Tussen Kerst en Oud en Nieuw 2010 organiseer ik een trainingsstage in Elst (zie www.tri-experience.com voor meer informatie). In de voorbereiding daarop stuit ik op een verslag van een stage die ik in 2003 in Hofstade deed. Om alvast in de stemming te komen.
Over pierkes, torpedo’s, verloren portemonnees, en andere avonturen
Entree
De organisatie is al volop bezig het sporthotel voor te bereiden op een legioen van 52 zwemmers en 12 triatleten. Het hotel is deze dag gebruikt voor de organisatie van een UCI cyclocross, waarvan de her en der door het hotel opgehangen bordjes stille getuigen zijn: Medische Commisie, Persruimte, Inschrijfbureau, Dopingcontrole. Ik ontvreem het bordje Dopingcontrole en plak het op de deur van mijn kamer. Opdat men mij en m’n kamergenoten weet te vinden.
Pierke
’s Avonds gaan we op bezoek bij het Belgisch triathlonfenomeen Rudi Stroobants. Ter verhoging van de stemming dient het hotel nog in kerstsfeer gebracht te worden. Er is van alles meegenomen uit Nederland, maar we enkele essentiële attributen. Voor de kerstverlichting hebben we een verlengsnoer nodig, maar daarvoor schiet de contactdoos van het hotel vanwege incompatibiliteit met de Nederlandse stekkers tekort. Tessa van de organisatie legt het probleem uit en wordt vervolgens getrakteerd op een zinsnede in de trant van ‘O, dan moeten we een ander pierke nemen’. Tessa blikt verbaasd en niet-begrijpend in het rond, maar treft in onze ogen dezelfde niet-begrijpende blik. Pierke ontbreekt in ons hollands vocabulaire. Nog steeds ben ik niet zeker of het nu stekker, contactdoos of wellicht lamp (peertje?) betekent.
Torpedo’s
’s Anderendaags word ik in de ochtendvroegte op brute wijze uit een diepe slaap gehaald. Een vers gearriveerde kamergenoot slingert met veel kabaal drie volumineuze sporttassen de kamer in. Tsja, als je in vier dagen tijd twaalf trainingen gaat afwerken heb je nogal wat materialen nodig.
Vandaag staan er twee zwemtrainingen en een looptraining op het programma. De ochtendlijke zwemtraining is een oefening in leedvermaak. Vandaag zijn er veel nieuwelingen, en die worden getest. Niet om zwemvermogen (wij kennen onze beperkingen) maar op het vermogen een uit 15 onderdelen bestaand inzwemprogramma na één keer noemen zonder haperen uit te voeren. Bij het opnoemen van het gevarieerd inzwemprogramma vang ik nogal wat hulpverlangende blikken op. Daarna worden de nieuwelingen voor het eerst blootgesteld aan allerhande techniekoefeningen. Met gestrekte of gebogen armen zwemmen lukt de meesten wel, maar wanneer de opdracht wordt verzwaard naar linkerarm gestrekt boven en gebogen onder water en rechts andersom, zie ik mensen het spoor bijster raken. En dan zijn we nog niet eens ingewikkeld aan het doen. Vrij ingewikkeld is de opdracht armen in wisselslagvolgorde en benen in omgekeerde wisselslagvolgorde. Iedereen van de vaste groep weet wat de nieuwelingen meemaken en met z’n allen spijkeren we de nieuwkomers zo snel mogelijk bij. Ze vliegen vooruit.
Soms wat te letterlijk. Ter afsluiting van de training doen we, ter ontspanning, een blokje onderwaterzwemmen. We bouwen langzaam op naar één baan borstcrawl benen-met-flippers onder water. Er wordt uitgelegd dat je de uitvoering vergemakkelijkt door weinig zuurstof mee te nemen en niet naar de overkant te kijken. Anders besef je hoe lang het nog duurt voor je weer mag ademen. Ik zie de nieuwelingen mensen denken dat deze wijze raadgevingen de overlevingskansen juist minimaliseren. Tegen alle adviezen in worden longen gevuld met liters zuurstof. Hersenen draaien op volle toeren om te bedenken hoe lang 25 meter wel niet is.
Teveel lucht meenemen en teveel denken is niet handig, maar niet fataal. De grootste fout die je kunt maken in een hypoxietraining is te hard zwemmen. Dat vreet energie, dus zuurstof.
We starten de hypoxietraining. Ik bijt het spits af en zwem m'n onderwaterbaantje. Wanneer ik aantik hoor ik een aanzwellend geruis op me afkomen. Het geluid komt van achteren en wordt gedempt door het water. Wanneer ik omkijk zie ik twee brede bellenbanen naar het wateroppervlak opstijgen. Ik steek m'n hoofd onder water om te kijken wat er aan de hand is. Het geraas blijkt veroorzaakt te worden door twee nieuwelingen die als menselijke torpedo’s op de muur komen aanzwemmen in een ultieme poging hun eerste volledige baan onder water te halen. De snelheid is enorm, de vastberadenheid indrukwekkend, de zelfdestructie compleet.
Bonfire
’s Middags geeft Rob Barel een looptraining. Onderwerp van deze training is loopscholing, onder andere gericht op het vergroten van de paslengte. De eenvoudigere en bekende oefeningen kan ik redelijk uitvoeren. Ik win aan zelfvertrouwen en durf het op een gegeven moment zelfs aan om het voortouw te nemen en de oefeningen als eerste te demonstreren. Wat ben ik toch een coördinatief gezegend atleet, bedenk ik me. Drie minuten later schakelt Rob door de wat moeilijkere oefeningen. Hij doet ze haast achteloos voor. Wij dienen daarna zijn voorbeeld te volgen. Ik voel dat m’n coördinatieve vaardigheden zich nu op glad ijs gaan begeven en laat me listig afzakken tot in de buik van de groep. In de hoop m’n onhandigheid wat te maskeren.
Tevergeefs. Wanneer we met een pendeloefening bezig zijn hoor ik de naam Bonfire over de lippen van de triathlonnestor rollen. Ik voel me aangesproken. ’t Is me duidelijk dat ik op dit soort vaardigheden nog flink wat progressie kan boeken.
De verloren portemonnee - deel één
Zaterdag staan vier trainingen op het programma. Drie van de vier trainingen worden door gasttrainers gegeven. Herman Vrijhof (mijn eigen looptrainer) verzorgt de looptraining. Rob Barel geeft een mountainbiketraining en Erik Landa een zwemtraining. De eerste zwemtraining doet George Sieverding. Dat belooft dus een heel mooi dagje te worden. Ik verheug me met name op de mountainbiketraining van Rob.
Daarvoor heb je een fiets nodig. Die staan gestald in het hotel, in een ruimte vlak naast de ingang. Niet slim, vind ik. Dat is vragen om moeilijkheden qua diefstal en joyriding en zo. Uit diefstalpreventieve overwegingen stal ik mijn ATB in m’n auto. Vastgeketend aan een onverwoestbaar slot. Het type slot waarmee je zelfs in Amsterdam op safe speelt. De auto zelf is ook nog eens hermetisch afgesloten. Kortom: wie doet me wat.
Een kwartier voor aanvang van de training kleed ik me om en ga m'n fiets pakken. Ik loop naar de auto, open de kofferbak, en zie m'n fiets staan. Klaar om bereden te worden. Piekfijn afgesteld en veilig aan de ketting. Even van het slot halen, en rijden. De sleutel zit in m’n portemonnee. Die heb ik niet bij me. Ik loop terug naar de kamer en kijk in m’n meest voordehandliggende tas. Geen portemonnee. Om geen twijfel te houden keer ik de tas om en fouilleer hem grondig. Zonder resultaat. De tweede en derde tas ondergaan dezelfde behandeling, maar de portemonnee blijft spoorloos. Vanuit het raam zie ik iedereen rondjes rijden op de parkeerplaats. Op hun achteloos neergezette fietsen. Jongensjongens, dat werkt op m'n zenuwen. Ik begin me serieus zorgen te maken en loop dezelfde route naar de auto, koortsachtig speurend naar m'n portemonnee. Een speurtocht van een vol uur blijkt nutteloos. Dag mountainbiketraining. Wat ik allemaal heb gemist? Het afrijden van trappetjes, springen over balken, dalen met blokkerend achterwiel, en het nemen van bochten met slippende wielen. Kortom, het betere Jackass-werk. De reservesleutel haal ik zondag thuis in Nederland op, waarna ik eindelijk m'n mountainbike kan bevrijden.
De Tim DeBoom demonstratie
Op maandagochtend staat er een circuittraining in de zaal op het menu. In een gymzaal wordt een traject van zeven onderdelen uitgezet. Er liggen matten met medicinballen, er staat een bank met kort daarachter een kast, er is een sumo-worstelmat, een complete verzameling springtouwen en meer van dat soort accessoires. Aangezien dit voor ons de eerste zaaltraining wordt, dient eerst duidelijk gemaakt te worden wat van ons wordt verwacht qua fysieke inspanning bij de verschillende stations.
Tim DeBoom (niet de echte, maar een naamgenoot) krijgt de eer ons de correcte uitvoering van de onderdelen te mogen demonstreren. Dat werkt als volgt. Bij elk toestel geeft de heer Sieverding een mondelinge uitleg. Het is vervolgens de bedoeling dat Tim hij deze uitleg vertaalt in lichamelijke bewegingen om ons zodoende de oefening te demonstreren. Dat resulteert bij station 7 in de volgende situatie. Sieverding: je gaat naast die bank staan. (Tim gaat naast de bank staan). Sieverding: goed zo, en nu een kwartslag draaien. (Tim draait een kwartslag). Sieverding: ik bedoelde een kwartslag de andere kant op, anders stap je er zo meteen naast. (Tim draait zich 180 graden om en kijkt wat onzeker om zich heen, niet helemaal klaar voor de volgende opdracht). Sieverding: nu zet je je buitenste been op de bank. (Tim beweegt z’n buitenste been achter z’n standbeen langs, probeert z’n buitenbeen op de bank te plaatsen en haakt zichzelf bijna tijdens deze ingewikkelde manoeuvre). Sieverding: het is misschien handiger als de dat buitenste been voorlangs brengt. (Tim kijkt niet-begrijpend om zich heen en probeert nog wat andere varianten). Sieverding: je gaat naast die bank staan en je stapt op dat bankje met je buitenste been. (Tim doet uiteindelijk wat van hem verlangd wordt en kijkt triomfantelijk om zich heen). Sieverding: Nu stap je aan de aan de andere kant van de bank weer af. (Tim springt met twee benen van de bank af). George: ik zei afSTAPPEN, niet afSPRINGEN. (Tim gaat naast op de bank staan en doet voor ’t eerst de oefening in z’n geheel goed). Sieverding: en deze oefening doe je dan straks vier minuten lang achter elkaar. Lijkt me niet zo moeilijk, he Tim?
De verloren portemonnee - deel twee
Dinsdagmiddag hebben we vrij en gaan we met de groep een terrasje pakken in Mechelen. Daar vinden we een portemonnee. Het is al laat en we worden verwacht voor de volgende training, dus we nemen 'm mee. Afgeven bij de politie kan altijd nog. Terug in het hotel onderwerpen we tijdens het diner de portemonnee aan een grondige inspectie. In eerste instantie willen we achterhalen wie de rechtmatige eigenaar is. Geen rijbewijs of andere pasjes-met-naam, maar wel een foto, waarop een olijk uit haar ogen kijkende Belgische schone. Hoe verder het onderzoek vordert, hoe groter onze interesse in de eigenaresse. We zetten de puzzelstukjes op een rij. Intrigerend is het uitleenbriefje van de bibliotheek. Daaruit blijkt de literatuur- en muziekkeuze van onze Belgische. De titels laten aan duidelijkheid niets te wensen over. Deze dame onderzoekt de vleselijke geneugten van het leven. In de catacomben van de portemonnee vinden we hiervan nog concretere aanwijzingen. Deze meid is op een prettige avond voorbereid.
Hoogtepunt is de vondst van een stukgelezen papiertje in een vergeten zijvakje. Daarop staan handgeschreven, onnavolgbare zinnenprikkelende regels die bol staan van de alliteraties en vreemd aandoende klankcombinaties. Op het briefje staan tevens plastisch omschreven aanwijzingen betreffende tongvoering en liptuiting om de teksten vloeiend te kunnen uitspreken. Dit lijken wel coördinatieve oefeningen voor de mondsector. We denken eerst te maken te hebben met een beginnend dichteres, tot een heldere geest opmerkt dat deze woordencombinaties en uitspraakaanwijzigingen erg veel weg hebben van een logopedieles. We speculeren erop los. Hebben we te maken met een studente logopedie? Of heeft ze zelf een spraakstoornis en is dit haar oefenstof? Alles bij elkaar zijn we wel even zoet met het ontleden van de inhoud van de portemonnee. Sieverding kondigt ten slotte aan dat de zwemtraining, die na het eten gepland staat, met een kwartier uitgesteld zal worden om de zaak van de portemonnee te kunnen afhandelen. Dit heeft hij in vierjarige periode nog nooit gedaan.
De Belgische heeft haar portemonnee trouwens weer terug. Door de eerlijke vinder persoonlijk terugbezorgd.
Welkom
Ik hoop dat je inspiratie vindt op mijn site!
Reacties of suggesties voor onderwerpen zijn welkom op mijn e-mailadres: bertflier72@gmail.com.
Veel plezier,
Bert Flier
Veel plezier,
Bert Flier
dinsdag 21 december 2010
zaterdag 18 december 2010
Lopen in Ethiopië
Begin november was ik in Ethiopië. Niet voor een trainingsstage, maar om het land te leren kennen. Maar ja, als ik er dan toch zit, dan kan ik het niet laten om af en toe een uurtje te lopen. Ik zit ten slotte wel in het land van Haile Gebreselassie en Kenenisa Bekele.
Lopen blijkt in Ethiopië veel minder ingeburgerd dan in Nederland. De reden is simpel. In Nederland heeft iedereen wel een paar schoenen die geschikt zijn voor hardlopen, en als je ze niet hebt, dan koop je ze gewoon. Zo werkt dat dus niet in Ethiopië. Hardloopschoenen zijn zeldzaam en duur. Recreatieve lopers heb ik gedurende mijn verblijf niet gezien.
Hardlopende blanken, daar moeten de Ethiopiërs aan wennen. Tijdens mijn eerste loopje, 's ochtends vroeg op het tijdstip dat iedereen langs de kant van de weg staat om een busje te regelen om naar het werk te gaan, ben ik een ware bezienswaardigheid. Mensen lachen naar me, en ik word continu aangemoedigd: 'Haile, Haile', gevolgd door een Ethiopische van-oor-tot-oor-glimlach waar de humor van afdruipt. Er wordt een hoeveelheid positieve energie gegenereerd die onvoorstelbaar is. Af en toe lopen mensen even een stukje met je mee. Gewoon op hun blote voeten, of op losse slippers, jouw ritme aannemend en alsof het de normaalste zaak van de wereld is.
Een schitterende ervaring heb ik wanneer ik een groepje kinderen achterop loop. Ze hebben schooluniformpjes aan en dragen hun boeken onder de arm. Wanneer ik hen bijhaal, beginnen ze spontaan mee te lopen. Telkens als we een volgend stel kinderen bijhalen, sluiten ze aan. Kleine stofwolkjes dwarrelen op onder hun voetjes. Blij kijken ze in het rond. Wanneer we bij het schooltje aankomen is de groep gegroeid tot iets van twintig kinderen. Zwaaiend nemen ze afscheid.
Maar als je dan echte hardlopers tegenkomt, dan zijn het atleten van een absurd niveau. Op een zaterdagochtend start ik om half zeven voor een rondje Debre Zeit. Dat ligt op 50 kilometer van hoofdstad Addis Ababa, op ruim 1.800 meter hoogte. Dwars door Debre Zeit loopt de hoofdweg die van Addis naar Kenia leidt. Van zonsopgang tot zonsondergang stroomt het verkeer vier breed over de hoofdweg door het stadje - terwijl de weg maar twee rijbanen heeft. De gemiddelde leeftijd van de voertuigen ligt ruim boven de twintig jaar. De constante stroom vrachtwagens en personenauto's braakt zwarte wolken uit. Luchtvervuiling in combinatie met ijle lucht maakt dat het daar niet prettig lopen is. Daarbij wemelt het op die weg van de Toyota-busjes en gemotoriseerde, driewielige tuk-tuks die lukraak in- en uitvoegen om mensen op te pikken.
Deze weg besluit ik vanochtend maar te mijden. In plaats daarvan sla ik linksaf voor een rondje rondweg-Debre Zeit. Die rondweg wordt momenteel geasfalteerd, maar daar trekt de plaatselijke bevolking zich niets van aan. Die blijft, tussen de asfalteringswerkzaamheden door, gewoon gebruik maken van de weg, ook al ligt er elke twintig meter een rijtje stenen om het gebruik te ontmoedigen. Het is een chaos - en ik vind het prachtig.
Wanneer ik tien minuten onderweg ben zie ik in de verte een groep atleten. Dat is interessant. Ze hebben blijkbaar net de warming-up gedaan, want de trainingspakken worden uitgedaan. Het ziet er naar uit dat ze hier gaan trainen. Ik stop, groet, en zie een man in trainingspak met een stopwatch en een stuk papier. Dat lijkt me de trainer. Hij bevestigt mijn vermoeden dat de groep zich klaarmaakt voor een intervaltraining.
Ik mag meedoen. Een buitenkansje. Om me heen dribbelen pezige Ethiopiërs rond die van de trainer van instructies worden voorzien. Ik zeg de trainer wat mijn niveau is: 1.10 op de halve marathon. 'Then you may run with the second group', zegt hij. De eerste groep gaat namelijk iets te gaan doen waar ik met m'n verstand, laat staan fysiek, niet bij kan: 12x1000 in 2'45. Op een golvende asfaltweg, op 1.800 meter hoogte, om zeven uur 's ochtends.
De tweede groep doet 12x800, met tweehonderd dribbel rust. Dat moet kunnen. Denk ik. Totdat we starten. Forceren wil ik me niet, maar ik moet na tweehonderd constateren dat ook het tweede echelon van deze trainingsgroep snoeihard loopt. 'Don't compete!' roept de trainer me toe wanneer ik hem halverwege passeer. De tweede herhaling start ik toch maar wat rustiger, om vervolgens op bijna 100 meter gelopen te worden. Achter me hoor ik het voetenritme van een volgend groepje. Dat blijkt de damesafdeling te zijn. Wijselijk besluit ik me bij hen aan te sluiten.
Inmiddels ontdaan van enige illusie om mee te kunnen op dit niveau, haak ik mijn wagentje als laatste aan. Elk groepje loopt twee aan twee - alsof het een line-up van kinderen op het schoolplein is, maar dan wel in twintig per uur - en men handhaaft de volgorde zowel tijdens de dribbelpauze als tijdens het tempo. Binnen ons groepje loopt iedereen loopt met dezelfde pasfrequentie, in een heerlijk ritme. De sterkeren maken het tempo, de minderen volgen zo lang mogelijk - om vervolgens in de laatste meters volledig verzuurd in te storten. Ik handhaaf een tempo dat ik net aankan, en waarmee ik de snelste dames moet laten lopen. Degenen die het niet kunnen bijbenen, raap ik elke herhaling in de slotmeters op.
Ik blijk dus een snelle leerling die snel zijn plaats binnen de groep leert kennen. Dat doet de trainer deugd. De anderen zien ook dat ik het maximale uit de training haal zonder er een wedstrijd van te maken. Bij het passeren van de twee mannengroep - die inmiddels twee herhalingen voorligt - gaat een paar duimen omhoog in mijn richting. In de laatste paar herhalingen kan ik zelfs een keertje mee met de snelste dames. Omdat ze het tempo rustig opbouwen, maar ik ben er niet minder blij mee.
Na afloop bedank ik de trainer, en vraag hem wat voor materiaal hier nu eigenlijk rondloopt. Hij noemt wat namen die ik niet kan thuisbrengen, en eindigt met de zin: 'These guys are aiming for Gold in de London Olympics on the 10k and the marathon'.
Dat is dus ook lopen in Ethiopië. Zonder atletiekbaan, een clubhuis, hartslagmeters of speciale faciliteiten, maar doen wat je moet doen om de grote wedstrijden te winnen. Zo simpel kan het zijn.
Lopen blijkt in Ethiopië veel minder ingeburgerd dan in Nederland. De reden is simpel. In Nederland heeft iedereen wel een paar schoenen die geschikt zijn voor hardlopen, en als je ze niet hebt, dan koop je ze gewoon. Zo werkt dat dus niet in Ethiopië. Hardloopschoenen zijn zeldzaam en duur. Recreatieve lopers heb ik gedurende mijn verblijf niet gezien.
Hardlopende blanken, daar moeten de Ethiopiërs aan wennen. Tijdens mijn eerste loopje, 's ochtends vroeg op het tijdstip dat iedereen langs de kant van de weg staat om een busje te regelen om naar het werk te gaan, ben ik een ware bezienswaardigheid. Mensen lachen naar me, en ik word continu aangemoedigd: 'Haile, Haile', gevolgd door een Ethiopische van-oor-tot-oor-glimlach waar de humor van afdruipt. Er wordt een hoeveelheid positieve energie gegenereerd die onvoorstelbaar is. Af en toe lopen mensen even een stukje met je mee. Gewoon op hun blote voeten, of op losse slippers, jouw ritme aannemend en alsof het de normaalste zaak van de wereld is.
Een schitterende ervaring heb ik wanneer ik een groepje kinderen achterop loop. Ze hebben schooluniformpjes aan en dragen hun boeken onder de arm. Wanneer ik hen bijhaal, beginnen ze spontaan mee te lopen. Telkens als we een volgend stel kinderen bijhalen, sluiten ze aan. Kleine stofwolkjes dwarrelen op onder hun voetjes. Blij kijken ze in het rond. Wanneer we bij het schooltje aankomen is de groep gegroeid tot iets van twintig kinderen. Zwaaiend nemen ze afscheid.
Maar als je dan echte hardlopers tegenkomt, dan zijn het atleten van een absurd niveau. Op een zaterdagochtend start ik om half zeven voor een rondje Debre Zeit. Dat ligt op 50 kilometer van hoofdstad Addis Ababa, op ruim 1.800 meter hoogte. Dwars door Debre Zeit loopt de hoofdweg die van Addis naar Kenia leidt. Van zonsopgang tot zonsondergang stroomt het verkeer vier breed over de hoofdweg door het stadje - terwijl de weg maar twee rijbanen heeft. De gemiddelde leeftijd van de voertuigen ligt ruim boven de twintig jaar. De constante stroom vrachtwagens en personenauto's braakt zwarte wolken uit. Luchtvervuiling in combinatie met ijle lucht maakt dat het daar niet prettig lopen is. Daarbij wemelt het op die weg van de Toyota-busjes en gemotoriseerde, driewielige tuk-tuks die lukraak in- en uitvoegen om mensen op te pikken.
Deze weg besluit ik vanochtend maar te mijden. In plaats daarvan sla ik linksaf voor een rondje rondweg-Debre Zeit. Die rondweg wordt momenteel geasfalteerd, maar daar trekt de plaatselijke bevolking zich niets van aan. Die blijft, tussen de asfalteringswerkzaamheden door, gewoon gebruik maken van de weg, ook al ligt er elke twintig meter een rijtje stenen om het gebruik te ontmoedigen. Het is een chaos - en ik vind het prachtig.
Wanneer ik tien minuten onderweg ben zie ik in de verte een groep atleten. Dat is interessant. Ze hebben blijkbaar net de warming-up gedaan, want de trainingspakken worden uitgedaan. Het ziet er naar uit dat ze hier gaan trainen. Ik stop, groet, en zie een man in trainingspak met een stopwatch en een stuk papier. Dat lijkt me de trainer. Hij bevestigt mijn vermoeden dat de groep zich klaarmaakt voor een intervaltraining.
Ik mag meedoen. Een buitenkansje. Om me heen dribbelen pezige Ethiopiërs rond die van de trainer van instructies worden voorzien. Ik zeg de trainer wat mijn niveau is: 1.10 op de halve marathon. 'Then you may run with the second group', zegt hij. De eerste groep gaat namelijk iets te gaan doen waar ik met m'n verstand, laat staan fysiek, niet bij kan: 12x1000 in 2'45. Op een golvende asfaltweg, op 1.800 meter hoogte, om zeven uur 's ochtends.
De tweede groep doet 12x800, met tweehonderd dribbel rust. Dat moet kunnen. Denk ik. Totdat we starten. Forceren wil ik me niet, maar ik moet na tweehonderd constateren dat ook het tweede echelon van deze trainingsgroep snoeihard loopt. 'Don't compete!' roept de trainer me toe wanneer ik hem halverwege passeer. De tweede herhaling start ik toch maar wat rustiger, om vervolgens op bijna 100 meter gelopen te worden. Achter me hoor ik het voetenritme van een volgend groepje. Dat blijkt de damesafdeling te zijn. Wijselijk besluit ik me bij hen aan te sluiten.
Inmiddels ontdaan van enige illusie om mee te kunnen op dit niveau, haak ik mijn wagentje als laatste aan. Elk groepje loopt twee aan twee - alsof het een line-up van kinderen op het schoolplein is, maar dan wel in twintig per uur - en men handhaaft de volgorde zowel tijdens de dribbelpauze als tijdens het tempo. Binnen ons groepje loopt iedereen loopt met dezelfde pasfrequentie, in een heerlijk ritme. De sterkeren maken het tempo, de minderen volgen zo lang mogelijk - om vervolgens in de laatste meters volledig verzuurd in te storten. Ik handhaaf een tempo dat ik net aankan, en waarmee ik de snelste dames moet laten lopen. Degenen die het niet kunnen bijbenen, raap ik elke herhaling in de slotmeters op.
Ik blijk dus een snelle leerling die snel zijn plaats binnen de groep leert kennen. Dat doet de trainer deugd. De anderen zien ook dat ik het maximale uit de training haal zonder er een wedstrijd van te maken. Bij het passeren van de twee mannengroep - die inmiddels twee herhalingen voorligt - gaat een paar duimen omhoog in mijn richting. In de laatste paar herhalingen kan ik zelfs een keertje mee met de snelste dames. Omdat ze het tempo rustig opbouwen, maar ik ben er niet minder blij mee.
Na afloop bedank ik de trainer, en vraag hem wat voor materiaal hier nu eigenlijk rondloopt. Hij noemt wat namen die ik niet kan thuisbrengen, en eindigt met de zin: 'These guys are aiming for Gold in de London Olympics on the 10k and the marathon'.
Dat is dus ook lopen in Ethiopië. Zonder atletiekbaan, een clubhuis, hartslagmeters of speciale faciliteiten, maar doen wat je moet doen om de grote wedstrijden te winnen. Zo simpel kan het zijn.
Abonneren op:
Posts (Atom)