Welkom

Ik hoop dat je inspiratie vindt op mijn site!

Reacties of suggesties voor onderwerpen zijn welkom op mijn e-mailadres: bertflier72@gmail.com.

Veel plezier,

Bert Flier
Posts tonen met het label Columns. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Columns. Alle posts tonen

maandag 19 december 2011

Loopwedstrijd Debre Zeit

Dat het idee om in Ethiopië een loopwedstrijd te organiseren anders zou uitpakken dan ik had bedacht, wist ik al bij voorbaat. Toch is het gelukt.

Maandag 28 november verzamelen zich 50 Ethiopiërs op het sportveld van een lokale school in Debre Zeit. Om verkeersopstoppingen, beroving van de rijk gevulde natura-prijzentafel en arrestatie vanwege het zonder toestemming organiseren van een loopwedstrijd op de weg te voorkomen heb ik contact gelegd met een lokale kerk en afgesproken dat ik een loopclinic gevolgd door een officieuze wedstrijd zal organiseren. In de zondagochtenddienst is het gebeuren afgekondigd, met dus 50 deelnemers als resultaat. Het is een gemêleerd gezelschap dat zich heeft verzameld. Dames op hoge hakken (toeschouwers, blijkt later), breed lachende mannen, een oud vrouwtje (40? 60? 80 jaar?) die krom staat van een leven lang takkenbossen-sjouwen en werken op het land, giechelende pubermeisjes: het is een bonte verzameling mensen. Twee jongens springen eruit qua atletische uitstraling. Ze hebben een looptenue aan en echte loopschoenen aan de ranke voeten. Ze worden, samen met een meisje-op-blote-voeten dat ook serieuze loopambities heeft, aan mij voorgesteld.

Voor we beginnen leg ik uit wie ik ben en wat ik in Ethiopië kom uitspoken. Van alles dus, inclusief het overdragen van mijn passie: hardlopen. (Ik leg maar niet uit dat ik triatleet ben: dat is een onbekende sport in dit land waar een fiets van dubieuze Chinese makelij een statussymbool is. Racefietsen kennen ze hier niet. Sowieso zouden eventuele trainingsritjes onmogelijk zijn vanwege de staat van de wegen en de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op een serieus ongeluk in het chaotische verkeer).

We beginnen met groep met een serie rompstabiliteitsoefeningen. Er wordt flink wat gesteund en gekreund maar vooral gedold. Hoe complexer de oefeningen, hoe mooier ze het vinden. Ik besluit maar niet al te streng toe te zien op de uitvoering, want mijn zorgvuldig gedoceerde oefenstof wordt op de meest vrije manier geïnterpreteerd. ’t Is leuk om te zien dat de lopers-met-ambitie erg oplettend zijn en coördinatief het een en ander in huis blijken te hebben. Parels voor elke coach, dit soort atleten.

Een serie loopscholingsoefeningen is het volgende onderdeel. Ook hierbij volop lol en hilariteit. Het zou zomaar kunnen dat Monty Python in Ethiopië de inspiratie heeft opgedaan voor het Ministry of Silly Walks.

Aan het eind van de sessie komt dan het moment suprême: de loopwedstrijd. Het parcours is een rondje rond een hobbelig voetbalveld. Twee rondes voor de dames en drie rondes voor de heren. Dat lijkt me wel handig gezien het zeer gevarieerde loopniveau en de snel invallende duisternis.

De dameswedstrijd eindigt in een afgetekende overwinning voor de blootvoetse atlete die aan het begin van de training werd voorgesteld. Ze heeft een hele lengte voorsprong op de toch niet langzaam lopende nummers 2 en 3. Ook de oude, kromme vrouw haalt de eindstreep – met een grote glimlach op haar gerimpelde gezicht.

Bij de herenwedstrijd doe ik ook mee. Altijd goed om me te meten met ruw talent. Er wordt furieus gestart. Na 1 ronde lig ik vijfde. De eerste twee liggen dan al buiten bereik. Die mannen hebben veel pure snelheid. Fantastisch om te zien. De strijd om de laatste podiumplaats is fel. Zo fel dat er flink wordt afgesneden. Als organisator ben ik tevens verantwoordelijk voor een ordentelijke wedstrijd, dus al lopend roep ik de dilettant tot de orde. Het melkzuur spuit mede hierdoor uit m’n oren. Uiteindelijk kan ik in de laatste ronde net voor de streep de nummer drie bijhalen zodat ik nog net op het podium sta. De nummers 1 en 2 hebben me, over een afstand van 800m, op bijna 100m gelopen. En ik kon echt geen centimeter harder.

De prijsuitreiking is de afsluiting van de middag. Voor elke deelnemer hebben we een Amhaarse bijbel. Die gaan grif van de hand: papier is kostbaar in dit land en lang niet elke kerkganger heeft een bijbel. Voor de beste lopers en loopsters heb ik, met dank aan de Energie-clubgenoten, loopschoenen en loopkleding. Het zou dus zomaar kunnen dat je, als je een keertje in de omgeving van Debre Zeit bent, een hardlopende Ethiopiër met een finishers-shirt van de halve marathon van Monster 2011 tegenkomt;)

PS De foto’s hoop ik later toe te voegen. Die staan nu nog op de Samsung Galaxy van Tabitha en we krijgen ze niet op de Apple. Tips zijn welkom.

dinsdag 19 juli 2011

Triathlon Duckstad

De Duckstad Triathlon is gewonnen door veelwinnaar Bob Parel. Deze internationaal gelauwerde atleet was speciaal door sponsor Dagobert Duck als publiekstrekker vanuit Oman ingevlogen. Parel won niet zonder slag of stoot. Tijdens het zwemmen waren het de junioren Kwik, Kwek en Kwak die als razenden van start gingen. Onder luide aanmoedigingen van het in grote getale opgekomen Duckstadse publiek namen zij een voorsprong van een halve minuut op een achtervolgend groepje. Daarin zat, naast Parel, de soepel zwemmende Sander Vlerk, afkomstig uit het naburige dorpje De Kwakel. Parel en Vlerk konden al in de wisselzone de aansluiting maken op de gebroeders K., die moeite hadden hun voeten in de fietsschoenen te proppen.

Op de fiets sloegen Parel en Vlerk het definitieve gat met de Duckstadse concurrentie. Toch was het niet dit duo dat de snelste fietstijd op de klokken zette. Die eer was weggelegd voor de lokale triatleet W. Wortel. Dit is opzienbarend, omdat Wortel zich vooral heeft voorbereid in de schuur in zijn achtertuin. Atleten die hij passeerde maakten melding van een raar zoemend geluid. Het schijnt dat W. Wortel banden heeft met de DSB (Dagoberts Sjoemel Bank) wielerploeg, en samenwerkt met DSB-renner Kwanselara. De fiets van Wortel is na de wedstrijd door de jury in beslag genomen en wordt momenteel onderzocht.

De jury had sowieso een drukke dag. Atleet D.D. (vanwege privacy redenen drukken wij alleen zijn initialen af) kon de verleiding niet weerstaan in het zog van Wortel te duiken toen hij snelle zwemmer D.D. inhaalde. D.D. negeerde de bevelen van jurylid Bolderbast en kreeg prompt een stop and go vanwege stayeren. Dat kwam het jurylid op een luid snaterend protest te staan, waarop Bolderbast besloot het heefthoofd te diskwalificeren.

Parel trok zich van deze akkefietjes niets aan en bleef tijdens het fietsen tactisch achter Vlerk rijden, om het vervolgens met het lopen af te maken. Vlerk eindigde als tweede, en kon daar vrede mee hebben. “Dit jaar ben ik naar het lange werk overgestapt”, zei hij, “en na de winst in Hamsterdam eerder dit jaar was deze wedstrijd in Duckstad voor mij een leuk tussendoortje”. Tot zijn eigen verbazing werd de Duckstadter Johan Kneevel, na een solide zwem- en fietsonderdeel, als derde binnengehaald door rondemiss Katrien Duck. Speaker Pim van de Hoek en diens collega Ruud de Kip waren dolenthousiast over deze eerste Duckstad triathlon. “Deze wedstrijd is serieuze concurrentie voor Halfmere en Gein”, aldus het in triathlonkringen bekende duo. “Een blinde kan zien dat triathlon leeft in Duckstad”.

Dat blijkt. Zwemvereniging Liever Nat dan Droog, wielerclub Duckstad Wil Vooruit en atletiekclub Het Beste Beentje Voor hebben de Duckstadse Triathlon Vereniging Het Driedubbeltje opgericht. “Doel is om met de Olympische Spelen van 2020 ten minste één Duckstadse atleet aan de start te krijgen”, aldus bondstrainer Arie Vlerk (inderdaad, vader van). “Als we ons niet rechtstreeks kunnen kwalificeren, dan proberen we het alsnog via de loting. Als kleine bond komen we daarvoor in aanmerking. Vandaar dat men mij heeft gevraagd voorzitter te worden”, aldus Duckstadter G. Geluk. Dat Duckstad haar ambities niet onder stoelen of banken steekt, blijkt uit de slogan op het finishershirt van de Duckstad triathlon: Ik Zwom, Fietste, Liep en Overwon.

Deze column verscheen eerder in Triathlon Sport

donderdag 23 juni 2011

Ben ik er klaar voor?

Zaterdag 2 juli staat al bijna een jaar roodomlijnd in mijn agenda. Dan kan ik, voor het eerst in tien jaar, uitkomen op het NK halve triathlon. In Didam, een wedstrijd die mij ligt.

Hoe dichter ik bij een piekwedstrijd kom, hoe minutieuzer ik word. Zeker nu ik wat ouder word (fysiek dan, want geestelijk voel ik me nog steeds 12;) is het enorm belangrijk de goede arbeid-rustverhouding te vinden en de intensieve trainingen goed te doseren. Dat is deels wetenschap, maar vooral ook aanvoelen wat het lichaam op een bepaalde dag aankan.

De afgelopen weken heb ik regelmatig trainingen overgeslagen die ik vroeger absoluut gedaan wilde hebben. In plaats daarvan heb ik me laten masseren of ben gewoon lekker op bed gaan liggen.

Dat klinkt allemaal heel verstandig en wijs, maar de eerlijkheid gebied te zeggen dat de beslissing om te rusten in plaats van te trainen me toch moeilijk valt. Ik train graag, en, als het even kan, hard. En zet daarbij het liefst imponerende tijden op de klok of wattages op de teller. Op zoek naar bevestiging, naar het bewijs dat de vorm er is.

Het punt is dat, hoe goed je tijden ook zijn in training, ze geen garantie vormen voor een goede wedstrijd. Bovendien kan een training altijd beter. Rijd je de ene week wattageblokken van 300 Watt, dan rijd ik ze de volgende week het liefst in 310 Watt. En de week daarna weer wat meer natuurlijk.

Rupsjenooitgenoeg, op zoek naar controle en garantie op succes. Als sporter ben je altijd op zoek naar de grens, en wil je die grens zo ver mogelijk opschuiven. Dat is de gezonde ambitie van iemand die het maximale uit zijn mogelijkheden wilt halen. Maar de valkuil van die ambitie is ook levensgroot: dat je altijd meer meer wilt en niet het niveau accepteert dat bij jou past, op dit moment en onder je huidige omstandigheden.

Ik heb dat in de loop van de tijd mogen leren. Omdat mijn ambitieniveau voor Didam hoog is (winnen) heb ik al maanden geleden als doel gesteld om op 2 juli onder de 26 minuten op de 2km te kunnen zwemmen, 41 gemiddeld te kunnen fietsen op de 80km, en daarna onder de 1 uur 10 te kunnen lopen op de 20km. Ik denk dat dat nodig is om kans te maken op de titel: ik zal na het zwemmen in de achtervolging moeten en bereid zijn om, na een inhaalrace met het fietsen en lopen, nog een keiharde finale te doen.

Tot zover de getallen. Die zijn, op de dag van de wedstrijd, totaal niet relevant - hoogstens in de nabeschouwingen. In deze voorbereiding ben ik, meer dan ooit, bezig om geest en lichaam op één lijn te krijgen. Mezelf te voeden met geestelijke beelden die me bevestigen in mijn mogelijkheden. De fysieke trainingen probeer ik zo te balanceren zodat ik alle nuttige trainingen heb gedaan, zo min mogelijk junk miles maak, en de laatste week zo inricht zodat ik uitgerust en fit aan de start sta.

Tijdens de wedstrijd komt het aan op de uitvoering. De simpele dingen goed doen. Geloof en vertrouwen blijven houden, ook al loopt het niet zoals je zelf graag wilt. Problemen oplossen, creatief zijn en het mentale schaakspel met de concurrentie. En positief blijven, wat er ook gebeurt.

Ik hoop op een wedstrijd waarbij het uiteindelijk aankomt op een mentale en geestelijke test. Dat proces, die uitdaging, dat is wat wedstrijden mooi maakt. Omdat je jezelf daarin zo goed leert kennen, en mensen treft die het beste uit jezelf halen.

Wat ik het mooist vind: mijn intentie om te racen is om het beste uit mijn mogelijkheden te halen. Om Hem te eren die mij in deze positie heeft gezet. Ik heb vertrouwen dat Hij mij zegent. Het bijzonderst daaraan is dat Hij dat doet op Zijn manier. Hij rekent niet in termen van eerste plaatsen. Hij is wijs. Want zoals de hemel hoger is dan de aarde, zo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen en Mijn gedachten dan uw gedachten (Jesaja 55:9).

Dat betekent dat God geeft wat goed voor mij is. Dat is niet altijd wat ik voor mezelf zou bedenken, maar Zijn manier is veel mooier dan wat ik zelf ooit zou kunnen bedenken. Daarom ben ik heel benieuwd wat de komende periode me gaat brengen.

zondag 27 maart 2011

Training als meditatie

Er zijn van die dagen dat je langer wilt trainen dan ooit. Gewoon, om nieuwe gebieden te ontginnen. Qua lichaam en geest. En misschien ook qua topografie. Want op lange ritten kom je nog eens ergens. Mijn eerste lange training heb ik met een lineaal en Bosatlas uitgezet en voerde me via Zierikzee en Ouddorp van en naar Barendrecht. Ik reed dat rondje van 150km op een strakblauwe maandag. Op curieuze wijze ben ik toen aan de hongerklop ontsnapt, want ik dronk alleen maar water tijdens die rit. Aan het eind werd ik wat licht in het hoofd. Ik had net een stuk gelezen over runner’s high, dus ik interpreteerde de visioenen die aan mijn netvlies voorbij trokken als euforische gevoelens. Fout natuurlijk: ik zat gewoon op het randje van een hypo.

Sinds die tijd houd ik van het lange werk. In die periode is ook mijn liefde voor wegen ontstaan. Voor desolate wegen, waarvan je het begin en het einde slechts kunt gissen. Zo’n weg is, in mijn verbeelding, strak zwart geasfalteerd. En dan het liefst met gele strepen. Voor het Route 66-gevoel. Daarboven hangt een stille, van warmte trillende lucht, onder een wolkenloos blauwe hemel.

Tijdens een trainingskamp in de VS, ik zat toen in Ohio, heb ik over dat soort wegen een memorabele 170 km-rit gereden. Er zaten maar drie bochten in. Eén naar links, een 180-graden bocht bij mijn zelfbedachte keerpunt, en één naar rechts. De weg sneed door een desolaat prairie-achtig landschap. Middenin niemandsland stond een groep arbeiders in monotoon tempo aan de weg te werken. Toen ik langskwam, onderbraken ze het werk en staarden me na. De spanning was te snijden. Het bleken tewerkgestelde gevangenen te zijn die, aan elkaar geketend, de weg herstelden. Een paar bewakers zette de groep weer aan het werk.

Het contrast kon niet groter. Een man op de fiets die in alle vrijheid route, snelheid en afstand kan bepalen, versus een groep gevangenen met een bewegingsruimte zo lang als hun ketting. Gevangenschap versus vrijheid.

Tot zover de mooie ervaringen. De titel van m’n originele stuk luidde ‘Reizen door de krochten van de geest’. Dat was een bloemlezing van wat er in mijn hoofd omgaat tijdens de zwarte momenten in mijn hele triathlons. ’t Is niet door mijn eigen censuur gekomen omdat het geen wervend stuk was. En dan druk ik me erg eufemistisch uit. Eigenlijk zijn de meeste ritten zijn helemaal niet interessant. Toch kan ik moeilijk zonder. Als ik thuis zit en naar buiten kijk, dan wil ik trainen. Als je dan urenlang in de zon, hitte, wind of regen bezig bent is er niks fantastisch aan. Je houdt niets anders over dan wat Mark Allen raw reality noemt; de rauwe werkelijkheid. Die is echt en confronterend. Op die momenten verwens je de sport en je trainingsdiscipline. Toch zou je op die zwarte momenten nooit een lift naar huis accepteren.

Triathlon heeft veel weg van een pelgrimsreis. Het idee dat, als je grote afstanden aflegt op reis naar heilige plaatsen, je wordt gezuiverd van het kwaad. Des te zwaarder de reis, des te groter de loutering. Om tot jezelf en tot God te komen. Zo kan sporten ook zijn. Training als meditatie.

zaterdag 18 december 2010

Lopen in Ethiopië

Begin november was ik in Ethiopië. Niet voor een trainingsstage, maar om het land te leren kennen. Maar ja, als ik er dan toch zit, dan kan ik het niet laten om af en toe een uurtje te lopen. Ik zit ten slotte wel in het land van Haile Gebreselassie en Kenenisa Bekele.

Lopen blijkt in Ethiopië veel minder ingeburgerd dan in Nederland. De reden is simpel. In Nederland heeft iedereen wel een paar schoenen die geschikt zijn voor hardlopen, en als je ze niet hebt, dan koop je ze gewoon. Zo werkt dat dus niet in Ethiopië. Hardloopschoenen zijn zeldzaam en duur. Recreatieve lopers heb ik gedurende mijn verblijf niet gezien.

Hardlopende blanken, daar moeten de Ethiopiërs aan wennen. Tijdens mijn eerste loopje, 's ochtends vroeg op het tijdstip dat iedereen langs de kant van de weg staat om een busje te regelen om naar het werk te gaan, ben ik een ware bezienswaardigheid. Mensen lachen naar me, en ik word continu aangemoedigd: 'Haile, Haile', gevolgd door een Ethiopische van-oor-tot-oor-glimlach waar de humor van afdruipt. Er wordt een hoeveelheid positieve energie gegenereerd die onvoorstelbaar is. Af en toe lopen mensen even een stukje met je mee. Gewoon op hun blote voeten, of op losse slippers, jouw ritme aannemend en alsof het de normaalste zaak van de wereld is.

Een schitterende ervaring heb ik wanneer ik een groepje kinderen achterop loop. Ze hebben schooluniformpjes aan en dragen hun boeken onder de arm. Wanneer ik hen bijhaal, beginnen ze spontaan mee te lopen. Telkens als we een volgend stel kinderen bijhalen, sluiten ze aan. Kleine stofwolkjes dwarrelen op onder hun voetjes. Blij kijken ze in het rond. Wanneer we bij het schooltje aankomen is de groep gegroeid tot iets van twintig kinderen. Zwaaiend nemen ze afscheid.

Maar als je dan echte hardlopers tegenkomt, dan zijn het atleten van een absurd niveau. Op een zaterdagochtend start ik om half zeven voor een rondje Debre Zeit. Dat ligt op 50 kilometer van hoofdstad Addis Ababa, op ruim 1.800 meter hoogte. Dwars door Debre Zeit loopt de hoofdweg die van Addis naar Kenia leidt. Van zonsopgang tot zonsondergang stroomt het verkeer vier breed over de hoofdweg door het stadje - terwijl de weg maar twee rijbanen heeft. De gemiddelde leeftijd van de voertuigen ligt ruim boven de twintig jaar. De constante stroom vrachtwagens en personenauto's braakt zwarte wolken uit. Luchtvervuiling in combinatie met ijle lucht maakt dat het daar niet prettig lopen is. Daarbij wemelt het op die weg van de Toyota-busjes en gemotoriseerde, driewielige tuk-tuks die lukraak in- en uitvoegen om mensen op te pikken.

Deze weg besluit ik vanochtend maar te mijden. In plaats daarvan sla ik linksaf voor een rondje rondweg-Debre Zeit. Die rondweg wordt momenteel geasfalteerd, maar daar trekt de plaatselijke bevolking zich niets van aan. Die blijft, tussen de asfalteringswerkzaamheden door, gewoon gebruik maken van de weg, ook al ligt er elke twintig meter een rijtje stenen om het gebruik te ontmoedigen. Het is een chaos - en ik vind het prachtig.

Wanneer ik tien minuten onderweg ben zie ik in de verte een groep atleten. Dat is interessant. Ze hebben blijkbaar net de warming-up gedaan, want de trainingspakken worden uitgedaan. Het ziet er naar uit dat ze hier gaan trainen. Ik stop, groet, en zie een man in trainingspak met een stopwatch en een stuk papier. Dat lijkt me de trainer. Hij bevestigt mijn vermoeden dat de groep zich klaarmaakt voor een intervaltraining.

Ik mag meedoen. Een buitenkansje. Om me heen dribbelen pezige Ethiopiërs rond die van de trainer van instructies worden voorzien. Ik zeg de trainer wat mijn niveau is: 1.10 op de halve marathon. 'Then you may run with the second group', zegt hij. De eerste groep gaat namelijk iets te gaan doen waar ik met m'n verstand, laat staan fysiek, niet bij kan: 12x1000 in 2'45. Op een golvende asfaltweg, op 1.800 meter hoogte, om zeven uur 's ochtends.

De tweede groep doet 12x800, met tweehonderd dribbel rust. Dat moet kunnen. Denk ik. Totdat we starten. Forceren wil ik me niet, maar ik moet na tweehonderd constateren dat ook het tweede echelon van deze trainingsgroep snoeihard loopt. 'Don't compete!' roept de trainer me toe wanneer ik hem halverwege passeer. De tweede herhaling start ik toch maar wat rustiger, om vervolgens op bijna 100 meter gelopen te worden. Achter me hoor ik het voetenritme van een volgend groepje. Dat blijkt de damesafdeling te zijn. Wijselijk besluit ik me bij hen aan te sluiten.

Inmiddels ontdaan van enige illusie om mee te kunnen op dit niveau, haak ik mijn wagentje als laatste aan. Elk groepje loopt twee aan twee - alsof het een line-up van kinderen op het schoolplein is, maar dan wel in twintig per uur - en men handhaaft de volgorde zowel tijdens de dribbelpauze als tijdens het tempo. Binnen ons groepje loopt iedereen loopt met dezelfde pasfrequentie, in een heerlijk ritme. De sterkeren maken het tempo, de minderen volgen zo lang mogelijk - om vervolgens in de laatste meters volledig verzuurd in te storten. Ik handhaaf een tempo dat ik net aankan, en waarmee ik de snelste dames moet laten lopen. Degenen die het niet kunnen bijbenen, raap ik elke herhaling in de slotmeters op.

Ik blijk dus een snelle leerling die snel zijn plaats binnen de groep leert kennen. Dat doet de trainer deugd. De anderen zien ook dat ik het maximale uit de training haal zonder er een wedstrijd van te maken. Bij het passeren van de twee mannengroep - die inmiddels twee herhalingen voorligt - gaat een paar duimen omhoog in mijn richting. In de laatste paar herhalingen kan ik zelfs een keertje mee met de snelste dames. Omdat ze het tempo rustig opbouwen, maar ik ben er niet minder blij mee.

Na afloop bedank ik de trainer, en vraag hem wat voor materiaal hier nu eigenlijk rondloopt. Hij noemt wat namen die ik niet kan thuisbrengen, en eindigt met de zin: 'These guys are aiming for Gold in de London Olympics on the 10k and the marathon'.

Dat is dus ook lopen in Ethiopië. Zonder atletiekbaan, een clubhuis, hartslagmeters of speciale faciliteiten, maar doen wat je moet doen om de grote wedstrijden te winnen. Zo simpel kan het zijn.

vrijdag 1 oktober 2010

Alles is teveel

Om te presteren moeten keuzes worden gemaakt. Dat varieert van het aantal uren dat je in je sport wilt steken en de club waar je bij traint, de keuze tussen sport, opleiding en maatschappelijke carrière, tot aan ethische en principiële afwegingen. Om het hoogste te bereiken zetten sporters vaak alles op hun sport, en als ze dat zelf niet doen, dan eist de bond of de coach dat wel. Sport dient op de eerste plaats te staan, de rest is daaraan ondergeschikt.

Dat betekent dat sporters soms al op jonge leeftijd uit huis gaan, de studie stop zetten, en alles doen wat trainer, coach of bond van ze verlangt. Alles voor de sport. Als het dan op het beslissende moment niet lukt, dan heeft het tenminste niet aan de voorbereiding en de gemaakte keuzes gelegen.

De stelling is dat je als sporter er ‘alles’ aan moet doen om het maximale uit je mogelijkheden te kunnen halen. Laten we deze stelling eens in breder perspectief plaatsen. Wie zijn de mensen die de medailles winnen? Wat hebben ze ervoor gedaan en, belangrijker nog, gelaten? Vanuit welke grondhouding sporten ze? Wat levert het uiteindelijk op?

In een vraaggesprek tussen Bettine Vriesekoop en Anky van Grunsven zegt Van Grunsven dat je geen goed mens hoeft te zijn om Olympisch goud te halen. Ze heeft een punt. Sterker nog, slechte karaktereigenschappen worden vaak als voorwaarde gezien om te kunnen presteren. Veel coaches willen klootzakken in hun team, mensen die er alles aan doen om te winnen. Als het moet door iemand te verzuipen, de hekken in te rijden of dwars doormidden te schoppen. Dat zijn de fysieke klootzakken. Subtieler, maar nog gevaarlijker zijn de psychologische klootzakken, die de tegenstander negeren, intimideren of psychisch terroriseren. Hier een staaltje van intimidatie en race psychology, toegepast door Simon Lessing op Chris McCormack (zie http://www.chrismccormack.com/blog/talesfromthetriathlontour). In 1998 komt McCormack voor het eerst dat seizoen Simon Lessing tegen in een wedstrijd. Het is de ITU World Cup race in Zurich. Lessing is op dat moment de absolute nummer 1 in de wereld op de Olympische afstand. Hij was zich daar erg van bewust.

McCormack: "He [Simon Lessing] was a special athlete, an intimidating guy, but not the most personable person you would ever meet. He was extremely arrogant but was a superstar in Europe, and in the World of triathlon. I found him really abrasive and cold and without personality. He was all business and never smiled much at all [...]
He had lost 4 races in 4 years and was not happy about it. I had beaten him at the World Championships to win the World title and his distain at losing this title was obvious. He was such a competitor and had been considered the World number 1 for 6 years. Here I was now, a 24-year-old upstart athlete ranked World number 1 and the current World Champion and he was not happy about it. I sat in the press conference very intimidated by Simon Lessing, and he made me feel that way. He made little effort to talk to me and his air of importance was very obvious. He was the King and acted like it. I knew how great this guy was and I knew how much he disliked me now. He disliked me for no other reason than because I held the titles that he considered were his, and he was looking forward to racing me again in this new season. When asked the question in the press conference how he felt about racing the new wave of triathlon star in Chris McCormack, even with myself sitting right next to him, he said the following. I will never forget it as long as I live. This is not verbatim but very close:

“You use the word NEW star like I am an OLD star. I lost two races last year and one happened to be The World Championships. It happens. So what! Chris is the new ITU World Champion and also the World Cup Champion. It's impressive and he should be proud of himself. He is the World Number 1, well so the ITU thinks now. I have found in this sport that people forget very quickly. On January 1, a new year began and new champions will be crowned. Will you call me OLD if I disperse with the NEW, or will this be forgotten as well?”

I have to say I agreed with him. You had to respect this man's confidence! He spoke with such authority you believed him. I knew how good he was and I was still scared to death of this guy. I look back now and I know I lost my battle with Simon in that Press Conference. My answer to the question was something like this:

“Simon is a great athlete, one of the best, and one of my idols, and I am looking forward to racing him again. I don’t know how I will go against Simon. I have only beaten him 2 times in my life so if I can do it again, that would be great, but if not it is normal. Not many people have beaten him, so it is special if you do. I will try my best ”

Not the answer the World Champion should give is it! This guy intimidated me so much he always made me second-guess myself."


Eerzucht en een groot ego zijn andere noodzakelijk geachte onderdelen van het profiel van winnaars. Ego’s op zoek naar erkenning, bevestiging en adoratie. Dat zijn de sporters die absoluut niet tegen hun verlies kunnen. Himmelhoch jauchzend wanneer ze winnen en zum Töde betrübt wanneer ze verliezen. Denk Lance Armstrong.

Om te kunnen winnen, moet je willen winnen. Daarvoor moet je vaak, maar niet altijd, je eigenbelang laten prevaleren boven het belang van je tegenstander. (In sporten als wielrennen speelt de gunfactor een belangrijke rol, en dan kan het handig zijn om in een goed boekje te komen bij de concurrentie. Daarom is het makkelijker voor iemand met het karakter van Paulo Bettini om te kunnen winnen dan een renner á la Ricardo Ricci.)

Tot zover de uitweiding over Van Grunsvens opmerking. Vriesekoops reactie is dat de sporter in het reine moet zijn met zijn geweten om maximaal te kunnen presteren. Ze zegt het niet letterlijk, maar je zou kunnen zeggen dat je juist een goed mens moet zijn om te kunnen winnen. Twijfels over gemaakte keuzes, over de waarde van een titel en of het het allemaal waard is geweest.

Twijfels hebben immers de eigenaardige gewoonte de kop op te steken op de momenten dat het het slechtst uitkomt. Bijvoorbeeld tijdens die wedstrijd waar je jaren naar toe geleefd hebt en waar je innerlijke stem met heel lastige vragen kan komen. En concentreer je dan maar eens op je wedstrijd. Op de lange termijn loont het niet je relatie te laten verslonzen vanwege de sport, of je opleiding niet af te maken als dat je in een later stadium in de weg gaat zitten. Op beslissende momenten gaat het erom alles uit de omstandigheden en voorbereidingen te halen wat erin zit – en dat lukt erg moeilijk als je geweten of keuzes uit het verleden je in de weg zitten.

Sport is emotie. De psychologie onderscheidt vier basisemoties. Angst, woede, verdriet en blijdschap zijn de golven waarop de mensheid leeft en waarvanuit sporters presteren. Op drie hiervan kan je het label ‘negatief’ plakken. Alleen blijdschap is een positieve emotie. Wilfred de Jong, theatermaker en sportfreak, zegt dat uit woede de mooiste dingen zijn voortgekomen. Dat geldt ook voor angst en verdriet. Als we de liedjes, gedichten en boeken die vanuit die brei van emoties zijn geschreven in de ban zouden doen, blijft er bar weinig meer over.

De vraag is in hoeverre je maximaal kunt presteren vanuit een negatieve emotie. Ruud Gullit is ervan overtuigd dat je alleen aan je top kan komen door vanuit het positieve te presteren. Dat betekent niet dat je een hele wedstrijd door in een ‘blijde’ gemoedsgesteldheid dient te verkeren, maar dat woede, angst en verdriet niet domineren.

Om goed te kunnen acteren dienen acteurs het gehele emotiespectrum paraat te hebben. In een bepaalde situatie zou je de meest geschikte emotie moeten kunnen oproepen om daar maximaal profijt uit te trekken. Men noemt dat emotiemanagement. Mijn theorie is dat dan wel verwerkte emoties moeten zijn. Onverwerkte emoties, of sporten om emoties te verdringen, leidt vaak tot frustraties en kan maximaal presteren blokkeren. De sporter moet zijn emoties kunnen sturen en niet andersom.

Dat betekent dat de meest complete sporters degenen zijn die met zichzelf en omgeving in balans zijn. Topsporters zijn mensen die tot aan het randje gaan, maar er net niet overheen. Punt is dat je pas weet waar de grens ligt totdat je erover bent geweest. In het streven naar maximaal presteren gaat elke topsporter er wel eens overheen. Degenen die weer op tijd tot de orde worden geroepen en ervan leren zijn de mensen met de beste kansen. Zij zullen niet langer meer ‘alles op de sport zetten’, maar de sport in evenwicht brengen met de rest van hun leven. Coaches of organisaties die dit gedeelte (je zou het persoonlijkheidsontwikkeling of persoonlijk evenwicht kunnen noemen) onderschatten of zelfs ondermijnen zijn er heel veel. Je kan hiermee veel bereiken – maar of dit tot langdurig presteren leidt is zeer de vraag. Sowieso is niet in het belang voor de sporter als mens en vaak fnuikend op het moment supréme.

Sporters die op dit moment (we schrijven 2004) hun leven op orde hebben zijn Renate Groenewold en Erben Wennemars. Groenewold is vorig jaar erg diep geweest. Ze twijfelde aan van alles en nog wat, heeft uiteindelijk meer afstand van de sport genomen en is minder obsessief bezig gegaan met trainingen en wedstrijden. Resultaat is dat ze nu haar volledig potentieel kan benutten. Presteren is geen obsessief doel, maar een resultante van de manier waarop ze in het leven staat en haar keuzes heeft gemaakt. Ze heeft hiermee door haar glazen plafond kunnen breken. Het was fantastisch om te zien hoe ze tijdens het WK allround Pechstein versloeg in een heroïsch gevecht. Pechstein van wie ze voorheen slechts zelden, en zeker niet op deze manier, had gewonnen.

Olympisch goud is mooi, maar niet alles. Na de finale van de zevenkamp van de Spelen in Sydney ging Charles van Commenée naar het sportrestaurant. Het was al na middernacht en erg rustig. Ergens op een tafeltje achteraf zat een atlete. Te eten. Ze oogde eenzaam, zo van die afstand. Toen hij dichterbij kwam bleek het de door hem gecoachte Denise Lewis te zijn die die avond Olympisch goud had gewonnen. Eenmaal uit de schijnwerpers van het volle stadion was ze van halfgod weer gewoon een kwetsbaar mens.

Bevrediging vind je uiteindelijk niet in die gouden Olympische medaille waar je alles voor het gedaan en alles voor hebt gelaten. Je vindt het wel in interpersoonlijke en dit leven overstijgende zaken. Winnen maakt niet gelukkig, maar gelukkig zijn kan je wel helpen winnen.

dinsdag 25 mei 2010

Old school driekamp

Het is zeven uur op een vrijdagochtend in maart. De lobby van ons hotel op Gran Canaria staat nog op de nachtstand, totdat een zwerm triatleten de rust verstoort. Een lichte vorm van wedstrijdspanning zoemt in het rond. Ter afsluiting van de trainingsstage hebben de organisatoren (schrijver dezes en Johan Neevel) bedacht een old school driekamp te organiseren. We grijpen daarmee terug naar de oorsprong van triathlon in Nederland: de vierkamp in Den Haag uit de jaren zeventig. Zaterdag 85 kilometer fietsen en 100 ronden schaatsen, zondag 3 kilometer zwemmen en 30 kilometer lopen.

Onze driekamp is wat bescheidener van aard. We starten ’s ochtends met 500 meter zwemmen in zee, vervolgens midden op de dag een klimtijdrit, en aan het eind van de middag een loopwedstrijd over het strand. Om aan te geven dat het toch wel serieus is, regel ik een viltstift waarmee startnummers op de bovenarm worden gekalkt. Dat, in combinatie met de opmerking no rubber today maakt sommigen toch wat nerveus.

Op het strand blijkt dat de hoop op een spiegelgladde ochtendzee niet is uitgekomen. Golven van ruim een meter hoog bestormen de kust van Playa del Inglès. Dit tot genoegen van de goede zwemmers (dezelfde mensen die bedacht hebben dat er vandaag zonder wetsuit zal worden gezwommen). Het zwemparcours is een driehoek: starten vanaf het strand, door de branding om de rode boei, vervolgens om de gele boei, weer terug door de branding naar het strand, een stukje over het strand lopen, en dat rondje nog een keer.

De race is kort en heftig. Op de terugweg naar het hotel beschuldigen trainingsmaten elkaar van pogingen tot verdrinking en wordt per versie de branding een decimeter hoger en het water een graad kouder. Tijdens het ontbijt zet ik de boel verder op scherp door te melden dat ik net zo lang onderdelen van mijn fiets sloop tot ik op het minimaal toegestane gewicht van 6,8 kg zit. Dit in verband met de lange, steile klim in het tijdritparcours.

Wanneer we verzamelen om naar de start te rijden, zie ik tot mijn genoegen dat een paar man zich serieus hebben voorbereid. Zadeltasjes en pompjes zijn verwijderd, en een paar fanatiekelingen heeft zelfs de bidonhouders eraf geschroefd. Om niet aan het oog van de menselijke tijdwaarneming te kunnen ontsnappen, hebben twee deelnemers hun genummerde badmuts over de helm getrokken. De leider in de wedstrijd is uitgedost met zwembandjes, die door de onbarmhartig schijnende zon de bovenarmen bovenmatig doen zweten.

Om stayeren te voorkomen wordt met intervallen van dertig seconden gestart. Als eerste start de laatste zwemmer. Deze rank gebouwde atleet is een begenadigd klimmer en daler. Hij heeft alle overbodige accessoires van zijn fiets afgeschroefd, want dit is zijn kans om de rode lantaarn kwijt te spelen. In volle galop stormt hij weg, gadegeslagen door de voltallige concurrentie. Die ziet de renner na 500 meter terugschakelen en woest stampend op de pedalen de klim aanvallen. Helaas stuurt hij, in zijn enthousiasme, een weg te vroeg omhoog. Even later realiseert hij zijn vergissing, maar dan heeft hij zich al definitief in de kelder van de uitslag geparkeerd.

Twintig kilometer later rijd ik met een tot op de eeltlaag verzuurde, maar ook opgeluchte en trotse groep terug naar het hotel. ’s Middags op het strand wordt er op een heen-en-weer parcours van 1,8 km een bikkelhard gevecht geleverd om de ereplaatsen. Bij een paar deelnemers bengelt een Jochem-Uytdehage-slijmsliert aan de kin, en in de eindsprint lanceert iemand zich op Usain Bolt-achtige wijze. Aan de finish zijgt een paar triatleten ineen alsof ze net een langlauffinale op de Olympische Spelen hebben afgewerkt.

Er is vandaag gestreden in de geest van de pioniers. Alles geven, de dood of de gladiolen. Triathlon zoals het begon. En zoals het, wat mij betreft, het leukst is.

Dit bericht verscheen eerder in Triathlon Sport

donderdag 24 september 2009

De trekschuit over de Vlaardingervaart

Mijn woensdagavond wijd ik aan de vossenjacht. Simpel gezegd is een vossenjacht spoorzoekertje op de fiets, waarbij een groep wielrenners zich over een min of meer zorgvuldig uitgepijlde route over openbare wegen danwel privé-terrein spoedt. Op willekeurige plaatsen langs het parcours staan controle-emmers, waarin je een PVC-buisje met daarop je startnummer dient te deponeren. Een pijltje of een emmer missen is catastrofaal omdat het leidt tot puntverlies in het vossenjachtklassement. Het hoofd van een vossenjachtrenner in koers neigt daarom naar rechts – de kant waar de pijlen en emmers staan. Op het eindpunt dient men de vos te zoeken, een holle ijzeren pijp. Deze zogenaamde vossepen kan zich ophouden in struikgewas, langs bermen, in holle bomen, of aan de waterkant. De renner die als eerste zijn buisje in de vossepen frummelt, wint.

Een zege in een vossenjacht levert vele malen meer prestige op als het winnen van de eindsprint op de Champs-Élysées in de Tour de France. De Tour, dat is voor stervelingen, voor renners van vlees en bloed. Vossenjachtrenners zijn buitencategorie. Ze deinzen werkelijk nergens voor terug en verteren wat de parcoursbouwer hun voorschotelt. In profkoersen worden vluchtheuvels verwijderd om het peloton veilig te laten passeren. In de vossenjacht zoekt men dit soort levensbedreigende situaties juist op. Een stuurbreed steegje wordt met vijftig per uur ingereden, een kniehoge brandnetelpassage door een weiland wordt lachend begroet, en als het nodig is wordt er afgesprint op het drukbevolkte perron van station Delft. De vossenjachtrenner is constant op zoek naar mogelijkheden zich af te scheiden van de groep, desnoods door een rood te licht te pakken en rakelings voorlangs een Convoi Exceptionnel te scheren.

Een Tourrenner weet zich gesteund door ploegmaten. In de vossenjacht is de renner alleen. Het complexe karakter van de vossenjacht wordt blootgelegd in situaties waarbij het individu moet samenwerken met concurrenten. Zoals bij de oversteek van de Vlaardingervaart per trekschuit. Woensdagavond 26 augustus leidt het parcours een 50-koppig peloton naar dit in vossenjachtkringen roemruchte handbediende pontje. Bij het naderen ervan stijgt de nervositeit. Officieel past er 10 man op het pontje. Geen plaats op de pont betekent een schier onoverbrugbare achterstand. Na een ziedende jacht naar de oversteekplaats (ligt het pontje klaar? Kan ik mee?) blijkt het pontje halverwege, bevaren door twee jongedames. Enkele vossenjachtrenners trekken verwoed het pontje binnen.

Ik kom bij de laatsten aan en weet dat een vossenstreek nodig is om op het pontje te komen. Een steigerbalk die over het zijdezachte water loopt, biedt mogelijkheden. Ik doe m’n fietsschoenen uit en wankel, met m'n fiets op de schouders, over de smalle balk. Voordat het pontje is aangemeerd, ben ik als een Somalische piraat aan boord gesprongen. Aan de wal ontstaat een Gallisch-Romeins strijdtoneel zoals je dat alleen in Asterix en Obelix ziet.

Als de stofwolken zijn opgetrokken, blijkt er 25 man op de ernstig naar links hellende pont te staan. Dat overhellen wordt veroorzaakt door een viertal renners dien zich vastklampen aan de bakboordzijde van het pontje. Aan de verkeerde kant van de reling, fiets op de schouder, de schoenen angstig dicht bij het water. Ik zie kettingsmeer op kleding, armen en kuiten die getuigen van de schermutselingen.

Aan boord ontstaat een feeststemming. De pontbevaarders achten zich kansrijk voor de overwinning. Ik draai, in toerbeurt met twee anderen, als een razende aan het wiel dat het pontje over de door het kanaal lopende kabel trekt. De groep aan de kant heeft intussen de krachten gebundeld en draait even hard aan de kabel met het wiel dat op de kant staat. In tegengestelde richting uiteraard. Halverwege de vaart komt de pont krakend tot stilstand. Hierop verplaatst de feeststemming zich naar de groep aan de wal, en komt tot een climax wanneer de kabel om een paal wordt geslagen. In ziedende vaart vertrekken de saboteurs om via de trambrug bij Schipluiden de oversteek te maken. Wij zijn gedwongen de pont weer terug naar wal te draaien. Een renner springt aan wal om de kabel vrij te krijgen – met het risico alleen achtergelaten te worden.

De kabel komt vrij, de renner is net op tijd terug aan boord voordat opnieuw als een bezetene aan het wiel wordt gedraaid. Tot aan de helft gaat het vlot. Daarna stokt het tempo. Met elke decimeter die de pont de wal nadert, neemt de samenwerking af. Wie het eerst op de wal is, heeft voorsprong. Iemand doet een halfhartige poging af te spreken om te wachten met rijden tot iedereen van boord is. Achterop de pont heerst hierover consensus, voorop regeert het opportunisme. Het poldermodel en de vossenjacht, ze zullen elkaar nooit vinden.

Ruim voor de pont de wal bereikt, maakt een renner zich stilletjes klaar voor een sprong naar de lonkende graskant. Hij wacht tot het moment dat hij denkt succesvol te kunnen deserteren. Een paar man heeft hem door, maar zij kunnen zijn jump niet verhinderen. Met fiets en al vliegt hij in volle glorie tussen pont en steiger, gadegeslagen door 24 renners die elkaar het licht in de ogen niet gunnen.

Het water klotst, de walkant lonkt. Iedereen voelt: dit wordt kantje-boord. De renner landt. Half tegen de walkant. Een halve seconde balanceert hij tussen hoop en vrees, en valt ten slotte achterover in het donkere water van de Vlaardingervaart. De zwaartekracht als Vrouwe Justitia. Er is nog gerechtigheid in deze wereld. Hoongelach is zijn deel. Zoals een ware vossenjachtrenner betaamt, herpakt de renner zich razendsnel. Hij klautert uit het water en zit toch nog ruim voor de rest op de fiets. Zijn natte plunje laat een kilometerslang druipspoor achter over het resterende deel van het parcours. Erg handig voor achtervolgers in het vinden van de juiste route.

Misschien ook daardoor finisht de groep saboteurs die was omgereden uiteindelijk nog voor ons. Euforie, teleurstelling, hoop en vrees, belazerd worden en mazzel hebben. Een normaal mens kan er een leven lang over doen om dit gamma te doorlopen. Terwijl één vossenjacht volstaat.

Deze column verscheen in Triathlon Sport - september 2009

donderdag 14 mei 2009

Bevlogen beginners

Pas geleden hebben zich twee nieuwe leden gemeld in onze trainingsgroep. Laten we ze Angelien en Maarten noemen. (Ter wille van de privacy zijn de namen gefingeerd). Angelien en Maarten zijn samenwonend. Zij komt uit het lopen, hij uit het uitgaanscircuit. Allebei zijn ze bloedfanatiek. Maarten fietst momenteel (we schrijven februari, het vriest en het sneeuwt) minstens drie keer per week, en vindt het de normaalste zaak van de wereld dat ’s avonds te doen. In deze periode. En dan niet een uurtje, maar minimaal twee, en als het even kan drie uur.

Zelf heb ik dat dus nooit gedaan, in de winter ’s avonds fietsen, maar de ijver van Maarten spoort mij aan om nu ook op winterse avonden hagelbuien en sneeuwstormen te trotseren. Maar dit terzijde.

Angelien is zover nog niet, maar het spreekt vanzelf dat zij niet werkeloos op de bank kan liggen terwijl Maarten zich buiten afbeult. Om de balans in de relatie (lees: trainingsopbouw) te houden, wordt Angelien daarom ten tijde van het vertrek van Maarten op de hometrainer geïnstalleerd. Die hometrainer staat aangesloten op de Tacx Virtual Reality Trainer. Ze heeft de simpele opdracht gesteld om 40 km te rijden. Angelien, onervaren in het rollenbanken, en al helemaal in het gebruiken van de Tacx apparatuur, kiest het standaard programma. Dat blijkt een Alpenetappe, met onder andere de 14 km lange klim naar Alpe d’Huez.

Maarten is inmiddels al weg, en Angelien begint aan het programma. Al snel komt ze erachter dat de Tacx het stijgingspercentage griezelig nauwkeurig simuleert. En dat die 40 km lang gaan duren. Het duurt niet lang voor ze zich begint af te vragen waar ze eigenlijk mee bezig is, en of dit nu wel zo leuk is. Elke rollenbankende triatleet herkent de situatie, en ik zou het aantal mensen dat voortijdig stopt niet graag de kost willen geven. Angelien valt dus niet onder de categorie opgevers, want ze maakt de training gewoon af.

(Hoe ik dit weet? Dit verhaal wordt de volgende avond tijdens het uitlopen met de groep gedeeld. Ik ben vol bewondering. Die groeit nog eens extra wanneer Maarten tijdens het rekken meldt dat hij na de baantraining nog gaat zwemmen. En dat zegt hij niet om indruk te maken, maar gewoon, om aan te geven dat-ie nog even het water in wil).

Zelden zag de triathlonwereld zoveel toewijding en opofferingsgezindheid.

Het fanatisme van Maarten en Angelien staat in schril contract met hun kennis en ervaring. Dat levert een potentieel dodelijke combinatie op. Op een koude zondagmorgen in januari waarop een schrale oostenwind hard waait, meldt Maarten zich bij een trainingsmaat: laten we hem Vincent noemen. Vincent, met zes jaar ervaring in de rugzak, ziet Maarten een nieuwe Specialized Epic uit de kofferbak tillen. (Gelukkig van aluminium, anders is Maarten al bij zijn debuut qua materiaal de evenknie van Vincent, en dat is natuurlijk niet de bedoeling.) Maarten, enthousiast lezer van een scala aan triathlonbladen, treedt aan in de meest actuele fietskleding. Zijn fiets blijkt uitgerust met allerlei meetapparatuur. Het geheel van man en fiets zou hoofden doen omdraaien in de incheckrij van Ironman Hawaii.

Vincents geoefende oog valt op een belangrijk detail: Maarten heeft maar één bidonhouder is gemonteerd. Vincent vraagt, voor alle zekerheid, wat er in die ene bidon zit, en of Maarten daaraan genoeg heeft gezien de voorgenomen rit van 90km. Volgens Maarten is één bidon voldoende, mede omdat er een water-Roosvicee cocktail in rondklotst.

Vincent doet nog een halfhartige poging om Maarten meer mee te laten nemen, maar ruikt ook kansen.

Het eerste uur rijdt Maarten, windje mee, lekker naast Vincent. De eerste tekenen van verval openbaren zich op het lange stuk tegenwind in de Hoeksche Waard. Maarten wordt steeds stiller, en gaat steeds meer in de luwte rijden. Vincent, die regelmatig met auteur dezes fietst, is bekend met dit fenomeen, maar dan is hij degene die in de lijdende positie zit. Vandaag kunnen de rollen worden omgedraaid. Promoveren van martelaar tot beul: hoe mooi kan het leven zijn?

Bij het stijgen van de ademfrequentie van Maarten – die trouwens, of hij zich goed of slecht voelt, altijd een grijns op zijn bakkes heeft, een prijzenswaardige eigenschap vind ik – versnelt Vincent geniepig. Een gaatje wordt een gat, en daarmee is Maarten definitief gelost. Vincent doet het vlekkeloos, op de manier die hij de afgelopen jaren van mij afgekeken heeft: net doen alsof je niet merkt dat je de ander aan het slopen bent, doordrukken op een gemeen stukje, en dan een kilometer later quasiverbaasd omkijken waar je trainingsmaat is gebleven.

Kijk, ook daarom is het goed vers bloed in de trainingsgroep te krijgen. Debutanten dienen te worden ontgroend, en hoe fanatieker ze zijn, hoe beter dat kan. Zelf pijn lijden geeft voldoening, maar iemand anders pijn laten lijden, dat is toch het leukst.

Deze column verscheen eerder in Triathlon Sport

zaterdag 27 september 2008

Onkwetsbaar

Vallen is een onvermijdelijk onderdeel van fietsen. Het is, wat mij betreft, een simpele statistiek: eens in de zoveel kilometer lig je ernaast. Achttien trainingsjaren vermenigvuldigd met een jaargemiddelde van drie valpartijen betekent dat ik de grens van vijftig gepasseerd zal moeten zijn. Meestal beperkt de schade zich tot schaafwonden, soms wat kneuzingen, en in een enkel geval hechtingen. Pijnlijk en lastig, maar meer dan een paar dagen het trainingsritme aanpassen kost het niet. Het aantal bijna-valpartijen is een veelvoud van het aantal daadwerkelijke: drie ontsnappingen had ik bijvoorbeeld tijdens de eerste fietstraining dit voorjaar op Tenerife. Elk van die drie had de potentie in het ziekenhuis te eindigen.

Mijn hersenen zitten raar in elkaar. Hoe meer ik ternauwernood ontsnap, hoe meer ik denk onkwetsbaar te zijn. Veel bijna-valpartijen houden verband met een eigenaardige gewoonte die ik heb opgedaan uit de periode dat ik met fietstellertje reed. Ik was geobsedeerd door de daarop constant getoonde gemiddelde snelheid. Onder geen beding mocht die zakken, zeker niet door oponthoud van medeweggebruikers. In die periode heb ik me aangeleerd om, zonder snelheid te minderen, drukke Hollandse dorpskernen op ten minste de gemiddelde snelheid te passeren, desnoods gebruik makend van het trottoir of van de smalle ruimte tussen voor het stoplicht opgestelde auto’s. Mede om deze reden rijd ik al tijden zonder tellertje. Die eigenaardige gewoonte is echter beklijfd, vele bijna-ongevallen ten spijt. Het punt is dat, hoe langer je zonder noemenswaardig letsel rijdt, hoe roekelozer je wordt. Gebroken had ik nog nooit iets, en een litteken meer of minder doet er op een gegeven moment ook niet meer toe. Tot een maand geleden was de botsing op een plotseling afslaande auto, in Zuid-Afrika, de val met de grootste gevolgen. Weke-delenletsel in de onderbenen betekende een aantal dagen rolstoel, gevolgd door een revalidatieperiode.

Onherstelbare schade had ik nog nooit gehad. Geen val is dezelfde, maar onbewust vergelijk je elke val met dè valpartij: die met onomkeerbare gevolgen. Vier augustus heb ik haar gehad. Bij Ridderkerk reed ik een dijk af en dook vol de 180 graden doorlopende bocht in. Toen ik door de bocht heen kon kijken, zag ik een auto tegemoetkomen, precies op de stippellijn die ik in gedachten had. In de twintig meter die me restten, heb ik bijgeremd en ben nog schuiner in de bocht gaan hangen. De bestuurder van de auto, die me op hetzelfde moment uit de bocht zag komen, is van me weggestuurd en is afgeremd. Daardoor heb ik de auto niet frontaal, maar aan de zijkant geraakt.

Nu, een maand later, begint duidelijk te worden wat de schade op lange termijn is. Mijn linkerschouder is zichtbaar verzakt en ziet eruit als een ingestorte ruïne. De twee breuken in het linkersleutelbeen zullen helen. De gebroken rib en gekneusde ribben zullen zich ook weer herstellen, en het schouderblad, dat nu is weggekanteld in de linkerrughelft, zal na revalidatie naar alle waarschijnlijk weer in de normale stand komen. Mijn linkerschouder, waar botfragmenten uit de kom zijn geslagen, zal hoogstwaarschijnlijk nooit meer worden zoals voorheen en moet geopereerd worden. Ik heb een diepe overtuiging straks alles weer te kunnen. Misschien moet ik de linkerarm anders overhalen, of voel ik m’n schouder tijdens de afdalingen op de mountainbike. Dat zal ik accepteren. Welke beperking ik ook mag hebben, zij zal ruimschoots gecompenseerd worden door de blijdschap en dankbaarheid dat ik straks überhaupt weer zal kunnen sporten.

Deze column verscheen eerder in Triatlon Sport.

zaterdag 21 juni 2008

zaterdag 24 mei 2008

De fiets, muziek, en poëzie

Afgelopen maand ben ik voor het eerst op en neer gefietst naar mijn nieuwe werklocatie. Barendrecht - De Lier, 30 kilometer, een uurtje. De dag ervoor heb ik de logistieke voorbereidingen getroffen. Een veelheid aan attributen (kleding, schoenen, douchespullen) en een bak lasagna (ter voorbereiding op de terugrit, waarin ik een flinke extra lus had gepland) kondigden mijn fietsplannen aan. Na het verkennen van de route naar de douches en de douchefaciliteiten was ik er klaar voor. ’s Anderendaags sta ik vroeg op, neem een stevig ontbijt en plug de iPod in de oren. Ik voel een lichte tinteling in de onderbuik. Geen beter begin van de dag dan in de frisse ochtendlucht op de fiets de wereld wakker zien worden. Bij het wegrijden merk ik dat er een grote slag in het achterwiel van m’n mountainbike zit. Daar word ik niet vrolijk van. Ik peuter de huissleutel uit m’n zadeltasje, verwissel m’n mountainbike voor de trainingsfiets, en ook nog eens m’n schoenen. Even later rijd ik alsnog weg. M’n humeur heeft een deukje opgelopen door deze vertraging, maar een blik op de voortkruipende rij auto’s op de A15 maakt me weer blij van geest. De benen zijn fris, de wind staat in de rug, en oranjerood ochtendlicht verdrijft de nacht. De random selectiekeuze uit de iPod versterkt het gevoel van vrijheid dat zich langzaam meester van me maakt: Wie dot mij wat, wie dot mij wat, wie dot mij wat vandage / ‘k heb de banden vol met wind/ nee ik heb ja niks te klagen. Ook Daniël Lohues kent de gevoelens van de wielrenner.

Ik passeer Rhoon, steek de A15 over, en slinger over landweggetjes en fietspaden naar de Beneluxtunnel. Daar is de fietser de mogelijkheid tot een klimmetje ontzegd, want de fietstunnel is slechts per roltrap of lift toegankelijk. Ik neem de roltrap en rijd naar de andere kant, ondertussen het gedicht van Jules Deelder ‘Voor Ari’ tot me nemend dat over de gehele lengte van de tunnel in de muur is getegeld: Lieve Ari / Wees niet bang / De wereld is rond / en dat istie al lang / De mensen zijn goed / de mensen zijn slecht / Maar ze gaan allen / dezelfde weg / Hoe langer je leeft / hoe korter het duurt / Je komt uit het water / en gaat door het vuur / Daarom lieve Ari / Wees niet bang / De wereld draait rond / en dat doettie nog lang. Intussen verwoorden The Talking Heads gedachten van dezelfde strekking: Well we know where we’re goin / But we don’t know where we’ve been / And we know what we’re knowin’ / But we can’t say what we’ve seen. Soms kloppen de dingen. Aan het eind van de tunnel wacht de roltrap naar boven. Onderaan de roltrap stap ik af op de mountainbikemanier: rechtervoet losklikken en naar de linkerkant brengen, linkervoet losklikken, afremmen. So far, so good. Nu alleen nog voet aan de grond zetten. Listige combinatie, Look-plaatjes en die ijzeren plaat onderaan de roltrap, bedenk ik me net voor het afstappen.

De gedachte is nog niet verdampt, of ik glij knalhard onderuit. Ik krabbel direct weer op in een poging m’n val te bagatelliseren. Daarbij schamp ik de noodstop, waarop de roltrap krakend tot stilstand komt. Het lange lint van medeforenzen dat onderweg naar boven was kijkt me boos aan. Zij moeten hun fiets naar boven tillen. Ik neem de lift en vlucht Vlaardingen-centrum in. Na het illegaal passeren van een zestal stoplichten rijd ik de parallelweg aan de A20 op. Dat is een slecht gelegde klinkerweg. Geïnspireerd door de beelden van de Ronde van Vlaanderen van afgelopen weekend besluit ik die hard te nemen. Geen menigte wilde Vlamingen hier als supporters, maar een weiland vol koeien die tot hun buik in de mist staan. Dit Hollands tafereel doet Vlaamse krachten in de benen vloeien. De benen stampen op de pedalen, ik stoot witte wolken opgewarmde lucht uit, en laat me voortdrijven op klanken van The Nits. Tekstflarden als ‘The moon is a coin with the head of the queen’ en ‘Follow the cloud that looks like a sheep’ echo-en de rest van de dag na in m’n hoofd. Om kwart over acht rijd ik De Lier binnen. Met de benen op spanning en muzikaal gevitamineerd weet ik me klaar voor de nieuwe werkdag.

Deze column verscheen eerder in Triatlon Sport

donderdag 7 februari 2008

Waarom triatlon?

Ben jij een triatleet? Doe je dan ook hele triatlons?! Triatleten die ontmaskerd worden op een verjaardagsfeestje herkennen deze vraag wel. Mensen associëren een hele triathlon met lang, zwaar en saai, dus waarom zou je zoiets uit vrije wil doen? Ook een insider als Karen Smyers zag de Ironman als gekkenwerk. Zij heeft gezegd dat de Ironman niet bevestigt hoe fit je bent of hoe snel iemand is, maar hoe dom je bent. Omdat je aan zulke onzin meedoet.

Een aantal jaar later won dezelfde Smyers Hawaii.

Er stroomt veel water door het Gooimeer tussen het punt dat mensen van een hele triatlon horen en zich er daadwerkelijk aan wagen. Je hoort ervan en denkt: ‘Dit is absurd en onmenselijk. Daar begin ik dus nooit aan.’ Maar het idee laat je niet los. Het begint met een kwartje, en op een dag sta je tot je eigen ontsteltenis zelf aan de start. Iedereen heeft zo zijn redenen om een hele triatlon te doen, maar weinigen hebben een bevredigend antwoord op de waarom-vraag. Voordat ik aangeef wat triatlon voor mij is, zal ik eerst een aantal misvattingen uit de lucht schieten om duidelijk te maken wat, in ieder geval voor mij, niet-redenen zijn.

Triatlon is niet…

…‘leuk’
Een gevatte collega zei eens dat kijken naar een hele triathlon zoiets is als het kijken naar het groeien van gras. Triatlon is nu eenmaal geen ‘leuke’ sport waar je kant en klaar vermaak gepresenteerd krijgt. Grote kans dat een triatleet je niet begrijpt als je ‘m vraagt waarom-ie het zo leuk vindt om zo lang op de fiets te zitten. Ik fiets niet primair voor m’n plezier, maar vanwege het afzien. Je gaat dus niet trainen vanwege het mooie weer (dat is trouwens wel mooi meegenomen), maar vooral omdat je trainen wilt. De beste herinneringen bewaar je vaak aan de dagen waarom de omstandigheden echt slecht waren. Om het lang vol te houden moet het je gaan om de sport zelf en niet om allerlei prettige bijkomstigheden, variërend van een betere gezondheid tot het genieten van de zon tijdens een duurritje. Er zijn immers makkelijker manier om je gezondheid te onderhouden of van de zon te genieten.
Je doet het ook niet voor het SBS6-achtige ‘grenzen verleggen’ vanuit het idee van een café-weddenschap. Het gebeurt uiteraard wel, maar dit zijn vaak niet de mensen die de sport dragen. ‘Omdat het er nu eenmaal is’ is een ander veelgehoord maar weinig bevredigend antwoord. Dat iets er is betekent nog niet dat je dat zou moeten doen.

…masochistisch
De kop van het Volkskrantartikel van Almere 2001 luidde: ‘Alleen echte masochisten doen nog hele triatlon’. Weer zo’n misverstand. Een masochist haalt bevrediging uit de pijn zelf. Ik ben nog niemand tegengekomen die zei van de pijn te hebben genoten. In dat geval zouden we na de finish lekker doorgaan om er extra lang van te kunnen genieten. Het gaat niet om het pijn lijden, maar om het beheersen en overwinnen van lichamelijk ongemak. Dàt geeft die enorme voldoening. Ons selectieve geheugen vergeet de pijn en bewaart alleen de goede herinneringen. Daarom moet je het ‘dit doe ik dus nooit meer’ van mensen direct na de finish niet serieus nemen, want het volgend jaar staan diezelfde mensen gewoon weer aan de start.
Er zijn dus talloze redenen zijn om niet aan triatlon te doen. Iedereen, ook de toppers, vraagt zich regelmatig af waarom je het niet kan missen. Veel mensen schrijven zich telkens weer in voor een Ironman, hoe onbegrijpelijk ze dat zelf ook vinden, finishen en, nog vreemder, doen het daarna gewoon nog een keer. Na Hawaii 1987 lag Mark Allen in de medische tent, helemaal kapot en met het gevoel dat maag en ingewanden in de knoop lagen. In vijf starts was hij pas twee keer gefinisht zonder te wandelen en hij had nog nooit een wedstrijd gehad die ging zoals gepland. Hij heeft zich toen serieus afgevraagd waarom hij ooit nog zou terugkomen. We weten inmiddels het antwoord: om die wedstrijd nog zes keer te winnen. Mensen beginnen er telkens weer aan beginnen om uit te vinden of ze het in zich hebben. Durf je de strijd met jezelf aan te gaan? Kan je het stemmetje dat je op de meest ongelegen momenten lastig valt met onoplosbare en ogenschijnlijk heel plausibele vragen het zwijgen opleggen? Des te vaker je de confrontatie met je alter ego wint, des te sterker je zal worden. Ik denk dat dit een heel belangrijke reden is van het telkens weer beginnen aan het proces dat Ironman heet – en daarmee zijn we aangekomen bij wat triatlon wel is.

Triatlon is…

…een emotionele reis
Naast een fysieke uitdaging is een hele triatlon vooral een geestelijk traject. Momenten van grote schoonheid worden afgewisseld met periodes van twijfel, verlatenheid en zwakte. Triatlon haalt het mens-zijn in je naar boven. Lance Armstrong omschrijft het begrip ‘menselijk’ als 'de eigenschap van mensen, ter onderscheiding van God of dieren of machines, met al hun zwakheden, waarin hun grootheid juist naar voren komt'. Je kan een triatlon ook zien als metafoor van het leven, waarbij het grote verschil tussen beproeving in sportevenementen en het echte leven is dat de eerste zelfgekozen is. Een triatlon doe je jezelf aan, een ernstige ziekte niet.
Het mooie van een triatlon is dat je jezelf kan verbazen doordat je veel meer blijkt te kunnen dan je voor mogelijk hield. Je twijfels en angsten ontdekken en overwinnen is één van mijn belangrijkste redenen om triatlon te doen. Een Ironman is lang en zwaar, maar geen gekkenwerk. Journalist Mike Plant schreef: 'the key in Ironman is that the degree of difficulty stopped just short of stupidity, after which the human spirit took over and made it all seem wonderful'. De afstanden lijken in eerste instantie zo absurd dat het voor debutanten erg confronterend is dat je echt elke meter van de in totaal 225,995 kilometer moet afleggen. Je onderbewustzijn gaat er stiekem vanuit dat ergens op het parcours een tent staat waar je even lekker kan gaan zitten en na een biertje en een videootje via een binnendoorweg weer een stuk verder op het parcours komt. Je kan veel zelfmedelijden voelen als tijdens de wedstrijd blijkt dat je echt alles zelf moet doen, en je leert op die momenten delen van je geest kennen waarvan je het bestaan nooit had vermoed.

Langzamerhand leer je dat het beter is om sommige mentale gebieden af te sluiten omdat daar alleen maar demotiverende, onoplosbare vragen uit opborrelen. Het helpt je niets je druk te maken over de regen, kou of wind of die marathon en de pijn die komen gaat. Je kunt je beter concentreren op het nu, zonder je druk te maken over wat is gebeurd of nog gaat komen. Een juiste instelling en voorbereiding garanderen helaas (of: gelukkig, want anders zouden we ons lot in eigen hand hebben) niet per sé een goede wedstrijd. Wel kan je zo met een opgeheven hoofd finishen – of zelfs uitstappen – omdat je zo goed mogelijk met de omstandigheden bent omgegaan. Een hele triatlon levert dus altijd wat op: zelfkennis, respect voor de omstandigheden, de wedstrijd en je mede-atleten. Dingen als een goede klassering of tijd zijn dan slechts een bonus. Niet altijd is de sterkste of de slimste overwinnaar, maar vooral degene die boven haar eigen natuur uitstijgt.

…trainen
Om een hele te kunnen doen moet je trainen. Escapisme is de generieke verklaring voor de aantrekkingskracht van duursporten in het algemeen. Het betekent simpelweg dat je in trainingen aan de alledaagse verplichtingen kan ontsnappen door de confrontatie met basale dingen als pijn, kou, wind en honger. Het omgaan met de omstandigheden en de primitieve gevoelens die daarmee gepaard zijn dan je enige beslommering, waardoor je problemen even vergeet en beter kan relativeren.

…voor speciale mensen
Zo langzamerhand ontstaat het beeld dat triatleten wel supermensen moeten zijn om zich aan zoiets als een hele triatlon te onderwerpen. Dat is natuurlijk niet zo. Zo’n evenement trekt een bepaald type mensen aan, mensen met een bepaalde afwijking die niet per definitie tot goede dingen leidt. Triatlonpionier Mark Montgomery zei eens dat de Ironman niet interessant is voor de gemiddelde mens. Die denkt dat het gekkenwerk is en legt het naast zich neer. De Ironman trekt mensen die anders zijn, iets buitengewoons hebben. Hij vergelijkt het met de mensen die zich in Australië of Amerika vestigden. Dat was uitschot en bestond vooral uit mensen die niet pasten en weg moesten uit de westerse wereld.
De Ironman is ook zoiets. Het trekt vrijbuiters, het soort mensen die een beschaving kunnen opbouwen - of vernietigen. Het is natuurlijk absurd dat elk jaar 1500 mensen elkaar opzoeken op één van de minst geschikte plaatsen ter wereld om daar met zichzelf en elkaar de strijd aan te gaan. Dit geeft een gevoel van verbondenheid, omdat iedereen, topper of amateur, aan dezelfde omstandigheden wordt blootgesteld. Het is heel speciaal daar deel van uit te maken en verklaart de bijna sekte-achtige sfeer die rond Hawaii heerst.

…bewondering hebben en emotie voelen
Het waarom van het ‘doen’ is één ding, maar waarom zou je naar een triatlon gaan kijken? Je moet er niet heengaan met het idee iets te zien als een prachtig doelpunt, een schitterende dunk of een perfecte homerun. Kijk in plaats daarvan in de ogen van de mensen die binnen komen en luister naar hun verhalen. Een stukje uit Jan Siebelinks “Pijn en genot” over een episode uit een Tour de France om dit toe te lichten: 'Jan Siemons kwam op tijd binnen. Zijn gezicht zat onder smerig vet, vies zweet bedekte zijn lippen. Uit een gewonde hand sijpelde bloed. Zijn gezicht met ‘ogen van elders’ drukte niets meer uit, was al lang voorbij de staat waarin men zich moe of leeg of uitgeput voelde. Zoveel schel licht, zoveel lawaai opeens deden hem wankelen. Hij moest zich fragiel voelen, als een vlinder op zijn eerste vlucht na de metamorfose. Ik betrapte mij erop in grote opgetogenheid de buitengewoon dramatische gebeurtenis te beleven van een moeder (Jan Siemons moeder, BF) die, van afstand, met een glimlach, opnieuw de geboorte van een zoon gadeslaat. Niet omdat ik van het lijden houd, maar omdat ik misschien voor het eerst van mijn leven besefte bij een sportevenement echt medelijden en echte bewondering te kennen.'

…iets wat je zelf moet ondervinden
Hoe je het ook wendt of keert of romantiseert, de hele triatlon blijft een groot avontuur met een onzekere afloop. Je kan op de finish zowel huilen van blijdschap als van frustratie. Daarom is de voor mij beste reden om Ironmans te blijven doen die van xtri.com-columnist Bob Mina: 'Knowing that when you wake up at 4:00am, the next time you go to bed you will be a VERY different person.'

Dit artikel verscheen eerder in Triatlon Sport.

vrijdag 7 september 2007

Dig Me Beach

Zelfs een leger creatieve tekstschrijvers zou niet met een betere naam kunnen komen voor het strandje waar Ironman Hawaii start: Dig Me Beach. Associaties met zware veldslagen, bombardementen (Pearl Harbor!) en allerhande vreselijke oorlogshandelingen dringen zich op. Op tijd in het water liggen schijnt het enige te zijn waar je je voor de start echt zorgen over moet maken. Er loopt namelijk maar één smalle, lange trap van de Pier naar het punt waar je te water kunt.

Hoe vertaal je dat eigenlijk, Dig Me Beach? De eerste mogelijkheid is De Baai Van Het Zwoegen. En gezwoegd heb ik om hier aan de start te kunnen staan. Sinds m’n debuut in 1990 trainde ik een kwart miljoen kilometers. Daar zaten heel mooie bij, maar de eerlijkheid gebied te zeggen dat de meeste bestonden uit een combinatie van tegenwind, zere benen en regenbuien. De halve wereld ben ik overgevlogen om me voor Hawaii te kwalificeren. Na zes kwalificatiepogingen heb ik dit voorjaar dan eindelijk m’n startbewijs veroverd. Dig Me Beach kan ook worden vertaald als De Oever Van Overpeinzingen. Ik denk terug aan Ironman Brazilië in 2002 waar ik ben uitgestapt. Ik was geweldig in vorm, lag op koers voor Hawaii-kwalificatie, maar reed als een zielloze rond. Totaal vervreemd van waar het me allemaal om was begonnen, als een robot schema’s en wedstrijden afwerkend. Het vuur van plezier en de vrijheid was gedoofd door het slaafs volgen van trainingsschema’s en wedstrijdplanningen. Ik ben uitgestapt, en wist niet meer of ik ooit nog triatlons zou doen. Dig Me Beach is ook Het Strand Van Opgravingen. De dollars die ik in een overmoedige bui alvast in Brazilië had gekocht om m’n slot te betalen heb ik altijd bewaard. Omdat ik Hawaii-deelname niet kon loslaten. Een week voor Ironman Lanzarote, in mei dit jaar, vond ik die dollars in een oude portemonnee, ergens achterin in een bureaula. Met die dollars heb ik mijn inschrijvingsgeld betaald. Dig Me Beach - drie woorden, voor elk onderdeel één.

Na de trap het water in, positie kiezen, en starten. Zwemmen zoals zwemmen bedoeld is, zonder wetsuit, in de lauwwarme Stille Oceaan, met onder je een aquarium vol buitenissige, bont gekleurde vissen. Om je heen de beste triatleten ter wereld waarmee je vecht om de goede posities. Wisselen op de Pier, ritme zoeken, op weg naar de desolate en kaarsrechte Queen Kaahumanu Highway, langs de illustere 7 Eleven die ik hoop te herkennen uit verhalen van hen die mij voorgingen. Dan, hopelijk gegangmaakt door een hete rugwind, door de aszwarte lavavelden op weg naar de van de hitte trillende horizon waarachter ik Hawi weet. Daar ligt het keerpunt. Hier ergens schijn je getest te worden door de ho’ o mumuku, een harde wind die continu van richting verandert en je van de fiets probeert te blazen. Ik vrees de laatste veertig kilometer die in mijn beleving een mix is van rugpijn, tegenwind en een zeurende pijn in de benen. De tweede wissel, en beginnen aan een marathon in de bloedhitte. Onzeker ben ik over hoe ik me dan voel. Ik hoop dat de Killing Fields rond Energy Lab me sparen, en dat de beklimming, net voor de finish, van Pay ‘n’ Save Hill niet zo zal voelen als ik denk dat hij voelt. En dan finishen, op de illustere Alii Drive. Niet kruipend, zoals Julie Moss, maar met een sprongetje. Omdat ik zal hebben afgemaakt waar ik achttien jaar geleden aan ben begonnen.

Deze column verscheen eerder in Triatlon Sport.

donderdag 10 augustus 2006

De pijn na de strijd

Op de internetpagina van Telesport wordt zaterdag 26 augustus om 16:24 het volgende bericht geplaatst:

De 26e Holland Triatlon was zaterdag het bijnummer van het Europees kampioenschap lange afstand, maar kreeg door de bizarre ontknoping alsnog predikaat hoofdact. Want ook nummer twee Bert Flier kwam zo kapot over de finish in Almere Haven, dat hij lange tijd moest bijkomen in de medische post. Artsen spraken van totale uitputting. „Ik denk dat deze atleten elkaar in de strijd om de winst over het randje hebben geduwd”, zei een arts van de organisatie. „Maar deze atleten zijn goed getraind en kunnen een stootje hebben. We hebben ze even rustig bij laten komen”.

Ten tijde van dit schrijven lig ik op een brancard in het veldhospitaal van de Holland triatlon. Direct na de finish ben ik door m’n benen gezakt en hierheen gebracht. Ik inventariseer de opgelopen schade. Mijn hoofd bonst, ik voel me koortsig en mijn waarneming is wazig. Zweet druipt in een open schaafwond in de nek, opgelopen bij het zwemmen. Ook onder de oksels voel ik een schurende pijn. De nieren steken, mijn maag is wee en van streek. Daaronder kronkelen m’n darmen zich een pijnlijke weg door de onderbuik. Ook de liezen zijn opengeschuurd, en bloed druipt uit een korst op de knie van een recente valpartij. Ik zie dat twee teennagels paarsblauw zijn geworden door het voortdurende schuiven in m’n wedstrijdschoenen.

De pijn in de benen overstemt echter al deze signalen. Ik houd m’n hand een decimeter boven m’n benen en voel de hitte ervan afstralen. De beenspieren zijn beurs en geven het idee urenlang met stokken te zijn geslagen. De doffe, niet te ontkennen pijn straalt door tot in de botten. Hoe langer ik lig, hoe erger de pijn wordt: de endorfinen ebben weg. De kuiten, quadriceps, peesplaten en hamstrings trillen onophoudelijk en oncontroleerbaar. Van een fysiotherapeut begrijp ik later dat dit zogenaamde fasciculaties zijn, omschreven als naschokken na een intense spierarbeid. Op Wikipedia leer ik dat de waarschijnlijke oorzaak microscopisch kleine traumata van de spier zijn.

Een verpleegster tracht de benen met een oppervlakkige massage te ontspannen, maar tevergeefs. Ik onderga nu de afrekening van mijn achteneenhalf uur lange kruistocht, en heb het maar te verdragen. Het liefst zou ik uit m’n lichaam kruipen. Ik zoek afleiding en kijk om me heen. Op de brancard naast me ligt nog iemand. Het is Max Longrée, de man die me vandaag voorging op de finish. Hij is er zo mogelijk nog slechter aan toe. Direct na de finish verloor hij het bewustzijn, en is een vol kwartier weg geweest. Een leeg infuus bengelt boven zijn hoofd, en ik zie dat hij een volgende zak krijgt toegediend. Ik kan een grijns niet onderdrukken. Daar liggen we dan, de nummers één en twee. Tot niets meer in staat. We wisselen een paar woorden met elkaar. Het is niet veel, en ik herinner me niet precies wat er gezegd is, maar wel dat er een gevoel van wederzijds respect heerst. Ik word een vreemd soort van trots en voldoening gewaar. Het is de trots en voldoening die je voelt wanneer je tot op de limiet van je kunnen bent gegaan, en je tot precies de finish op de flinterdunne grens lijn tussen buigen en barsten hebt weten te balanceren. Om dat te kunnen, moet je fysiek en mentaal top zijn, maar ook een gelijkwaardige tegenstander hebben. De wetenschap zojuist terrein te hebben betreden waar maar weinig mensen geweest zijn geeft een enorme voldoening. Een hele triatlon is voor mij in de eerste plaats een strijd tegen jezelf, bijna een vorm van loutering. Die strijd ben ik vandaag beter doorgekomen dan ooit tevoren. Dat besef is de pijn meer dan waard.

Deze column verscheen eerder in Triatlon Sport.

zaterdag 20 mei 2006

Reünie

Mijn triatlonseizoen startte dit jaar in Woerden. Ik was ruim op tijd aanwezig vanwege een nobel streven me grondig en zonder stress voor te bereiden. Idealiter schrijf ik me als één van de eersten in, verken het parc fermé, rijd een uurtje in, bekijk de looproute en de finishsluis en doe wat kunstjes met m’n springtouw om daarna op tijd in het water te liggen om aan de temperatuur te wennen. Fantastisch mooi plan, maar kansloos qua uitvoering natuurlijk. In de honderd meter tussen inschrijving en parc fermé kom ik (ik heb het nageteld) zeker tien mensen tegen die ik al minstens een half jaar niet gesproken heb. Dan probeer je in twee minuten uit te vinden hoe het gaat en krijg je, afhankelijk van de geestesgeneigdheid van de ander, een update. Dat varieert van hoe er getraind is, materiaal- en sponsorwissels, en verhuizingen tot relationele wijzigingen.

Over die 100 meter deed ik dus een half uur en dat vond ik erg snel. Tijdens het infietsen heb ik me maar snel buiten de stadskern begeven om toch nog iets van een warming-up te kunnen doen, maar terug in het parc fermé herhaalt het hele ritueel zich weer. Na de finish gebeurt weer hetzelfde. Uit alle hoeken en gaten komen mensen tevoorschijn met wie ik in een meer of minder recent verleden heb gestreden in een wedstrijd, of duiken er ineens oud-collega’s of kennissen op die blijken te zijn verhuisd naar deze stad en die hebben gehoord dat je start. ’t Is qua warming-up en cooling-down misschien niet ideaal, maar ik zou het zeker niet willen missen. Het blijft altijd leuk om te horen hoe anderen de winter zijn doorgekomen en te zien hoe het product van geliefden die zeven seizoenen geleden schoorvoetend werden geïntroduceerd nu papa’s fiets mogen vasthouden.

Misschien verklaart dat sociale aspect ook waarom je telkens maar weer gezichten van vroeger terug ziet bij de wedstrijden. Triatlon is (voor mij in ieder geval) een vrijblijvende sport die je zelf hebt uitgekozen en waarbij je even helemaal los komt van de dagelijkse beslommeringen. Bij wedstrijden tref je mensen die jouw passie delen. Dan is bijpraten en oude verhalen ophalen erg leuk. Ons selectieve geheugen verdringt de pijn en ellende van vroegere wedstrijden en verhalen over heroïsche trainingen winnen elk jaar weer aan glans. Wat dat betreft hebben die openingswedstrijden eenzelfde sfeer als een schoolreünie: wie zouden er allemaal zijn, hoe zijn mensen terecht gekomen zijn, en hoe was het vroeger? Groot verschil is dat de schoolperiode voor de meesten van ons afgelopen is, en kunnen wij nog elk weekend een hoofdstuk aan ons triatlonverhaal toevoegen.

Deze column verscheen eerder in Triatlon Sport.

donderdag 8 september 2005

Restanten van vorm

Mijn nieuwe PR van dagen-achter-elkaar-zonder-trainen heb ik afgelopen maand opgerekt naar 9 dagen (was 4). In die periode is m’n calorie-inname tot de helft verminderd (scheelt heel veel boodschappen), blijk ik met 6 uur slaap ook goed te kunnen functioneren (in plaats van de broodnodige 10 uur na een zware trainingsdag) en heb ik zeeën van tijd. In zo’n periode realiseer je je pas goed wat een beslag het trainen op je leven legt. Maar ja, na meer dan een week niet trainen komt de leegheid van het leven-zonder-sport genadeloos op je af. Ik krijg het idee met een soort van onthouding bezig te zijn, zeker met de mooie nazomer van dit jaar. De tiende dag kan ik me niet meer beheersen, trek de loopschoenen aan, en huppel even later frank en vrij door de Barendrechtse polders.

Dat huppelen vergaat me al snel, want m’n uitgeruste sporthard klopt als een razende bij een zeer gering tempo. Angst bekruipt me. Ik weet wel dat ik niet meer in supervorm ben, maar het kan toch niet zo zijn dat je in negen dagen alles verliest? Op zulke momenten realiseer je je me hoe hard je moet werken om in vorm te komen, en hoe lekker het is om in vorm te zijn. Gaandeweg herinnert m’n hart zich hoe het behoort te functioneren tijdens inspanningen en kom ik steeds beter in het ritme. Vanuit de polders loop ik weer Barendrecht binnen en moet stoppen voor een verkeerslicht, samen met drie meisjes die op weg zijn naar school. Ik neem me voor de verleiding te weerstaan om te proberen ze bij te houden – geen tempowerk vandaag, nergens voor nodig. Het verkeerslicht springt op groen, de meisjes passeren me en ik laat ze lopen. Na een paar honderd meter merk ik dat het gat niet groeit, omdat ik ongemerkt ben versneld. Het bloed kruipt weer eens waar het niet gaan kan. Ik vind dat ik eigenlijk best wel lekker loop, en kom heel geleidelijk dichterbij. De wind staat hard tegen en de meisjes trappen zich het schompes. De loper is in het voordeel in deze omstandigheden en ik ruik m’n kansen. Net als ik het groepje heb bijgehaald, buigt de weg onder een viaduct door. Het groepje rolt zo van me weg.

Uw columnist versaagt echter niet en bewerkstelligt dijkopwaarts weer de aansluiting. Dit patroon herhaalt zich nog twee keer bij andere viaducten, en ik begin steeds meer onder stoom te komen. Aan het eind van de derde klim zie ik de meisjes naar een megagroot verzet schakelen in een poging elkaar te lossen – mijn wedstrijdachtige inspanningen inspireren blijkbaar. Na drie Petacchi-achtige pedaalslagen komen ze erachter dat de combinatie heuvelop-tegenwind-groot verzet niet ideaal is, en het groepje valt helemaal stil. In een vlaag van verstandsverbijstering initieer ik een demarrage en laat het groepje m’n klapperende hielen zien. M’n kamikazeactie oogst bewondering: in het voorbijgaan prijst het groepje mijn, in hun ogen onvoorstelbare, loopvermogen en bekritiseert hun eigen fietsende onvermogen. Mijn dag is weer goed. Want wat is het toch fijn / om toch nog een beetje in vorm te zijn.

Deze column verscheen eerder in Triatlon Sport.

donderdag 7 juli 2005

Meer avontuur!

Ergens op een strandje op Oahu heeft zich, in de vroege ochtend van 18 februari 1978, het allereerste officiële groepje triatleten ooit verzameld. Gelokt door een poster waarop staat ‘Swim 2.4 miles, Bike 112 miles, Run 26.2 miles. Brag for the rest of your life’. Niemand heeft dit ooit gedaan, niemand weet of dit kan. Topsporters staan niet aan de start, maar de meesten weten heelhuids te finishen. Ondanks – of dankzij – de afschrikwekkende opdracht groeit het evenement de jaren daarna fors. In de overtuiging dat het om een meerdaagse wedstrijd gaat verschijnen sommige deelnemers met fietsen voorzien van zijtassen met kampeeruitrusting aan de start. Ook de ondersteuning is amateuristisch: het komt voor dat, bij gebrek aan alternatieven, tijdens de wedstrijd bier wordt overhandigd ter lessing van de dorst, wat van trottoir tot trottoir zwalkende atleten oplevert.

Finishers krijgen een hole-in-the-head trofee. Zelfgemaakt door geestelijk vader John Collins. Tom Warren, winnaar in 1979, laat zijn trofee zien in een TV-show. Wanneer het stukje nijvere huisvlijt door de presentator ter nadere inspectie wordt omgedraaid, zegt hij: ‘Do you know there’s a screw missing?’ – subtiele verwijzing naar een vermoed mentaal defect bij de heer Warren. Inmiddels heeft de sport zich ontwikkeld. We zwemmen in hydrofobe wetsuits, rijden op aërodynamische fietsen in lange colonnes van verzorgingspost naar verzorgingspost waar we onze speciaal geprepareerde bidons aanpakken. We trainen volgens tot in detail uitgewerkte trainingsprogramma’s, worden ergonomisch verantwoord op de fiets gezet, en meten onze hartslagen, afstanden en verbruikte calorieën. Het Haribo-verhaal ten spijt hanteer ook ik de digitale weegschaal om, als een moderne druïde, tot op de gram nauwkeurig de als ideaal beschouwde verhouding koolhydraten-wei-eiwit af te wegen.

Triatlon is verworden tot een wetenschappelijk geplande exercitie. We moeten vooral ons voordeel doen met alle opgebouwde kennis, maar de oorsprong van onze sport niet uit het oog verliezen. Want zeg nou eerlijk: wanneer was de laatste keer dat je een trainingsdag hebt gehad waarvoor je zenuwachtig was omdat je niet wist hoe en wanneer-ie zou aflopen? Voor mij was dat 28 maart 2006, toen ik om 8 uur ’s ochtends vanuit Playa del Ingles per ATB vertrok om via obscure, onverharde binnenweggetjes naar de Pico de las Nieves, het hoogste punt van Gran Canaria, te rijden. Met licht verhoogde hartslag stond ik op. Ik had geen idee of de stippellijntjes op de kaart inderdaad te berijden waren, of ik de afdalingen zou overleven, en waar ik eten en drinken zou kunnen krijgen. Het werd één groot avontuur met allerhande verrassingen en navigeerfouten, dat uiteindelijk pas om zes uur ’s avonds eindigde. Na het avondeten heb ik, waarschijnlijk onder invloed van de endorfinen, nog anderhalf uur gelopen en de zon in de zee zien zakken. Het werd m’n mooiste trainingsdag van het jaar. Daarom: breng het avontuur terug in de training. Maak van die veertig kilometer van werk naar huis een lange duurloop, zwem dat binnenwater nu eens niet in de breedte maar in de lengte en terug, of fiets eens naar je familie die 250 km ver woont. Begin aan iets waarvan je het einde niet ziet. Gegarandeerd dat het een dag oplevert die je je lang zal heugen.

Deze column verscheen eerder in Triatlon Sport.

zaterdag 2 april 2005

Geconditioneerde reflex

Russisch psycholoog Ivan Pavlov heeft de belangwekkende ontdekking gedaan dat het voeren van honden, vergezeld met het luiden van een bel, na verloop van tijd leidde tot het aanzetten van het kwijlsysteem van honden puur door het horen van het belsignaal. Dit wordt ook wel het Pavlov-effect, of de geconditioneerde reflex genoemd. Voor deze belangwekkende ontdekking ontving Pavlov de Nobelprijs. Mijn ervaring is dat er niet per sé een grote herhaling van een stimulus nodig is om een, in dit geval sportende, mens te conditioneren. Eén grote, bijvoorbeeld levensbedreigende, ervaring kan al voldoende zijn.

Op een zonnige lenteochtend ergens in april doorkruis ik met een groepje lotgezellen de Algarve. We zijn op trainingskamp, en er is geen beter begin (noch middenstuk, noch einde) van een trainingsdag dan een goed gedoseerde training. Soepel pedalerend warmen we onze benen op, genietend van het ochtendrood, optrekkende mist en ontwakende dorpjes. De wielen zoeven over het asfalt, vogels scheren door de lucht en alles is pais en vree. Wanneer we Monte Gordo naderen, passeren we een omheind stuk bos waar een soortement van Portugese boswachter zijn twee Rottweilers uitlaat. Het zijn prachtige, goed getrainde dieren en hun glanzende vacht bulkt van de spierbundels. Ze kijken pienter, doch tevens agressief uit de ogen, hebben blikkerende tanden en dragen (niet gelogen) leren halsbanden voorzien van metalen spijkers. De dapperen onder ons jennen de honden op. De bevelen van de Portugees negerend zetten ze alras de achtervolging op ons in. Wij weten ons heerlijk veilig achter het twee meter hoge hek en verbazen ons over hun grote conditionele vaardigheden. De Rottweilers janken door het bos met een snelheid van ergens in de twintig. Wij vermaken ons opperbest, maar de honden raken steeds gefrustreerder over de onmogelijkheid hun tweewielerende prooi te attaqueren.

Dan komen we bij de T-splitsing aan het eind van de weg, waar we rechtsaf slaan richting hotel. De honden achtervolgen ons nog steeds. Ik kijk nog even vol dankbaarheid naar het hek en zie dan opeens dat onze veilige barrière aan deze kant van het bos ophoudt. De Rottweilers rennen de weg op en ontwikkelen een fantastische snelheid. Vanuit m’n diepten rijst een oerkreet op en de vrijkomende adrenaline resulteert in een sprint die Mario Cipollini reduceert tot een peuter op driewieler. Ik sprint kop van de groep en besef al snel dat niet ik, maar de achtersten als eerste zullen worden neergehaald. Boven het woeste blaffen van de Rottweilers hoor ik een bus toeteren. Wanneer ik achterom kijk om te zien wat er allemaal gebeurt, zie ik eerstens een stel als een idioot sprintende en zeer angstige triatleten, vervolgens nog één bloeddorstige Rottweiler – de andere loopt zwaar verzuurd uit in de berm – en weer daarachter een fel claxonnerende bus. Dan moet ook de meest lactaattolerante Rottweiler het opgeven.

Uiteindelijk blijkt in dit experiment niet zozeer de honden, maar schrijver dezes heftig geconditioneerd te zijn door deze intense ervaring. De rest van het trainingskamp zag ik Pavlovs theorie zichzelf telkenmale bij het ronden van die bocht bevestigen door een sterk stijgende hartslag, hevig zweten en een sterke aandrang tot versnellen.

Deze column verscheen eerder in Triatlon Sport.

dinsdag 21 oktober 2003

Vertwijfeling

Het is donderdagochtend 28 mei 2003, zeven uur in de ochtend. Ik ben in Lagoa de Conceiçao, een plaatsje op het eiland Forianopolis voor de kust van Brazilië. Ik ben klaarwakker en probeer mijn gedachten op orde te krijgen. Afgelopen zaterdag ben ik uitgestapt tijdens de Ironman van Brazilië. Halverwege het fietsen. Op het moment dat ik alles voor het grijpen had waar ik al meer dan een decennium voor leef, werk, en train: een topklassering in een Ironman, WK-Hawaii-kwalificatie bij de professionals; het bewijs voor mezelf dat ik het kan. Ik stapte uit omdat ik moest toegeven dat al de dingen waar ik zo naar het gestreefd, me niets meer zeggen.

Twijfels en negativiteit beheersen m’n gedachten. Of ik het nog wel leuk vind. Blijkens mijn uitstappen niet. Waarom ben ik het plezier kwijtgeraakt? Wil ik mijn leven blijven inrichten rondom triatlon? Zal ik ooit weer aan de start staan van een triatlon? Wat voor zin hebben de afgelopen jaren gehad? Was zaterdag het einde van mijn sportleven? En als dat zo is, is het dan goed geweest? Mag ik tevreden zijn met wat ik heb bereikt, en met hoe ik dat heb bereikt? Of heb ik zaken laten liggen? Vind ik de sport überhaupt nog leuk? Vraagt het niet teveel en geeft het te weinig? Hoe zou het leven eruit zien zonder het ritme en discipline van de dagelijkse trainingen? Kan ik daarbuiten? Wat zijn de alternatieven? Wie ben ik zonder de triatlon?

Sinds het uitstappen heb ik niets méér gedaan dan even het water induiken tijdesn een wandeling langs het rimpelloze koelblauwe binnenmeer waaraan Lagoa ligt. Ik stap uit bed, ben besluit m’n loopspullen aan te trekken. Om te gaan lopen.

Over de dijk die het binnenmeer, waaraan Lagoa ligt, in tweeën deelt, loop ik richting Joaquina Beach. Ik vraag me af wat me bezielt. Dit had het moment kunnen zijn om te genieten van een perfect uitgevoerde wedstrijd. Om plannen te maken voor de toekomst. Te dromen over Hawaii. Ik ben verward en weet niet wat te denken. Bij de duinovergang naar Joaquina Beach houd ik stil. En daar sta ik dan. Duizenden kilometers weg van Nederland. Alleen. In het stuifzand. Te kijken naar de uit de zee rijzende zon waarvan de stralen worden gefilterd door de mist golven die breken op het strand dat zich onder me uitstrekt. Vol met vragen, verstoken van antwoorden. Te denken over hoe het had kunnen zijn en niet weten hoe het verder zal gaan. De twijfels en emoties dreigen me te overmannen.

Om mezelf niet zielig te gaan vinden, ga ik maar weer lopen. Het strand ligt er, op enkele rondscharrelende vogels en een paar vroege golfsurfers na, verlaten bij. Ondanks m’n labiele gemoedstoestand loop ik makkelijk. Een cynische gedachte vormt zich: als je hebt getraind en getaperd voor een Ironman, maar halverwege uitstapt, dan is het logisch dat het makkelijk gaat. Ik besluit het cynische te negeren en m’n goede fysieke vorm maar te zien als een bonus voor al het harde werken.

Niet gehinderd door enig tijdsbesef – m’n horloge ligt nog in de pousada – besluit ik het strand tot het einde toe af te lopen en te proberen via het binnenland weer terug in Lagoa proberen te komen, alhoewel ik niet weet of dat kan. Aan het eind van het strand vind ik, na een paar mislukte pogingen, een paadje dat door de duinen voert. Ik kom uit in een dorpje en vraag of ik binnendoor naar Lagoa kan. Dat schijnt te kunnen, maar dat is nog tien kilometer vanaf dit punt. Ik begin plezier te krijgen in m’n onderneming en geniet van de golvende weg die door het groene binnenland voert. Floripa is wakker geworden en her en der zijn de Brazilianen bezig hun dagelijkse werkzaamheden op te starten. Ik been steeds harder gaan lopen en jaag nu in wedstrijdtempo over de weg. Mensen kijken me na wanneer ik passeer.

Ik weet niet precies waar ik ben, hoe ver het nog is, en of ik wel de juiste route volg. Dat maakt ook helemaal niet uit. Ik besef dat ik me in m’n element voel en terug kom tot mezelf. Ik doe dit gewoon erg graag. Gewoon, hardlopen om hard te lopen, alle twijfels vergeten en opgaan in dit moment van overgave.

Wanneer ik terug in de pousada onder de douche sta, besef ik dat ik op veel vragen misschien nooit een antwoord zal vinden. Eén antwoord heb ik wel: ik houd nog steeds van lopen, houd nog steeds van trainen, houd nog steeds van sporten. Ik heb geen wedstrijden, trainingsschema’s of wat dan ook nodig om van de sport te genieten. Trainen om te trainen is me voldoende. En is dat niet ultiemer dan welke manier van sportbeleving ook?