Welkom

Ik hoop dat je inspiratie vindt op mijn site!

Reacties of suggesties voor onderwerpen zijn welkom op mijn e-mailadres: bertflier72@gmail.com.

Veel plezier,

Bert Flier

maandag 26 juli 2010

Vierde in Kapelle op den Bos

Tip om fris te blijven in het wedstrijdseizoen: doe eens een wedstrijd over de grens. Bijvoorbeeld in België, het dichtstbijzijnde buitenland. Het blijft triathlon, maar dan anders. Het begint al dat je te woord wordt gestaan in het Vlaams. Wat een zacht taaltje. Een genot voor het gehoor. Waar je je in Nederland vaak moet verantwoorden, hebben de Belgen respect voor triatleten. En dan de ambiance. Rondom het parcours installeren zich supporters gehuld in T-shirts met de namen van de lokale helden, tijdens de wedstrijd waait van overal de geuren van frituur en vers getapt bier je tegemoet, en dan is er nog de aanblik van elegant geklede Vlaamse rondemissen. De sfeer van veldrijden, maar dan in de zomer. Ik weet dat ik in een goede vorm steek, en kan niet wachten om me te meten met de Belgen. Ik heb vlinders in de buik van de goesting (lang leve de serotonine!), en voel me als een kind in de snoepwinkel wanneer ik aankom in Kapelle op den Bos.

Het is vandaag woensdag 21 juli, de Belgische nationale feestdag. Op het programma staat een kwart triathlon, non-drafting, en de voornamelijk Belgische concurrentie is niet misselijk. Het is nog ruim twee uur voor de start, maar er zoemt al iets van verwachting en spanning en ambiance in de lucht. Deze wedstrijd wordt serieus genomen.

Tijdens het infietsen voel ik dat de benen schofterig goed zijn. De iPod verhoogt mijn gemoedsstemming extra wanneer Kenny Rogers in mijn oren zingt. I just dropped in / To see what condition my condition was in. Toepasselijk. Deze wedstrijd stond origineel niet op de planning. Ik heb me pas een paar weken geleden ingeschreven omdat ik tussen de halve van Didam en Immenstadt nog wat snelheidswerk wilde doen.

Ik probeer de fietsronde te verkennen, maar die is op z’n Belgisch uitgepijld. Een vossenjacht is er niks bij. Alles wat ik aan de parcoursverkenning overhoud is een vage indruk van slecht lopende wegen, een paar haakse bochten en een matig windje. Terug bij de auto, wanneer ik afstap, schraap ik een grote teen lelijk open aan het korrelige asfalt. Ik moet even bij de EHBO langs, en die tapen het geheel mooi dicht.

Geen idee hoe ik me verhoud tot de Belgen. De speaker kondigt mijn komst aan, maar hij kan mij niet goed inschatten. Dat zullen we dan tijdens de wedstrijd moeten uitvinden. Ik vind het mooi, want dat betekent dat er geen voorgedefnieerde wedstrijdpatronen zijn zoals dat al te vaak in Nederland gaat.

Tijd voor inzwemmen is er nauwelijks. Eerst worden de dames weggeschoten, dan mogen de heren het water in. Geen wetsuits vandaag. Het water is daar te warm voor. Het inzwemmen bestaat uit 100 meter opzwemmen naar de eerste van twee startlijnen die over het tientallen brede kanaal staat gespannen. Ik heb het idee dat ik iets teveel naar het midden lig, maar ik maak de keus te blijven liggen waar ik lig. Je zal net zien dat ik ergens op de tweede rij achter een paar slingervoeten lig wanneer er wordt afgeschoten. Een minuut voor de start roept de referee dat we zo meteen mogen opzwemmen naar de eerste startlijn. Hoe ik het bedenk weet ik niet, maar ik ben ervan overtuigd dat we, na het opzwemmen, daar weer even zullen stil liggen om vervolgens definitief afgeschoten te worden.

Het sein wordt gegeven om op te zwemmen. Ik zwem lekker ontspannen de 25 meter naar de startlijn, en bereid me mentaal voor op de echte start. Links en rechts rammen triatleten me voorbij. Er wordt flink getrokken en geduwd. Blijkbaar wil iedereen in een goede positie komen voor de definitieve start, denk ik naïef.

Ik vertraag om achter de echte startlijn te liggen. Daar ben ik de enige in. Het complete veld zwemt op sprintsnelheid onder de lijn door. Dat heet een vliegende start, en schrijver dezes voelt zich flink gefopt. Ik heb dus direct herstelwerkzaamheden uit te voeren. Ik neem de schade op. Rechts van me is al een kopgroepje weg. Daarachter vormt zich een tweede groep. Ik zwem echt niet slecht de laatste weken, maar zo hard als ze hier starten heb ik zelfs met het EK niet meegemaakt. Alsof het een 50 meter vrij is, zo hard gaan ze. Ik word genadeloos voorbijgezwommen en voel me als een bejaarde met bloemetjesbadmuts die per ongeluk in de snelle baan is beland. Ik moet mee, maar kan niet. De geest is wel gewillig, maar het vlees te zwak. Koud starten, ik kan het niet, en ik moet ook niets forceren, omdat ik nu al tegen hyperventilatie aan zit. Ik moet het tweede groepje ook laten gaan, maar maak me geen zorgen. Mijn tijd komt nog wel: ik heb dit al zo vaak meegemaakt. Later in het zwemmen los ik dit wel weer op. Denk ik.


Vandaag dus niet. Ik kom geleidelijk in het ritme, concentreer me op m’n slag en ademhaling, maar kan niet versnellen zoals normaal. Sterker nog, ik blijf maar ingehaald worden. Aan het eind van een naar mijn gevoel eindeloze zwemproef, aan de staart van een lange sliert van wat ik vermoed wat de derde zwemgroep is, klauter ik het trappetje op richting de walkant.

Omdat ik niet vol door heb kunnen zwemmen, voel ik me nog fris. Eenmaal op het droge kan ik die hogere versnelling wel vinden. Ik sprint de kade over richting parc fermé. Een krappe bocht vlieg ik bijna uit. Het publiek vind het prachtig, ik vind het vooral lomp van mezelf. Iets van tien plaatsen winst levert het me op. Onderweg vang ik een tijdsdverschil op: tweeënhalve minuut op de kop. Dat is een minuut meer dan ik had verwacht.

De wissel gaat vloeiend. Er is nog anderhalf uur wedstrijd te gaan, en ik wil naar voren. Op de fiets geef ik direct vol gas. Na driehonderd meter, wanneer ik op kruissnelheid zit, komt er een man gehuld in een tenue in de kleuren van de Belgische vlag langsgereden. Snoeihard. Hij lijkt een brommer te hebben ingeslikt. Ik kan hem in eerste instantie niet volgen, maar dankzij het pacman-effect beland ik uiteindelijk in een groepje van een man of zes dat probeert op de reglementaire tien meter van het wiel van dit losgeslagen projectiel te blijven. De groep breekt een paar keer. Ik moet alle zeilen bijzetten om in het spoor te blijven. Het gemiddelde na de eerste van drie ronden: 42 precies. Op Belgische macadam-wegen met een windje en bochten.

De tweede ronde gaat de Belg onverdroten voort met zijn sloopwerkzaamheden. Nog harder gaat het. Achterin de groep wappert er telkens weer een mannetje af. Ik rijd op het randje van m’n kunnen, en moet een paar keer de 53x13 gebruiken om de aansluiting te houden. We schuiven steeds meer op in het veld en hebben inmiddels ook de winnaar van vorig jaar, Bruno Clerbout. Hij rijdt ook de longen uit z’n niet al te grote lijf om Dirk Bullen (de naam van het fietswezen op kop van het inmiddels tot vier man uitgedunde groepje) in het zicht te kunnen houden. Aan het eind van rondje twee is het gemiddelde opgelopen tot 42.3.

Ik lig al kilometers lang op de pijnbank. De vier Belgen in het groepje proberen me te vierendelen. Alles doet pijn. De bovenbenen voelen zuur aan. Ik wil wel mee, maar ik moet toegeven dat ik dat niet kan. Ze gaan te hard. Bij de doorkomst na ronde twee moet ik definitief erkennen dat ik gelost ben. Het groepje-Bullen rijdt 100 meter voor me.

Met zure benen en een gekrenkt eergevoel rijd ik ronde drie in. Toch vind ik het vooral mooi. Dik 42 rijden, en gewoon gelost worden. Nederlander in de Vlaamse leeuwenkuil. Ik rijd zo hard als ik kan de laatste ronde, en probeer zo lang mogelijk het groepje voor me in het zicht te houden. Dat lukt tot halverwege het rondje, en dan zijn ze weg. Geen idee op welke positie ik lig. Ik krijg een paar keer een tijdsverschil met de kop mee. Vijf minuten is wat ik krijg toegeroepen, maar dat kan ik me bijna niet voorstellen. Dan moet het aan kop van de wedstrijd richting de 45 gemiddeld gaan. Wellicht dat er nog wat verdwaalde wereldbeker-Fransen aan de start hebben gestaan.

Ik laat de gedachten aan de anderen vervliegen, en concentreer me op m’n eigen race. De benen voelen weer wat prettiger nu ik niet meer op de Belgische pijnbank lig. Het lopen is mijn joker, en die zal ik vandaag nodig hebben.

Eerst wisselen. Ik rijd op volle snelheid het parc fermé in en wissel snel. Een beetje te snel zelfs, want ik heb de helm al los voor ik de fiets ophang. Dat mag dus niet. Ik passeer een scheidsrechter, die me toeroept: ‘Volgende keer je helm pas afzetten NADAT je je fiets hebt neergezet’. ‘Zal ik doen!’ roep ik. Ze had me ook gele kaart en daarmee een strafronde van 400 meter lopen kunnen geven. Lang leve de scheidsrechters die jureren in de geest van de wedstrijd.
Nog meer goed nieuws: wanneer ik weer bijna de bocht uit het parc fermé uitvlieg, zie ik het fietsgroepje-Bullen tweehonderd meter voor me uit lopen. Vier man, zo voor het oprapen. Ik krijg ook een tijdsverschil door: 2 minuut 18 op Stijn Goris. Niks vijf minuten achterstand. Ik lig rond de 10e stek, zit er gewoon bij, en kan zelfs aan het podium denken.

Van zoveel goede berichten ga je vliegen. Ik open zo hard als ik kan. Ik zoek het randje van de verzuring op, en ga helemaal op het uiterste puntje zitten. Binnen een kilometer heb ik drie man te pakken. Het parcours leidt over een atletiekbaan, en dat geeft me de gelegenheid te bepalen hoe groot de gaten zijn. Ik kan nog een paar plaatsen opschuiven, maar op welke positie ik precies lig en hoe groot het gat naar het podium is, kan ik niet bepalen. Maakt ook niet uit. Mannetje voor mannetje, net zo lang tot er geen asfalt meer over is.
Aan het eind van de eerste van drie looprondes heb ik Bruno Clerbout bijgehaald. Ik merk dat ik toch wel erg hard ben gestart, en ga zijn tempo lopen. Dat voelt net iets comfortabeler aan. De achterstand op Stijn Goris is tien seconden gegroeid, dus die gaan we niet meer zien. De cameramotor, die ons het met fietsen ook af en toe in beeld nam, is weer terug. Dat betekent dat ik steeds meer voorin begin te komen. Clerbout is razend populair hier. Hij is ook uit Kapelle op den Bos, en heeft respect verdiend voor zijn 24e overall-plaats vorig jaar op Hawaii. Heel rondje twee blijf ik achter de plaatselijk favoriet, en bedenk plannetjes om hem kwijt te raken. Want hij loopt verrekte hard. Bij het ingaan van de laatste ronde roept de speaker om dat we een minuut achterstand hebben op plaats drie. Dat lijkt teveel. Nog steeds is niet duidelijk op welke plaats ik lig.

Geen van de plannen kristalliseert zich uit. Ik zal het, zoals ik meestal doe, van m’n intuïtie laten afhangen. In ronde drie ga ik steeds meer naast hem lopen, om te voelen hoe sterk hij is. Ik wil eigenlijk wachten tot de laatste kilometer met versnellen, maar ik weet niet precies hoe de laatste meters naar de finish lopen. Een eindsprint wil niet riskeren. Zal je zien dat ik, net als bij de start, in het ootje wordt genomen. Bij het opgaan van de atletiekbaan borrelt een aanval in me op, en ik geef eraan toe. Ik versnel, en merk dat Clerbout een gaatje moet laten. Het voelt weer aan als in ronde 1, maar dit moet ik kunnen volhouden tot aan de finish. Het gaatje wordt een gat, en met nog een dikke kilometer te gaan zie ik startnummer twee voor me uitlopen. Hij loopt niet hard, en ik heb hem snel bijgehaald.


Ik hoop dat dit de nummer drie in de wedstrijd is, maar de vader blijkt de wens van de gedachte te zijn geweest. Ik kom binnen als vierde, Clerbout wordt vijf.

Die vierde plaats blijkt consequenties te hebben. Binnen vijf seconden na aankomst krijg ik de mededeling dat ik naar de dopingcontrole moet. Zo professioneel wordt het hier dus aangepakt. Het kost me vier liter water en ruim twee uur voor ik mijn plas kan inleveren, maar dat overbrugt mooi de tijd tot aan de prijsuitreiking. Ik wil hier nog wel eens terugkomen voor een podiumplaats.

Next stop: zaterdag 31 juli in Immenstad, Duitsland. Een internationale halve triathlon, in het land van Hans en Grietje.

Uitslag Kapelle op den Bos, 21 juli 2010
1. Stijn Goris 1:47:41
2. Marc Geerts 1:48:30
3. Pieter Heemeryck 1:49:28
4. Bert Flier 1:50:26
5. Bruno Clerbout 1:50:39

maandag 5 juli 2010

Dean-Day in Didam

Als ik nieuwe spullen heb, dan ben ik net een kind dat jarig is. Dan kan ik niet wachten tot de volgende ochtend om de kadootjes uit te pakken. Ik wil alles, nu, en tegelijk. Zo ook met de Ridley Dean die ik vorige week laat op de avond voor de wedstrijd in Oud Gastel kon ophalen. De volgende dag heb ik daar direct de wedstrijd mee gedaan. De kramp die ik met het lopen had, kwam door de nieuwe, veel agressievere fietshouding waarmee ik op de Dean zit.

Tot diep in de afgelopen week heb ik last gehad van de naweeën. Ik heb welgeteld twee keer gelopen, als het al die naam kan hebben. Fietsen heb ik ook maar twee keer kunnen doen, en dan voorzichtig. Alles beheerst, om de benen te laten herstellen. Alles waarbij ik m'n bovenbenen belast, deed pijn. Traplopen. Opstaan van een stoel. Gaan zitten in een stoel. Een boodschappenkrat optillen. Vrijdag, de dag voor Didam, masseer ik de laatste restjes weg. Met de hoop dat het morgen niet twee keer zo hard terug komt.

En dan is het ook nog eens bloedverziekend heet geworden. Dat vind ik op zich lekker (het doet me aan Hawaii denken, waar de zon in het zenith staat en de lucht zo mooi trilt aan de horizon), maar ik vrees ook het nare bij-effect van de hitte: vocht- en mineralenverlies. Een paar weken geleden, in een cyclo over de Mont Ventoux, heb ik zware krampen gehad door zouttekort. Dat moet ik in Didam niet hebben, zeker niet in combinatie met de krampverschijnselen die ik in Oud Gastel had door de nieuwe fiets.

Kortom: ik vrees met grote vreze de Dag van Didam. Meer dan dertig graden, een halve triathlon, een nieuwe fiets waar ik een beetje bang van ben geworden omdat-ie in m'n bovenbenen bijt...

Ik besluit alles uit de kast te trekken wat me helpt om goed voorbereid aan de start te staan. Dat betekent ten eerste koolhydraten stapelen en de vochthuishouding op orde brengen. Vrijdagochtend weeg ik 82,8 kilo, vrijdagavond 85,9 kilo. De tel heb ik niet precies bijgehouden, maar het moet iets van zesduizend calorieën zijn die ik naar binnen heb gewerkt. Naast m'n reguliere dieet (een half brood, rijk belegd, een maaltijdsalade, een halve kilo kwark, twee eieren, een liter sojamelk met jus d'orange, drie liter water, en nog wat tussendoortjes) eet ik een heel pak pannenkoeken, met extra zout en suiker, en een schaal ovenheerlijke, met olijfolie besprenkelde aardappels.

De ochtend van de wedstrijddag eet ik vrolijk door terwijl ik m'n bidons klaarmaak. Drie bidons voor het fietsen, met een mix van Powerbar sportdrank, Powerbar eiwit, en een extra snufje (zeg maar gerust: snuf) zout. Voor het lopen maak ik twee halve-literflesjes sportdrank met extra zout klaar.

Zwanger van de koolhydraten kom ik in Didam aan. Het is kwart voor negen, en al 25 graden. Het zwemwater is net zo warm, dus vandaag geen wetsuit. Dat doet me deugd. Met pak vind ik 18 graden al te warm, laat staan 25 graden. Bovendien voel me gewoon prettiger zonder wetsuit, en extra bonus is dat de mindere zwemmers een stuk langzamer zwemmen.

Naast Eddy Lamers en Menno Oudeman stel ik me op bij de startstreep. Eddy zal waarschijnlijk de belangrijkste concurrent zijn vandaag, samen met veteraan Menno Oudeman. Tot aan de millenniumwisseling behoorde Oudeman tot de internationale triathlontop, met als hoogtepunt een podiumplek op het EK hele triathlon in Almere en een PR van 8:04. Hij is vorig jaar weer begonnen, en wil dit jaar via Ironman Zwitserland zich kwalificeren voor Hawaii. Dan komt een halve onder deze omstandigheden natuurlijk prima uit. Mooi om hem weer terug te zien.

Na de start, die deze keer zonder incidenten verloopt, nestel ik me in de voeten van Eddy. Achter me ligt nog eens vier man. Daarachter valt een gat. Ik probeer een paar keer polshoogte te nemen wie er in het groepje liggen. Ik kom niet verder dan vermoedelijke namen, en daar heb ik dus niets aan. Eddy zwemt een constant tempo. Ik hoef nu eens een keer niet aan het gas om te kunnen volgen, kan me goed concentreren op m'n techniek en zelfs overschakelen naar een ademritme van 1 op 4. Dit belooft een prachtige dag te worden. De zon schijnt, ik lig achter Eddy op kop van de wedstrijd, en ik voel me relaxed. Ik zie zelfs de toeschouwers aan de kant staan. Normaal heb ik alleen oog voor wie er naast me ligt.

Foto's: Richard Geven - http://www.rgeven.nl
Na twee kilometer zwemmen in ruim 28 minuten klauter ik achter Eddy uit het water, de steile walkant op. M'n wissel is beheerst, maar snel. Ik moet even tempo maken om de vijf seconden die Eddy in de wissel pakte dicht te rijden. De benen voelen goed. Net wanneer we op kruissnelheid liggen, rennen er twee honden de weg over, achtervolgd door een boerin. Ik schrik me wezenloos. Ik slinger een scheldkannonade de ether in waar de honden geen brood van lusten. Zowel de boerin als de honden hebben zich de rest van de dag niet meer op het wedstrijdparcours vertoond.

Na vijf kilometer fietsen neem ik de kop over van Eddy. 'Laat ze maar werken als ze bij ons willen komen', zeg ik hem in het voorbijgaan. Achter ons moeten Menno Oudeman, Jan-Roelf Heerssema (winnaar van Heerenveen) en Peter van Grootheest, die in Klazienaveen van mij weg fietste, rijden. Op zich geen probleem als ze aansluiten, maar ik wil ze een plaatsje in de kopgroep niet kado geven.

Het eerste rondje (van de vier) van 20 kilometer leggen we af in 40,6 km/uur. Zo hard reed ik dit jaar niet eens op een kwart, en dit is twee keer zo lang. Een hartslagmeter draag ik vandaag niet, maar de inspanning voelt comfortabel. Ik besluit me niet te druk te maken om de getallen. Ik voel me nog uitstekend, heb me nog nergens moeten forceren, heb al een bidon weg kunnen drinken, en heb geen last van de hitte. Alles onder controle.

Samen met Eddy komen we op kop door na de eerste ronde. Ik vraag aan iemand met een stopwatch om een tijdsverschil met de achtervolgers. Die informatie is er niet.

We blijven hetzelfde tempo rijden, totdat na 25 kilometer Eddy roept dat hij lek is gereden. Tenminste, dat denkt hij. Omdat zijn achterband sist. 't Is geen acute lekke band, maar een leegloper. Eddy rijdt door, zo lang het kan. Even later roept hij me weer wat toe. Ik blijk een bidon kwijt te zijn geraakt. 'Ik help je wel', zegt hij.

Eddy's band houdt het net tot aan het eind van de tweede ronde. Eddy biedt de oplossing: ik mag de bidons aanpakken die zijn vrouw elke ronde vers voor hem heeft klaarstaan. Da's een hele opluchting. Ik heb inmiddels twee bidons leeg, zweet met het ongans, en heb er nog twee nodig voor de tweede 40 kilometer.

In ronde twee is het gemiddeld nog wat opgelopen: 40.7. Vanaf nu moet ik het alleen doen. Het fietsparcours is inmiddels volgelopen met deelnemers van de kwart triathlon. Telkens pak ik een volgend groepje als mikpunt. Vandaag heb ik een Cancellara-dag. Het kan niet op. Ik blijf continu tussen de 40 en 45 per uur rijden. Normaal rijd ik licht. Meer dan 100 omwentelingen per minuut. Vandaag kies ik ervoor om relatief zwaar te rijden. Rond blijven trappen, constant druk houden op de pedalen, lekker de power erop, maar alles vanuit de ontspanning.

Als een brommer rijd ik door het veld heen. Dat is wat anders dan de Mont Ventoux over in 11 per uur, of met de tong op je voorwiel achter Frans van Heteren aan in Woerden. Dat was toen, en dit is nu. Dit is de dag dat ik de oogst mag binnenhalen van de ellende die ik dit jaar in de trainingen en de wedstrijden heb gehad. Ik rijd snoeihard, maar het voelt comfortabel. Eindelijk zijn de rollen omgedraaid. Een quote over Didier Volckaert (Belgisch proftriatleet in de jaren negentig en één van de beste fietsers toen) borrelt op. 'Hij streelde de pedalen geselde de concurrentie.

Ik begin nu steeds meer mensen van de halve op een fietsronde te zetten. Ondanks de positieve ontwikkelingen blijf ik prikkelbaar. Ergens in ronde drie zie ik een groep van een man of acht voor me uit rijden. Vandaag is er geen jury op het parcours. De mannen maken daar dankbaar gebruik van. Ze zitten vol in elkaars wiel. Normaal maakt het me niets uit wat anderen doen, maar vandaag wel. Waar het vandaan komt? Ik weet het niet. Blijkbaar ben ik nog steeds niet zeker van m'n zaak. Wanneer ik de groep voorbij rijd, scheld ik ze groep op de reglementair toegestane afstand. Een stoot adrenaline levert het op, ik schakel nog een tandje bij. Ik wil niemand in m'n wiel vandaag.

Mede hierdoor loopt het gemiddeld nog wat op: de Garmin geeft 40.8 aan na ronde 3. Het voelt alsof ik nog honderd kilometer zo kan doorrijden. Ik heb werkelijk nergens last van. Niet van m'n rug, niet van de hitte, en ook niet van m'n quadriceps die vorige week op dit moment van de wedstrijd op knappen stonden. Het kan verkeren. Ik overweeg te versnellen, maar zie ervan af. De wedstrijd wordt beslist op het lopen. Maar ik zou zo graag vol willen rammen, met deze benen. Kijken hoeveel harder het kan.

Nog steeds geen melding van m'n voorsprong.

In de vierde ronde ken ik een eerste moment dat het wat moeilijker gaat. Op een stukje met wat wind blijft de teller onder de veertig. Ik blijf ontspannen, schakel nog een tandje bij en breng de snelheid weer geleidelijk terug. Ik check mezelf. M'n blauw-oranje tenue is wit uitgeslagen van het zout. Het zweet loopt in straaltjes over armen en benen naar beneden. Ik lik het zweet van een arm. Bremzout smaakt het. Dat wordt wat, straks met het lopen. Hopen dat ik voldoende zout in m'n bidons heb gedaan om de mineraalbalans in evenwicht te houden.

De inzinking blijkt geen inzinking. De wind is wat opgestoken, en die krijg ik in het laatste deel van de vierde ronde in de rug. Ik drink zoveel als m'n maag aankan. In de laatste kilometers bereid ik me voor op de wissel en neem mentaal het looponderdeel door. Twintig kilometer, vier rondjes, op een combinatie van gravel en asfaltondergrond. Weinig schaduw, op het heetst van de dag. Niet toegeven aan de hitte, constant koelen en zoveel drinken als de maag hebben kan.

De wissel gaat soepel: fiets ophangen, helm af, sokken aan, petje op, bidongordel om, en weg. Ik voel aan het publiek dat ik indruk aan het maken ben, ik vermoed door het gat dat ik heb op de achtervolgers. Maar nog steeds geen cijfers.

Tot mijn opluchting voelen de benen fantastisch. Er staat wat spanning op de benen, maar dat is logisch na het fietsen. Geen spoortje van kramp. Niet in de quadriceps, niet in de knieholtes, niet in de kuiten, nergens. Okselfris voelen de benen.

Ik ga hard weg. Mocht er al iemand in de buurt zijn, dan wil ik hem bij deze de hoop op winst definitief de grond in boren.

Bij de eerste verzorgingspost, na een dikke kilometer, smacht ik al naar verkoeling. Ik ben de eerste die passeert, en de vrijwilligers zijn nog niet op hun post. Ik mis daardoor bijna m'n sponzen en moet het met een half bekertje water doen. Een kilometer later, bij een keerpunt waar alweer een verzorgingspost staat, haal ik de schade in door drie bekers koud water aan te pakken. Ik druk de stopwatch in om het verschil met nummer twee te klokken. Dat is Menno Oudeman, en het duurt ruim drie minuten voor ik hem zie. Kort daarachter loopt Jan-Roelf Heerssema.

Dik drie minuten maal twee betekent bijna zeven minuten voorsprong. Da's veel, het is nog lang, dus ik neem wat gas terug. Lekker blijven lopen en me goed blijven verzorgen, dan moet ik deze klus kunnen klaren.

Met mij mee fietst een jongen van de organisatie. Ter begeleiding van de koploper. Hij kwijt zich uitstekend van zijn taak. Bij iedere passage van een verzorgingspost kondigt hij mijn komst met een hoop bombarie aan, waarop de vrijwilligers zich in slagorde opstellen. Het protocol is dan als volgt:

- Vrijwilliger 1 geeft me twee drijfnatte sponzen. Die knijp ik uit over m'n hoofd, nek en armen.
- Vrijwilliger 2 geeft me twee bekers water. Eén drink ik op, de tweede giet ik over me heen.
- Vrijwilliger 3 geeft me nog eens twee sponzen. Die neem ik mee, en knijp ik uit in de anderhalve kilometer naar de volgende verzorgingspost.
(- Bonusvrijwilliger 4 spuit me elke ronde (op mijn verzoek), met een tuinslang op maximaal vermogen eerst recht in het gezicht, en daarna vol over m'n rug.)

Bij elke stap sopt het water in m'n schoenen. Ik trek een spoor van natte voetstappen over de Didamse weggetjes. Het loopparcours is inmiddels volgelopen met deelnemers aan de kwart triathlon. Mijn wegbereider doet ook hier uitstekend werk. Op kordate doch vriendelijke wijze maant hij de deelnemers naar de rechterkant van het parcours wanneer ik eraan kom. Dat scheelt een hoop gezigzag op de soms smalle paadjes. De eerste tien kilometer klok ik af in 35:32. Terwijl ik echt geen 3:33 per kilometer loop. Blijkbaar is het looprondje iets te kort. Ik vind het prima. Hoe sneller ik klaar ben, hoe beter. Ik maak al plannen voor na de finish: in het meertje duiken om af te koelen, een colaatje drinken, en iets eten dat druipt van het vet. En de proloog van de Tour de France kijken.



Voor het zover is dient er nog tien kilometer gelopen te worden. Ik maak me nu geen zorgen meer over de afloop. Op m'n maag na voel ik me kiplekker. Ik permitteer het me om grappen te gaan maken. Geen grote grollen, maar toch. Voor me uit loopt een deelnemer, in een tenue waarop z'n naam staat. Bach. 'Bent u de echte Johannes Sebastian?' vraag ik hem bij het passeren. 'Ik ben inderdaad erg muzikaal aangelegd', antwoordt de heer Bach me, met een grijns van oor tot oor. Inspirerend is ook het groepje dames die me aan het eind van elk rondje toejuichen alsof ik een wereldkampioenschap aan het winnen ben. Telkens als ik langskom springt hun enthousiasme me in golven tegemoet.

Ik ga er zelfs harder van lopen. De tweede tien kilometer gaat, vooral door een snellere laatste ronde, in 35:18. Na de finish blijk ik het hele veld, behalve de nummers twee en drie, op een loopronde achterstand gezet te hebben. De basis van de overwinning lag op het fietsen. Volgens mij heb ik nog nooit zo hard gereden op een 80 kilometer, en daarna zo makkelijk zo hard kunnen lopen. The Dean didn't bite me today.

Na de vecht-overwinningen in Oud Gastel en Klazienaveen smaakt deze overwinning erg zoet. Ik heb een onvoorstelbaar goede dag gehad. Zo'n dag die je niet eens één keer per jaar hebt. Waarop je kan blijven gaan. Geen last hebt van de hitte, je benen niet voelt, je mentaal alles op een rijtje hebt. En je na afloop, in de achtertuin van Barendrecht, bij Ahoy', de proloog van de Tour de France mag bekijken. Als toetje. Met in de ene hand een cola, en in de andere hand een patat met.

Uitslag halve triathlon Didam, zaterdag 3 juni 2010

1. Bert Flier 3:35:58
2. Menno Oudeman 3:50:16
3. Jan-Roelf Heerssema 3:50:48