan weer beklimmen, respectievelijk afdalen, voor je op de vijfde etage komt. U zult begrijpen dat Mathijm en ik elkaar niet veel bezocht hebben. Nog veel ingewikkelder zijn de kelders, beter omschreven catacomben, van het gebouw. Daar staan onze fietsen. Na twee weken hebben we inmiddels meer dan acht verschillende routes in kaart gebracht waarmee we bij het fietsenhok kunnen komen, en we blijven nieuwe routes ontdekken.

Het fietsen mag hier zwaar zijn, het lopen kost me nog veel meer moeite. Voor mijn meest pijnlijke looptraining begeef ik me één maal per week naar de hoogte van 2100 meter, nog eens 200 meter hoger dan het sporthotel, om me gedurende anderhalf à twee uur te folteren met een tempoduurloop op de beoogde Almere-hartslag. Dit doe ik dan over het zogenaamde Vincent Rousseau-rondje. Als intermezzo een korte anekdote over dit Belgische hardloopfenomeen. In de avond voor een grote wedstrijd placht hij zich volledig af te sluiten van de buitenwereld om een zo optimaal mogelijke nachtrust te kunnen genieten. Zo ook in de nacht voorafgaand aan de marathon van Berlijn, alwaar het drukke nachtleven hem echter wakker hield. De ideale oplossing voor geluidsoverlast zijn oorpluggen. Die had hij niet bij zich. Hij is toen op zoek gegaan naar een andere oplossing, en stuitte daarbij uiteindelijk op een pot Pindakaas. Hij heeft met dit product beide oorschelpen dichtgeplamuurd en een uitstekende nachtrust genoten. ’s Anderendaags bleek de smeuïge substantie echter in zijn gehoorgang gelopen te zijn. Met geen mogelijkheid kon hij dat er eigenhandig uitkrijgen. Uiteindelijk heeft hij zich bij manager Jos Hermens gemeld, met een rietje, met het verzoek zijn oren uit te zuigen. Welnu, dezelfde Rousseau heeft zijn vindingrijkheid tevens aangewend door een aantal jaren geleden in een hoog geleden bergweide een rondje van een paar kilometer te laten omploegen door een plaatselijke agrariër, opdat de weide niet alleen door koeien, maar ook door mensen te belopen zou zijn. Tot op de dag van vandaag profiteren velerlei atleten van zijn inspanningen. Ik ben onder anderen Paula Radcliffe en Greg van Hest tegengekomen. Zij lopen als dartele hindes te springen over de zuurstofarme weide, terwijl ik direct vanaf de start loop te hijgen als een piepende astmapatiënt over het door koeien en paarden bemeste aarden pad. Na vijf minuten doet het al zeer, en in die zich continu verslechterende toestand sleep ik me vervolgens tot het bittere einde voort in de ijle lucht. Ik word daarbij tevens flink gehinderd door mijn zware lichaam – vooral bergop – en de eendenstand van m’n voeten, waardoor ik half struikelend de met wortels ontregelde ondergrond teister. Ik verlang naar asfalt, vlakke polders, en wind in plaats van bergen.


Waartoe doe ik dit alles? Hiervoor citeer ik een stukje uit ‘Hoogtetraining’, geschreven door prof. dr. (in de triatlonwetenschap) R. Barel: ‘De belangrijkste werking van training op hoogte is het toegenomen hemoglobinegehalte in het bloed, wat als gevolg heeft dat de zuurstofvoorziening voor de spieren sterk verbeterd. Kortom: prestatieverbetering.’ Hij heeft hier echter ook bij aangetekend: ‘Tijdens een hoogtestage kan veel mis gaan, waardoor het geen of zelfs een negatief effect heeft. Drinken is één van de belangrijkste aspecten van de verzorging op hoogte. Het is een goede gewoonte om ’s ochtends twee liter water klaar te zetten en die verspreid over de dag op te drinken, ongeacht andere consumpties.’ Ik houd me consciëntieus aan deze aanwijzing en drink dus als een tempelier.

Het verblijf op hoogte heeft echter nog meer effecten. Een ander, in dit verband relevant, effect staat als volgt beschreven: ‘Binnen 24 uur begint het lichaam ook veel vocht af te stoten om het bloed in te dikken. Dit is een stressreactie om snel de concentratie van hemoglobine te verhogen, waardoor meer zuurstof bij elke hartslag opgenomen kan worden.’ De uitkomst van de combinatie van het advies om veel te drinken en deze stressreactie, wat niet beschreven staat in de bevindingen van R. Barel, is dat de atleet daardoor ten minste twee maal per nacht naar het toilet moet om het overtollige vocht uit te scheiden. Het dichtstbijzijnde toilet bevindt zich recht tegenover de vertrekken van de heren Van Diesen, Paarlberg en Ittmann. Richard van Diesen heeft me van de – op zichzelf goede – gewoonte afgeholpen na elke plasbeurt door te trekken, omdat dat met zo’n hels kabaal gepaard gaat dat hij daar wakker van wordt. Hiermee is het probleem nog niet opgelost, want ik blijk – door mijn verlangen zo snel mogelijk weer terug naar bed te gaan – een dusdanig krachtige straal in het water te mikken, dat daardoor de heren Ittmann en Paarlberg gewekt worden. Ik begrijp nu ook waarom sommige wastafels hier scheuren vertonen.

U begrijpt, beste lezer: trainen op hoogte is niet eenvoudig. Gelukkig zijn er wel vorderingen waarneembaar in mijn klim- en loopvaardigheden. Waar ik de eerste week bij elke vermeende helling van de weg naar het binnenblad schakelde, ram ik in de laatste week een paar lekker lopende colletjes op het buitenblad op. Ook blij ben ik met de vooruitgang in fitheid die zich uit in hoe ik het rondje over Ax les Thermes verteer. Dat is een rondje van dik 140 kilometer, op zich niet zo ver dus, maar wel met twee cols van buitencategorie en nog een stuk of drie van tweede categorie, bij elkaar ruim 3200 hoogtemeters. In de eerste week kon ik na afloop van dit rondje alleen maar aan m’n bed denken; in de laatste week ga ik na aankomst nog een uur lopen en zet daarbij in het laatste half uur op de baan een tijd op de 5 kilometer neer die ik in de eerste week niet eens in een losse 5 durfde te lopen.

Ik ben inmiddels weer terug in Nederland. Aan het eind van deze week staat de kwart van Veenendaal op het programma, alwaar ik een eerste indicatie hoop te krijgen van het resultaat van mijn inspanningen hier. Tot dan!