Welkom

Ik hoop dat je inspiratie vindt op mijn site!

Reacties of suggesties voor onderwerpen zijn welkom op mijn e-mailadres: bertflier72@gmail.com.

Veel plezier,

Bert Flier

maandag 23 augustus 2010

NK offroad Kijkduin: Kroon op het seizoen

'Bert Flier en de Beach Challenge, ze hebben wat met elkaar. Niet alleen is de Barendrechter een trouwe deelnemer - hij startte in tien van de dertien edities tot nu toe - ook bezet hij er de laatste jaren vrij constant het podium. De vorige NK-editie in 2007 op plaats één, en de twee jaren daarna als tweede. Maar dit jaar, met de Beach Challenge wederom als NK cross-triathlon, weer terug op de hoogste trede'.

Tot zover het wedstrijdverslag op http://www.triathlonweb.nl/ (zie ook http://www.youtube.com/watch?v=h04oG1bVlF0 en http://www.westonline.nl/programmas/tvwestsport voor beeldmateriaal)

Deze intro behoeft toelichting op twee punten.

1. Inderdaad hebben Bert Flier en de Beach Challenge wat met elkaar. Maar, zoals in elke relatie, is het niet altijd koek en ei geweest tussen ons tweeën. De Beach Challenge heeft me doen lijden, gefrusteerd, heeft me fysiek en mentaal op de pijnbank gelegd. In m'n eerste start mis ik een boei, waardoor ik zowat aan de monding van Thames eindig in plaats van op het strand van Kijkduin. In een andere editie moet ik vanwege een stootlek tien kilometer (tegenwind natuurlijk) op de velg rijden voor ik mag wisselen. Ik heb, in twee verschillende wedstrijden, potentieel dodelijke salto mortales gemaakt. Ook wat ik vantevoren dat ik tijdens het lopen steevast kotsmisselijk ben vanwege ingeslikt zeewater. Dan noem ik niet eens de twee tot drie kleine valpartijen per aflevering en de onverklaarbare schaaf- en snijwonden die ik na elke finish moet behandelen. Alsof ik in een rol prikkedraad ben gesprongen. Komt omdat ik zo dicht mogelijk langs de bomen en struiken stuur, en daarbij regelmatig wat schamp.

Ik heb moeten leren dat mijn karakter mijn grootste tegenstander is in offroad triathlons. In wegtriathlons kan ik prima doseren en taktische afwegingen maken. Niet bij de Beach Challenge. Daar ga er altijd vol in. Zonder voorbehoud. Hoe woester de zee, hoe harder de wind, hoe donkerder de wolken, hoe meer ik me in m'n element voel.

Ik heb ontdekt dat ik in apocalyptische omstandigheden overga op zelfdestructiemodus. In 2007, toen ik Ironman Hawaii deed, sprak ik een oude, wijze Zwitser. Hij was piloot geweest en verhuist naar Hawaii vanwege gezondheidsredenen. Hij leefde al 15 jaar langer dan de Zwitsere doktoren hem hadden gegeven. Hij had zijn extra tijd besteed aan het leren van de inheemse taal en de cultuur van het eiland. Daarmee had hij ook een groot psychologisch inzicht verworven. Hij vroeg of hij me een persoonlijke vraag mocht stellen. 'Go ahead', zei ik. 'Were you a drug addict?', vroeg hij me.

Die vraag sloeg in als een bom. Ik heb weliswaar nooit drugs gebruikt, maar hij herkende in mij wel het persoonlijkstype. Expert ben ik niet in de chemische gevolgen die triathlons hebben, maar ik weet wel dat ik me het prettigst voel na een zware inspanning. En dat dat verslavend werkt.

Zware omstandigheden, in combinatie met een grote wedstrijd, maken me onrustig. Een donker, gloeiend oerinstinct komt dan naar boven. Nauwelijks te controleren. Wat het is, en waar het vandaan komt, ik weet het niet. Het is m'n kracht, en m'n zwakte. Alsof er binnenin me een heftige strijd wordt gestreden. Het creëert angst, maar het inspireert tegelijkertijd. Lanzarote, de Beach Challenge, Hawaii, Almere, Ameland, Allgäu: dat zijn de wedstrijden waar dat oerinstinct opleeft. Daarom ook wil ik zo graag de Beach Challenge winnen. Juist omdat ze me met mezelf confronteert en het me zo moeilijk maakt.

En toch ben ik niet bang voor de grillen van de Beach Challenge. Sterker nog, ik kijk uit naar m'n jaarlijkse weerzien met de Haagse dame. Net voor de start ben ik heel ontspannen. Ik herinner me niet meer wat dit onderonsje met Cesar Beilo (rechts, voor de kijkers links) inhield, maar het lijkt alsof ik hem complimenten maak over z'n pak. Johan Neevel (links, voor de kijkers rechts) zit al in z'n eigen wereld.
Foto's: Herman Vrijhof

2. Het vrij constant bezetten van het erepodium is slechts van de recente jaren. De meeste edities finishte ergens ver achter de winnaars. Meestal omdat ze gewoon beter waren dan ik, soms door pech, maar vooral omdat ik mezelf al vroegtijdig had uitgeschakeld. De eerste edities scoorde ik al eens een snelste fietstijd en één van de snelste looptijden. Maar als je vervolgens grote steken laat vallen op de andere onderdelen, dan kan je 't wel vergeten. Toch is in die eerste edities de overtuiging gegroeid dat ik de Beach Challenge moet kunnen winnen. Mits ik me niet al te veel op sleeptouw laat nemen door de krachten die de Haagse dame in me los maakt. Ook heb ik geleerd dat je foutjes mag maken. Dat wil ze je vergeven. Als je het later maar weer goed maakt.

Terug naar de editie 2010. Samen met Herman Vrijhof loop ik naar de start. Herman heeft me meer dan tien jaar begeleid. Hij kent dus ook mijn Beach Challenge-verleden. Hoe hij het precies formuleerde weet ik niet meer, maar het komt erop neer dat hij vraagt met welke ambities ik start, en of ik al een wedstrijdtaktiek in gedachten heb.

Meestal ben ik niet zo uitgesproken, maar deze keer durf ik hardop te zeggen dat ik start voor de winst. Ik heb een stuk of acht scenario's in m'n hoofd. Met allemaal dezelfde uitkomst. Winst. Hoe ik ook m'n best doe, ik kan niet op een scenario komen waarbij ik niet win.

Het schiet daar m'n hoofd dat ik me wel eens vaker zeker heb gevoeld. Rotsvast overtuigd van m'n kunnen. De uitkomst was dan meestal een desastreuze wedstrijd. Omdat ik op mezelf vertrouwde. Ik heb geleerd dat ik dat dus niet moet doen. Want mijn kunnen bepaalt de uitslag niet. Dat doet de Grote Machinist, zoals een clubgenoot me dat, na het lezen van het wedstrijdverslag van Allgäu, zo mooi mailde.

Het inzwemmen doet m'n hart sneller kloppen. De branding is ruw, en als je daar eenmaal doorheen bent, krijg je te maken met een woelige, soms kolkende zee. Er staan golven van twee meter hoog. Een ritme kan ik er niet in ontdekken. Het zwemmen wordt zwaar. Een golf adrenaline stroomt door me heen. De Haagse dame heeft me al in haar ban, nog voor het startschot is gelost.

Vlak voor de start ijk ik mezelf. Agressief racen, maar toch beheerst. Risico's nemen, maar geen onverantwoorde. Niet tegen, maar met de elementen strijden. Niet racen voor eigen eer en glorie, maar voor Degene die de zee, het strand en de duinen gemaakt heeft.

Ik stel me op voor de startstreep. Een minuut voor de start sprint een paar man de branding in. Valse start. Ik houd me rustig. Dan valt het startschot. Ik ben goed weg, en kom zonder veel inspanning door de branding. Als tweede rond ik de eerste boei, een meter of twintig achter Erik Wolsing, de beste zwemmer van het veld. Na de boei leidt het parcours linksaf, parallel aan de kust. De golven komen van rechts. Ik adem links. Ondanks dat ik de golven niet zie aankomen, kan ik redelijk blijven zwemmen. Hoog op het water liggen, het ritme aanpassen en lekker beuken. Niet normaal zoals de zee tekeer gaat. Het ene moment lig je in een golfdal van twee meter diep, het volgende moment heb je uitzicht over half Den Haag. Scènes uit Deadliest Catch flitsen voorbij. Ik geniet met volle teugen. Dit is offroad triathlon zoals het bedoeld is. De mens met de elementen. En ik lig nog steeds op de tweede plaats. Een paar slagen rugslag leren me dat drie man min of meer in m'n voeten liggen: bij elke golf wordt het groepje door elkaar gehusseld. De momenten dat ik op een golftop lig, gebruik ik om me te oriënteren.

Net voor de keerpunt-boei komt Johan Neevel me voorbij. Ik nestel me in zijn voeten - voor zover dat kan tenminste. Het laatste stuk, terug naar het strand door de branding, kunnen we half body-surfend afleggen, zo hard duwen de golven ons naar het strand. Op het strand dienen we een stuk terug te lopen, en dan weer de branding door voor het laatste lusje zwemmen. Dat is lastig. Het bloed zit in je schouders en bovenlichaam, je moet gaan staan, sprinten over het strand, weer terug de branding in, en weer gaan zwemmen.

Ik overleef de strandpassage, en duik samen met Cesar Beilo weer de branding in, op weg naar de keerpuntboei. We komen een paar golven tegen van heb-ik-jou-daar. Boven het bulderen van hoor ik Cesar roepen. 'Dit heeft niets met zwemmen te maken.'

In een kopgroepje van drie kom ik terug op het strand. Erik Wolsing, die twee minuten voorsprong had, blijkt te zijn fout gestuurd bij de eerste strandpassage en komt gelijk met Cesar en ik uit het water. Johan heeft in het laatste stuk ons moeten laten gaan.

De wissel is goed, en met z'n drieën rijden we de boulevard over, het strand op. Zeven kilometer tegenwind tot aan het keerpunt in Ter Heyde, vijf kilometer meewind, dan een benenbrekend lusje door de Puinduinen met drie trappen, en nog eens twee kilometer meewind tot aan Kijkduin. En dat rondje daarna nog een keer.

De belangrijkste concurrenten voor de NK-titel is Rorik Schouten. Voor de overall-winst doet ook de winnaar van vorig jaar, de Belg Paul Embrechts, mee. Ik heb de eerste slag geslagen, want zij zitten er niet bij. Dat is het goede nieuws. Minder prettig is dat Johan niet bij ons zit. Die fietst namelijk goed, en met z'n vieren is het nog harder rijden dan met z'n drieën.

Wij geven hem de kans om terug te komen, maar één tegen drie (je mag stayeren in offroad triathlons) blijkt een oneerlijke strijd. Cesar, Erik en ik rijden kop over kop en werken prima samen. Alles lijkt soepel te gaan. Totdat we naar links moeten om een diepe plas te ontwijken, en de camerawagen van TV West bijna dwars op ons groepje inrijdt. Het gaat net goed.

Erik rondt als eerste het keerpunt, en trekt meteen vol door. Met dit soort wedstrijden zijn de stukken meewind het zwaarst. Dan kan je iemand lossen. Cesar moet meter voor meter prijsgeven. Ik laat Erik op twintig meter rijden, en zoek naar de ontspanning. Johan zit op veertig seconden, maar heeft gezelschap gekregen van Paul Embrechts. Die is dus aan het terug komen. Dat geldt ook voor Rorik Schouten, die aan een opmars bezig lijkt. Alles ligt nog open.

De eerste passage van de Puinduinen doe ik op een paar procent reserve. Voor zover dat mogelijk is. Want het blijft zwaar, drie keer een trap van 50, 60 treden binnen vijf minuten. Op een vlak gedeelte, in een nieuw lusje, maak ik bijna een cruciale fout. Ik wil rechtdoor, terwijl het parcours naar rechts gaat. Erik, die achter me zit, corrigeert me. Had ik alleen gereden, dan was het hier fout gegaan.

Vanaf de Puinduinen het strand op is weer een sleutelmoment. Het lactaat van de drie trappen zit nog in je systeem, en dan moet je vlak daarna tweehonderd meter door het mulle zand rijden om op het harde zand te komen. Ik haal het net. Erik doet het net wat beter en pakt weer twintig meter. Het is nog een dikke kilometer voor de wind tot aan het keerpunt bij Kijkduin. Dat heeft de sadische organisatie middenin het mulle zand gelegd.

Precies wanneer we het keerpunt ronden, sluit Paul Embrechts aan. Die heeft dus in z'n eentje veertig seconden goed gemaakt in zeven kilometer tijd. Erg sterk. Cesar Beilo is in geen velden of wegen te bekennen, en Rorik moet de lus door het mulle zand nog maken wanneer wij alweer tegenwind naar Ter Heyde rijden.

Met z'n drieën. En Rorik zit alleen. Vooral Paul doet lange, harde aflossingen. Ik ben blij dat ik af en toe mag schuilen, want de benen beginnen al wat moe te worden. Ik bereid me alvast voor op het stuk meewind van straks.

Bij het keerpunt moeten Erik en ik van de fiets. Paul is handiger met de mountainbike, maakt een bredere bocht, en kan blijven fietsen. Hij pakt direct een kleine voorsprong. Die breidt hij meter voor meter uit. Heel langzaam rijdt hij van me weg. Ik geef bijna alles om hem niet verder te laten wegrijden. Erik rijdt gelijk op met mij, maar moet mij tenslotte toch laten rijden. We staan allebei op breken.

Ondertussen heb ik Rorik getimed. Hij zit op drie minuten. Dat betekent dat het erg lastig voor hem wordt, maar niet onmogelijk.

Net voor de strandopgang naar de Puinduinen maakt Paul een kleine navigatiefout waardoor hij
wat snelheid verliest. Ik pak weer wat terrein terug, en kom op vijf seconden van hem het asfaltweggetje richting Puinduinen op.

De seconden die ik op het strand pakte, raak ik kwijt op het laatste zandpaadje voor de Puinduinen. Een gedubbelde deelnemer zit me in de weg.

Ik wil het gat weer dicht hebben, en trek hard door op de grasstrook naar de eerste trap. Het wemelt hier van de gedubbelde atleten. De meesten maken ruimte, maar precies in de lastigste bocht moet ik weer vol in de remmen.

Twintig meter later begint de eerste trap. Die staat vol met gedubbelden. Paul loopt twintig treden voor me. Iedereen maakt netjes plaats voor ons, maar in de afdaling moet ik weer vol in de ankers om niet iemand de bosjes in te rijden. Zo jo-joot de achterstand tussen de vijf en tien seconden, en is er een extra variabele toegevoegd aan het toch al niet eenvoudige parcours. Het inhalen van langzamere deelnemers.

Bovenaan de derde trap heb ik Paul bijna te pakken, maar in de afdaling is hij net weer wat handiger. Vooral op het stuk mulle zand naar het harde strand pakt hij flink wat meters. Ik blijf hard, maar net niet voluit, rijden. Paul mag wat voorsprong pakken, maar niet teveel. Hij loopt net zo goed als ik. Er is nog tien kilometer te lopen. Daar zal de beslissing vallen.

Ik heb het bloedheet in de laatste fietskilometer. Ik overweeg om even de zee in te springen, maar verwerp dat idee meteen. Een tel later krijg ik een lumineuze ingeving: naast mijn fiets heb ik een teiltje zeewater gezet om m'n voeten in af te spoelen na het zwemmen. Dat ga ik over m'n hete harses gooien.

En zo doe ik het ook. Ik doe m'n loopschoenen aan, pak het teiltje op, en giet de complete inhoud over m'n hoofd. Dat is lekker koel. Maar ook verschrikkelijk zanderig. Want niet alleen mijn voetjes, maar ook die van buurman Ron Hendriks zijn daarin afgespoeld. Van top tot teen zit ik onder de natte zandkorrels. Tot diep in de nacht ben ik bezig geweest om mezelf weer schoon te krijgen. Scrubben voor gevorderden.

Maar dit terzijde. Want er moet nog tien irritant lastige kilometers gelopen geworden. Paul heeft dertig seconden voorsprong. Ik maak me daar de eerste kilometer niet druk over. Op de boulevard voel me ik me nog redelijk, maar zodra ik in de duinen loop, begin ik me ziek, zwak en misselijk te voelen. Zoals zo vaak in de Beach Challenge. Of het nu komt door binnengekomen zeewater, door de trappen in de Puinduinen, het rijden over het strand of een combinatie daarvan, ik durf het niet te zeggen. Maar wel dat ik me flink verrot voel.

In de verte zie ik Paul lopen. Hij oogt fit. Fitter dan ik. 'Hoe graag wil je 'm winnen?' vraag ik mezelf. Heel graag, is het antwoord, maar nu even niet. Ik ben al blij dat ik een normaal kan blijven lopen, en besluit de wedstrijd even de wedstrijd te laten. Nu forceren is zelfmoord. Ik dissocieer me van de wedstrijd, probeer m'n ademhaling omlaag te krijgen, kijk naar de lucht en, bovenop een duin, naar de zee. Ik constateer dat het een mooie zomeravond is.

Op het strand, aan het eind van de eerste ronde van vijf kilometer, zie ik Paul weer voor me. Hij lijkt niet te zijn uitgelopen. Dat geeft wat moed. Dan moet hij het net zo lastig hebben als ik. Een sprankje hoop vonkt op.

Dat sprankje wordt een vuurtje wanneer ik de boulevard opkom. Ik word van alle kanten aangemoedigd. 'Vijfentwintig seconden!' hoor ik iemand roepen. Het kan dus toch nog. Het ergste van m'n inzinking is over. Ik voer het tempo op.

Een kilometer later zie ik Paul, net voor een bocht, weer voor me. Het gat is kleiner geworden. Niet veel, maar genoeg om te beseffen dat het kan. Een golf van emotie welt in me op. Het hele jaar de Beach Challenge als doel gehad, me zo zeker voelen voor de start, getest tot en met, aan het twijfelen gebracht in de eerste loopronde, en dan nu de kans om het af te maken.

De golf van emotie ebt weg, en ik herpak me. Als ik zeker wil zijn, dan moet ik voor het laatste stuk over het strand, waar de wind tegen staat, alleen op kop lopen. Ik focus met volledig op Paul, en trek hem meter voor meter naar me toe. Hoe dichter ik hem nader, hoe sneller het gat slinkt. In een afdaling haal ik hem in, verhoog het tempo nog wat, en trek door op de asfaltstrook richting het strand.

Ik ben vijftig meter los wanneer ik het strand oploop, en weet dat de winst binnen is. Ik zie hier geen verslaggever. Bij de finish zit iedereen in spanning. Alleen Paul en ik weten al wat de uitslag zal zijn. Dat is een heel apart gevoel. Nog anderhalve kilometer mag ik alleen genieten van deze voorkennis. Het voelt als een soort van vacuüm in de tijd. De uitslag ligt al vast, maar is nog niet officieel. Mijn hersenen produceren een rare gedachte. Dat zou wat zijn, als ik nu de zee induik. Gewoon, om lekker te zwemmen in de branding. Alsof je met geen wedstrijd bezig bent. Flauwekul natuurlijk. Dat krijg je wanneer je hersens zich na tweeënhalf uur concentreren weer mogen ontspannen.

Eenmaal op de boulevard merk ik pas hoezeer ik getest ben vandaag. Voor het eerst in de wedstrijd herken ik gezichten langs de kant. Na de finish voel ik me in eerste instantie vooral moe. Daarna komt stukje bij beetje het besef wat ik heb mogen presteren.

De Haagse dame getemd, en Nederlands kampioen offroad triathlon. De kroon op het seizoen.

Een begenadigd zanger ben ik niet, dus tijdens het Wilhelmus zing ik in gedachten mee. Ik haspel de woorden van het eerste en zesde couplet door elkaar:

Wilhelmus van Nassouwe Ben ik, van Duitsen bloed Op U zo wil ik bouwen Verlaat mij nimmermeer Dat ik toch vroom Mag blijven uw dienaar 't aller stond Den vaderland getrouwe Blijf ik tot in den dood De tirannie verdrijven Die mij mijn hart doorwondt

Uitslag NK cross triathlon 2010, Beach Challenge Kijkduin - zaterdag 21 augustus

1. Bert Flier (1e NK) 2.21.11
2. Paul Embrechts (België) 2.22.44
3. Rorik Schouten (2e NK) 2.25.58
4. Marc-Philipp Prins (3e NK) 2.27.57
5. Jef Dams (België) 2.30.32

woensdag 18 augustus 2010

Goud van Oud: Energie goes USA - deel 2

Week 2 (schrijver: Bert Flier)

Maandag
We willen vandaag naar een groot pretpark gaan zonder schuldgevoel over te weinig trainen. Daarom beginnen we ’s ochtends vroeg. Om 5.30 opstaan, eten, en 10 km lopen naar het zwembad. Bij het zwembad hebben we 1.15 uur de tijd om 4 km te zwemmen. Dat wordt dus rammen. We delen de training in in 4x1000m progressief, variërend van 15 blank tot 13.57. [Wat een discipline en trainingsijver, ik sta er 15 jaar later van te blozen]. Uit het zwembad lopen we weer 10 km naar huis. Volgens het schema moet het laatste half uur hard worden gelopen; de kilometers gaan van 3.50 naar 3.30. Op de heen- en terugweg knijpen we 'm wanneer we langs het erf van een white trash familie lopen. Een schrikwekkende hellehond stormt op ons af. Hij zit aan de ketting, maar hij stormt op ons af alsof hij van geen ketting weet. Het beest wurgt zichzelf bijna. Had de ketting gebroken, dan waren we er geweest.

Om kwart over negen zijn we klaar met de trainingen van vandaag. Op de heenweg naar Cedar Point ontbijten we dat het een lieve lust heeft. Opdat we onderweg niet ter aarde storten. Nadat Arco nog wat toiletten in het etablissement heeft bevuild, kunnen we naar Cedar Point gaan.

Cedar Point ligt op een schiereiland en is Amerikaans groot. Waar de Efteling één schamele achtbaan heeft, heeft Cedar Point er veertien, de een nog groter en vreeswekkender dan de ander. Vandaag schijnen de wachtrijen niet lang te zijn, alhoewel ik dik een uur wachten voor een ritje van tweeënhalve minuut wel wat aan de lange kant vind. Als echte Hollanders willen we zo veel mogelijk waar voor ons geld. We lopen dus PR’s om zo snel mogelijk van de ene naar de andere attractie te komen. Een van de mooiste attracties is de wet ride. Op weg naar boven, wanneer het water onderin de nepboomstam klotst, probeert iedereen krampachtig de voeten droog te houden, om er in de afdaling achter te komen dat de complete boomstam inclusief menselijke inhoud door een metershoge vloedgolf wordt overspoeld. Zeik- en zeiknat wandelen we even later door het park. We maken er een lekker lang dagje van, maar na 10 uur pretparken zijn zelfs wij het zat. Van die 10 uur zijn we netto een half uur in de attracties geweest, de rest breng je door met wachten. Amerika, land van de short kick.

Dinsdag
Vandaag hebben we een behoorlijk zware dag. ’s Ochtends staat er 80 km fietsen op het programma, niet te hard. ’s Middags gaan we eten in Oberlin. We hebben daar een supertent gevonden: all you can eat voor het schamele bedrag van 4 dollar. En gratis refills. We zijn van plan ze helemaal failliet te gaan eten.

Arco, die behoorlijk dorstig is van al dat gefiets van vanochtend, vult direkt bij binnenkomst een literglas Mountain Dew. Die toverdrank kennen we niet in Nederland, maar ik kan verklappen dat daar drie keer zo veel cafeïne en acht keer zo veel giftstoffen in zit als in Coca Cola. Binnen een minuut klokt hij zijn kelk leeg, schept vervolgens zijn bord vol met een kop van heb-ik-jou-daar, en doet vervolgens een refill van nog een liter Mountain Dew. Die is in no time ook in zijn keelgat uitgestort.

Kort daarna krijgt Arco geweldige buikpijn. Onderweg naar huis krepeert hij van de pijn. Bloedserieus vertelt hij: ‘ik denk dat ik een maagzweer heb’. Wij denken dat het door wat anders komt.

Aan het eind van de middag, wanneer de maaltijd een beetje verteerd is, zwemmen we drie kilometer los in het zwembad. Daarna start er een intervaltraining op de indoorbaan op het schema. Wanneer we ons aan het inlopen zijn, voltrekt zich een scène uit een film. Vanuit de diverse ingangen stromen tientallen cheerleaders de hal binnen, in leeftijd variërend van 16 tot 20 jaar. Het zijn er zoveel, dat het gehele middenterrein, zes tennisbanen groot, geheel in beslag wordt genomen door de dames, de een nog fruitiger dan de ander.

Arco in het bijzonder voelt zich als een leeuw temidden van een kudde zebra’s. Het schuim staat bijkans op zijn lippen. Al tijdens het inlopen begint zijn hartslagmeter te piepen van jewelste. Geïnspireerd door de kunsten die de cheerleaders op het middenterrein demonstreren, starten we ons baanprogramma bijzonder voortvarend. We bulken van de motivatie. Dit is andere koek dan tempoblokken draaien op het gloeiend hete asfalt van highway 511.

Arco, waarvan we niet kunnen zeggen dat hij is overgoten met looptalent, zet tijden neer waar Ben Johnson een punt aan kan zuigen. Ook wij lopen tijden die op de Olympische Spelen finaleplaatsen zouden opleveren.

Een paar setjes later is het over met de pret. De hal blijkt speciaal te zijn afgehuurd voor de cheerleader-activiteiten. Tot onze teleurstelling wordt ons vriendelijk verzocht de hal te verlaten. Wij mogen buiten spelen, in de bloedhitte, terwijl de dames binnen, airconditioned en wel, hun kunsten perfectioneren.

Diep bedroefd verleggen we ons werkterrein naar het tartan buiten. Tijdens onze 400-meter setjes zien we zowaar een Harry Heeke-look-a-like. Het contrast met de cheerleaders binnen kan niet groter zijn. Maar ja, je wilt toch weten of hij misschien verre familie is van de roemruchte Barendrechtse Harry, en we knopen een gesprekje aan. Hij blijkt de loopcoach van het college te zijn met een PR van 14.37 op de 5 km. Wanneer hij hoort dat we uit Nederland komen, vertelt hij iedere week aan zijn pupillen de Olympische 800m damesfinale van Ellen van Langen te zien en te zweren bij het boek van Peter Janssen: Melkzuur, hartslag, en training. Volgens ons kan hij zijn groep beter wekelijks indoor tegelijkertijd met de cheerleaders op de indoorbaan laten trainen. Wij zouden het wel weten. Daar kan geen hartslagmeter tegenop.

Woensdag
Er dient vandaag een duurloop van 30 km afgewerkt te worden, waarbij de temperatuur boven de 40 graden zal uitkomen. Daarom zetten we op het 9 km-punt een 10-liter jerry can met water neer, gekoeld door 20 king size ijsblokken en een stuk of wat diepgevroren vrieselementen. Op de heenweg maak ik een vreselijk avontuur mee wanneer een Duitse herder, maat paard, vanaf een erf op me af komt stormen. Ik blijf stokstijf staan en zie m’n hartslag acuut in de verzuring schieten. Ik zoek verwoed in het Woudloperszakboekgedeelte van m’n geheugen of je in dergelijke situaties de hond in de ogen moet kijken of juist niet. Ik gok op het laatste, en fixeer mijn ogen op die van het monster. Dat blijft plots staan, trekt z’n gele tanden bloot, en begint me diep grommend te besluipen. Ik blijf hem recht aankijken, en draai mee wanneer hij naar mijn flank probeert te draaien. Op het moment dat ik denk ‘dit moet niet lang meer duren’, komt er een vrouw van het erf afrennen. Ze grijpt de hond in z’n nekvel en kijkt me bezorgd aan. ‘Did he bite you?’ vraagt ze. ‘No’, zeg ik, een beetje wit wegtrekkend. ‘You are the first’, zegt ze, terwijl ze het kreng weer terug het erf opsleept.

Het duurt kilometers voor het rubberen gevoel in de benen is verdwenen. Onderweg drink ik bijna vier bidons, wat nog te weinig is vanwege de bloedhitte. Ik loop een heen-en-weer-parcours en ben als de dood wanneer ik weer langs de boerderij met de hond moet. Deze keer zit het mormel gelukkig achter slot en grendel.

’s Middags gaan we 40 km losfietsen. Wanneer we bijna thuis zijn breekt er een noodweer los. De temperatuur zakt 15 graden en tussen de regendruppels zit nog wat hagel. Kop over kop fietsen we naar huis op een tempo wat allang geen losrijden meer genoemd kan worden. Onweer hier is wat anders dan in Nederland. Links en rechts slaan de bliksemflitsen in. De andere dag blijken we allemaal kou gevat te hebben. Om de drie trainingen vol te maken, zwemmen we aan het eind van de middag nog een uurtje in het superbad in Oberlin.

Donderdag
In de ochtend gaan Jerry en ik 70 km losfietsen over heerlijk glooiende wegen. Ard moet vandaag werken en Arco gaat de looptraining van gisteren inhalen. Hij presteert het om 2½ uur te lopen op één bidon water. We meten de temperatuur: in de volle zon, op het asfalt, is het 45 graden. Tot onze verbazing is Arco nog bij kennis wanneer hij terugkomt, en kan hij zelfs samenhangende zinnen produceren.
’s Middags bestijgen Jerry en ik onze rossen nogmaals. Nu voor een 55 km temporit, die we in 35 km/uur afraffelen in de heuvels. Wanneer Ard thuis is plonzen we nog even het zwembad in, waarmee we deze soort van rustdag afsluiten.

Vrijdag
Vandaag is het koud. De temperatuur komt niet boven de 30 graden, en er staat een strakke wind. Vandaag gaan we maar weer eens een stuk fietsen. 120 km, waarvan de eerste helft vals plat en wind tegen. Dat schiet dus niet op. We drinken alsof we in de Sahara zitten, en binnen de kortste keren zitten we alle vier met aandrang. Na 30 km lassen we een plaspauze in. Als de vier Daltons stellen we ons op in een greppel langs de weg. Een beetje uit het zicht, maar niet helemaal. Terwijl we de laatste druppels afslaan, rijdt er een auto langs. De bestuurder mindert vaart, draait het raampje open, en roept dat we in overtreding zijn. En of we zo snel mogelijk op willen rotten, en dat de sheriff op ons af gestuurd gaat worden.

Wij zijn ons van geen kwaad bewust en hebben geen idee waar we in deze desolate omgeving anders onze blazen kunnen legen. Even later worden we bijgehaald door een politiewagen. Achter het stuur zit een erg boze sheriff. Hij zegt dat hij ons hier nooit meer wilt zien en of we zo snel mogelijk uit zijn county willen rijden. Onder politiebegeleiding rijden we door het dorpje waar de sheriff de scepter zwaait. We wanen ons in een Dukes of Hazard episode. De sheriff laat ons pas met rust wanneer we over de grens van zijn territorium zijn. Zwaar teleurgesteld in de plasvrijheid van Amerika rijden we verder. We hebben inmiddels al weer aandrang. De volgende plasstop bereiden we voor als ware het een militaire undercover-operatie.

Gelukkig verloopt de twee helft een stuk voorspoediger. De wind staat in de rug, we hebben het vals plat mee, en er rijden geen sheriffs op ons achterwiel. De teller komt amper onder de 40, zodat we een beetje het Tour-gevoel krijgen. Thuis kunnen we een gemiddelde van 34 bijschrijven in de annalen. ’s Avonds gaan we weer naar het supersonische zwembad in Oberlin voor 5 km zwemmen. De kern bestaat uit 5x400 en 10x200. Ik zwem op het laatste 400tje zowaar een PR en kan daarna nog een setje strakke tijden op de 200 op de klokken zetten. Misschien wordt het nog wel eens wat met dat zwemmen.

Zaterdag
Vanochtend rijden we om 7 uur weg voor een 200 km. We houden het simpel: 100 km heen, draaien, en 100 km terug. De eerste 50 km kennen we. Vals plat tegen richting Ashland, dwars door de akkervelden. De zwakke wind staat tegen. Niet echt inspirerend, het lijkt hier wel erg veel op de Hoeksche Waard. Na Ashland begint de weg steeds meer te golven en wordt de omgeving bosrijker. Er rijden hier weinig auto’s, het is heerlijk rustig en de zon begint steeds meer kracht te krijgen. Ons humeur stijgt met de kilometer, want zo veel zin hadden we niet vanochtend. Je zou het zelfs tegenzin kunnen noemen.

Na 70 km houdt de 511, waar ook ons huis aan staat, eindelijk op. We rijden een soort Duits/Luxemburgs landschap binnen, onwaarschijnlijk groen en heuvelachtig. We passeren tot de verbeelding sprekende plaatsjes. Zoals Widowville. Er zitten kogelgaten in het plaatsnaambordje. Aan mijn geestesoog zie ik de hoofdstraat van Widowville voor me, honderd jaar geleden. De gehele gemeenschap is daar verzameld. Twee cowboys, met getrokken pistool, lopen langzaam van elkaar weg, de ruggen naar elkaar toe. Na twintig passen keren ze zich bliksemsnel om om elkaar kapot te schieten, hun vrouwen eenzaam achterlatend.

Na Widowville wordt het landschap steeds heuvelachtiger. Bergen kan je het nog niet noemen, maar we moeten af en toe uit het zadel om de klimmetjes, anderhalf tot twee kilometer lang tot maximaal 10%, op te rijden. We zijn inmiddels Amish country binnengereden. Op een bekllimming haal ik een paard en wagen in. De twee Amish kinderen achterin de huifkar moedigen me uitbundig aan, de man op de bok knikt me vriendelijk toe. Ze blijken gastvrij, want je kunt zonder afspraak hun huizen bekijken om te zien hoe de Amish leven. Dat doen we overigens niet. Wij zijn hier om te fietsen, en we zouden wel erg detoneren in onze wielerkleding met de outfit van de Amish.

Na 100 km stoppen we bij een benzinestation. We zijn nog steeds erg voorzichtig met onze sanitaire stops en kunnen ons geluk niet op wanneer we een kraakhelder toilet aantreffen. Lekker een plek waar we zonder kans op bekeuringen of arrestaties kunnen bevallen. Per persoon anderhalve kilo lichter beginnen we aan de terugweg.

Met nog 50 km voor de wielen rijdt Jerry lek. Ik heb de onvolprezen Zefal-pomp bij me en biedt aan het pompwerk voor mijn rekening te nemen. Ik pomp net zo lang tot ik in de verzuring schiet. Jerry’s band is zo hard als een tuinslang.

Nog geen 200 meter verder klinkt er een gigantische knal. Jerry’s binnenband heeft het begeven. Te hard opgepompt. Zelfs de buitenband is gescheurd. We verzinnen een oplossing door een dollarbiljet onder de scheur te frommelen voordat we de band weer oppompen. Wat zijn we toch een McGyvers. Het laatste stuk hebben we vals plat en wind mee, dus die gaan als een speer. Aan het eind van de middag lopen we nog een half uur. Om het af te leren. Wanneer ’s avonds de trainingsuren worden opgeteld, blijk ik een kwartier te weinig te hebben getraind om de dertig-uursgrens doorbroken te hebben. De totalen voor deze week: 595 km fietsen, 68 km lopen en 16 km zwemmen.

Het laatste gedeelte van het verslag is zoek. Bij deze beloof ik plechtig de archieven van Energie te zullen naspitten, want de vooraankondiging aan het eind van dit gedeelte meldt:
- Gerard die supergoedkoop wielen aanschaft,
- Het nieuwe driedelig kostuum van Bert,
- Arco scheert zijn benen, en nog wat meer dan dat,
- Een kapotte autoruit,
- Ard die het zat is

Wordt vervolgd

dinsdag 10 augustus 2010

Goud van oud: Energie goes USA - deel 1

Een verhaal uit de oude doos. Het verslag van een trainingsstage met m'n broer en clubgenoten van TV Energie in voorbereiding op Almere. We schrijven 1995, Oberlin, Ohio. Wat waren we jong en onbevangen. Wat trainden we veel en hard. En soms ook best wel dom. En wat hadden we een plezier, en wat beleefden we een avonturen.

Ter introduktie de personages.

Arco Meijer. Onbekende triatleet. Dat is onterecht, zoals uit het verslag zal blijken.
Gerard Pruijt. Net zo onbekend als Arco. Heeft, door zijn finish in Almere 1995, zich life-long bragging rights verworven. Zoals iedere Ironman finisher.
Ard Flier. Broer van. Meer talent. Gisteren nog mee gefietst, en dat kan-ie nog steeds.

Energie goes USA

Week 1 (schrijver: Arco Meijer)

Op dinsdagmorgen 11 juli is het dan eindelijk zover. Een Energie-delegatie bestaande uit Bert Flier, Gerard Pruijt (alias Jerry Kuit), Ard Flier en Arco Meijer vertrekt voor een trainingskamp naar Amerika. Dit trainingskamp is in de eerste plaats bedoeld als voorbereiding op de hele triathlon van Almere. Het trainingskamp zou van 11 juli tot 5 augustus gaan duren. Ard was ons in verband met werkzaamheden als een paar dagen eerder voorgegaan en de rest waagt dus op dinsdagmorgen de grote oversteek.

Bepakt en bezakt worden wij, samen met onze fietsen, door onze vriendelijke vrind en toegewijd postbode Jan Rijken op Schiphol afgeleverd. Aangezien de financiële positie van sommige van de delegatie-leden weinig te wensen overlaat hadden wij onze reis geboekt bij Biman Bangladesh Airways, die helaas geen garanties wenst te verstrekken op een veilige overtocht.

Het eerste gedeelte van de reis, van Amsterdam naar New York, verloopt, afgezien van de diarree verwekkende hot curry chicken, voorspoedig. Totdat het moment gekomen is dat wij, geduldig als altijd, aan de bagageband op onze koffers en fietsen staan te wachten. Nadat de koffers al een half uur in ons bezit zijn, begrijpen we wat er fout moet zijn gegaan met de oversteek van de door ons zeer geliefde fietsen.

Na aangifte van de vermissing te hebben gedaan, besluiten we eerst maar wat te gaan eten. In het restaurant aangekomen worden we geholpen door de vrouwelijke uitgave van Mr. Ed (the speaking horse). Afgezien van de lucht hebben we toch wel aardig gegeten.

We vervolgen onze reis en om ongeveer elf uur ’s avonds komen we aan op Cleveland, Ohio. Om ongeveer 1 uur liggen we eindelijk, op de plaats van bestemming, en dat is Oberlin, in ons bedje.

De volgende ochtend komen we pas laat uit bed. Op het moment dat Arco uit het raam kijkt is hij toch wel wat onder de indruk. Van de achtertuin. Die bestaat namelijk uit ongeveer zes voetbalvelden, een bos en een privé-meer.

Omdat onze fietsen nog niet gearriveerd zijn besluiten we om maar wat te gaan zwemmen in ons privé-meer. Bert heeft al een paar keer heen en weer gezwommen wanneer Arco zijn eerste schreden in het Ballaton-Balalaikameer zet. Na ongeveer 50 meter zwemmen rent hij er echter, een nieuw PR zettend, weer uit.

Want wat is het geval? De vissen die in het meer rondzwemmen blijken bijtende en bloeddorstige monsters te zijn die het hebben voorzien op de kuiten van de Energie-leden uit Nederland. Na dit voorval besluiten we gezamenlijk niet meer in het meer (let op de subtiele woordspeling) te gaan zwemmen en uit te zien naar een zwembad. Een jaar geleden namelijk is Bert, tijdens een vijf kilometer lange duurtraining in hetzelfde meer, bijna doodgeschoten. Door een overbuurman die dacht dat er een zwerfhond aan het badderen was. De buks was al geladen, de vinger al gekromd om de trekker toen hij zag dat hij een triatleet op de korrel had.

Aangezien de temperatuur op dat moment en eigenlijk het hele trainingskamp schrikbarend hoog is (temperaturen tot ver boven de 40 graden) besluiten we tot de avond te wachten voordat we onze eerste looptraining afwerken. Tijdens deze looptraining (een duurloopje van 15 kilometer) maaktArco kennis met een zwerm killer bees. Deze lieftallige beestjes storen hem nogal als hij in verband met een sanitaire stop in het gras neerhurkt. Wanneer Arco thuiskomt is hij ongeveer tien knieschijven rijker. Niet doordat hij radioactief besmet is geraakt van het afvalwater dat in het privé-meertje geloosd blijkt te worden, maar doordat de bijensteken nogal groot uitvallen.

Enkele dagen en ongeveer achtentachtig (88) telefoonnummers later hebben we eindelijk onze fietsen terug. Biman Bangladesh Airways blijkt in Amerika te worden vertegenwoordigd door het al even klantvriendelijke Italian Airways. Overal waar we informeren naar onze fietsen en ons bekend maken als klant van Biman Bangladesh Airways, wordt de telefoon op de haak gegooid, en op het vliegveld van Cleveland worden we met de nek aangekeken zodra we onze Biman Bangladesh Airways tickets tevoorschijn toveren. Het lijkt wel alsof we een besmettelijke ziekte hebben. Uiteindelijk lukt het ons via een KLM-connectie en een Schiphol-medewerker onze fietsen op te sporen. Ze blijken al voor ons aangekomen te zijn, en al die tijd braaf op hun baasje te hebben gewacht in de lege, donkere catacomben van een bagagehal.

Voor de maandag staat er een 180 kilometer op het programma. Medegeus Bert heeft een, naar zijn idee, leuk en makkelijk rondje op de landkaart uitgepijld. Na ’s morgens om zes uur al aan de ontbijttafel gezeten te hebben beklimmen we om zeven uur onze privé snelheidsmonsters. De eerste 80 kilometer zijn redelijk vlak (voor Zwitserse begrippen althans), totdat we terecht komen in een soort van Zwarte Woud. De ene berg van 12 procent was nog niet overbrugd of de volgende diende zich alweer aan. Na cols van meer dan 17 procent alsmede cols van de buitencategorie beginnen we na ongeveer 125 kilometer weer aan de terugreis. Het klimmen is sommigen van ons niet in de koude kleren gaan zitten en er wordt dus besloten om ieder in zijn eigen tempo naar huis terug te rijden. Bert, Ard en Gerard zijn na ongeveer 150 kilometer fout gereden maar hebben tot hun grote opluchting bij thuiskomst toch maar 180 kilometer op de teller staan. De lijdensweg van Arco duurt echter ruim 12 kilometer langer omdat hij wel goed is gereden. Wanneer hij ook eindelijk thuiskomt kan hij dan ook gelijk aan het zuurstof, hartbewaking en het infuus. Onder zijn zuurstofkapje vandaan kan hij nog wel enigszins hoorbaar ‘Bedankt, Bert!’ uitkramen.

Nadat iedereen de volgende dag toch nog ontwaakt, gaan we op zoek naar een zwembad. We hebben van kennissen gehoord dat er in Oberlin op de campus waarschijnlijk wel gezwommen kan worden, dus wij tuigen daarhene. Na eindelijk het bewuste complex gevonden te hebben vallen onze schedels open van verbazing. Wat wij daar aantreffen is met geen pen te beschrijven. Daarom doe ik een poging per computer. Een zwembad van 25 yards met aan de rand Baywatch-achtige dames, tennisbanen, squashbanen, fitnesszalen, basketbalzalen en last but not least een airconditioned 200 meter indoor kunststofatletiekbaan. Met drinkfonteintjes. Wij spreken plechtig af dat wij op deze plek nog vele uurtjes zullen gaan doorbrengen. Buiten is ook nog een 400 meter kunststofbaan alsmede vele, vele hectares aan honkbal- en American football velden, maar het is eigenlijk te heet om daar te gaan lopen.

Wordt vervolgd

woensdag 4 augustus 2010

Gezegend in Allgäu

Niets legitimeert alle opofferingen en trainingsuren beter dan een overwinning. Tim Krabbé zei het al. Als ik wil dat dat mooie meisje langs de kant van de weg mij begrijpt, dan zit er maar één ding op. Wereldkampioen worden. Titels legitimeren, in die zin dat de buitenwacht ‘begrijpt’ waar je het voor doet.

Nog essentiëler echter dan legitimatie is rechtvaardiging. Een overwinning kan alle inspanningen legitimeren, maar dat rechtvaardigt nog niet dat je je met ziel en zaligheid hebt ingezet voor het resultaat. Je moet soms verregaande concessies doen aan je werk, aan je gezin, aan je sociale leven, aan je geestelijk en lichamelijk welzijn. Is dat te rechtvaardigen?

Het zijn vragen die bij veel sporters leven. Als christen vraag ik me regelmatig af of alle energie die ik in de sport steek gerechtvaardigd is. Want wat stelt sport eigenlijk voor?

Sport stelt net zoveel, of net zo weinig, voor als de andere zaken die wij in ons leven mogen doen. Sport moet wel de juiste plaats worden gegeven. In de huidige maatschappij wordt de sport en sporters vaak op een voetstuk geplaatst. Kijk maar naar het WK voetbal, of naar de Tour de France. Dat is niet goed, want het maakt de sport, en de sporter, te belangrijk.

Het is tegelijkertijd een grote fout om sport te bagatelliseren. Sport is meer dan tegen een bal trappen, op een fiets zitten, of in een zwembad liggen. Sport kan het beste in mensen naar boven halen. Sport verbroedert. Sport inspireert. Sport voedt wilskracht en doorzettingsvermogen. Sport leert om te gaan met verlies, met tegenslag, met teleurstelling. Sport kan ook het slechtste in mensen naar boven halen. Sport verloedert. Sport voedt jaloezie. Sport kan een wig slaan in relaties. Sport kan leiden tot verafgoding. Sport kan mensen doen denken dat ze meer zijn dan anderen.

Ons ego is een levensgrote valkuil. Herman Vrijhof, de man die mij meer dan een decennium begeleidde, verwoordde dat heel treffend in een recente nieuwsbrief aan zijn junioren: ‘Je bent geen beter mens als je een wedstrijd wint’. Het probleem is dat winnaars wel vaak de neiging hebben zich verheven te voelen, niet in de laatste plaats door hoe de buitenwereld met winnaars omgaat.

Wat voor de sport geldt, geldt ook voor werk. Voor carrière maken. Voor het vieren van vakantie. Voor omgaan met vrije tijd. Met geld. Met een positie waarin je macht dient uit te oefenen. We kunnen van al deze zaken iets heel moois maken. Of er een puinhoop van maken.

Essentieel is te leven vanuit de juiste grondhouding. Als die goed is, dan is sport een goede, mooie aanvulling op het leven. Voor mij is onderdeel van de grondhouding dat ik op zondag niet sport. Geen trainingen en geen wedstrijden. Andere christenen doen dat wel, en die keuze respecteer ik, maar daar ligt voor mij de grens. Mijn standaard-antwoord als mensen me vragen of ik geen moeite heb om geen wedstrijden op zondag te doen: zolang ik alle zaterdagwedstrijden win, hoor je mij niet klagen. Waarmee ik niet zeg dat ik sport om wedstrijden te winnen. Dat is bijzaak. Het plezier in het sporten staat bovenaan. Maar, als ik dan twee wedstrijden mag noemen die op mijn verlanglijstje staan: Almere en Allgäu. In Almere ben ik al dichtbij geweest: 2e in 2006. In Allgäu ben ik 2x vierde, en 1x als vijfde gefinisht.

Ik heb in de afgelopen twintig jaar maar één keer echt moeite gehad met de consequenties van de keuze niet op zondag te sporten. Dat was in 2006, toen in Almere het EK lange afstand werd georganiseerd. Die wedstrijd was op zaterdag, maar de kwalificatiewedstrijden vielen op zondagen. Ik kon daaraan niet deelnemen, en me dus niet officieel kwalificeren. Ik heb gevraagd om een alternatieve kwalificatiemogelijkheid, maar die was er niet.

Woest was ik. Teleurgesteld en gefrustreerd. Die dag wilde ik eigenlijk niet in Almere zijn. Na een goed gesprek met een vrienden en collega-atleten heb ik toch besloten te starten. Op de hele triathlon, die ook die dag werd georganiseerd. Dat werd mijn beste wedstrijd ooit. Fysiek en mentaal heb ik daar het beste van mezelf mogen laten zien. I raced to my potential. Van start tot finish. Die wedstrijd bevestigde voor mij mijn principiële keuze.

Voorafgaand, maar ook tijdens en na de wedstrijd, bid ik. Beter gezegd, ben ik in continu gesprek. De foto’s suggereren dat misschien niet, maar ik heb me, vooral ook tijdens de wedstrijd in Allgäu, kwetsbaar gevoeld. Ik vraag om vertrouwen. Om een eerlijke, veilige wedstrijd. Om gezondheid. Om kracht.

Ik doe het niet vaak, maar voor Allgäu durf ik te vragen of ik mag winnen. Ik voeg daar maar direct aan toe of ik, als ik win, daar dan goed mee om mag gaan. Want, wanneer ik fysiek in vorm ben, ga ik steeds meer op mezelf vertrouwen. Overtuigd zijn van je eigen kunnen is prima, maar op jezelf vertrouwen, dus werkt dus niet voor mij. Dan krijg ik het deksel keihard op m’n neus. Zijn manier om me op m’n plaats te zetten. Ik vraag ook om oplossingen in medische zaken. Donderdag doe ik een duurloopje om te ontspannen na de lange autorit. Er staat veel spanning op spieren. Ergens in dat loopje verrek ik de linkerhamstring. Donderdagavond loop ik er mank van. Vrijdagavond voel ik het slechts in de verte, zaterdag heb ik er geen last meer van.

Vrijdag krijg ik steeds meer het gevoel dat ik kan winnen. De vorm is al wekenlang super. Ik ken het parcours, en weet wat er fysiek, tactisch, technisch en mentaal voor nodig is om hier te winnen. Dit jaar biedt een extra kans op de zege. Op zondag, daags na de klassieke halve triathlon, staat het WK lange afstand op het programma staat. Ik had voor het WK gekozen, mits dat op zaterdag zou plaats vinden. Voordeel is dat het WK een versnippering van het deelnemersveld betekent. Het prijzengeld is gelijk gebleven ten opzichte van voorgaande jaren, dus vanuit prijzengeldtechnisch oogpunt verwacht ik gelijkwaardige tegenstand als in vorige jaren.

Voorheen durfde ik mijn ambities niet openlijk uit te spreken, maar vrijdag vertel ik mijn clubgenoten dat ik start voor de winst. Uit de blogs van Chris McCormack (http://www.chrismccormack.com/) en Chrissie Wellington (http://www.chrissiewellington.org/) heb ik geleerd dat je dat best mag. Agressief racen, de lat hoog leggen en zonder voorbehoud starten. Gaan voor het maximale. Vanaf Didam is dat mijn wedstrijdinstelling. Want zoveel kansen krijg je niet. No opportunity wasted. Die is van Macca, en hij klinkt erg Amerikaans en hedentijds, maar (weet Macca dat?), deze aansporing stamt al uit de tijd van Paulus. Benut iedere gelegenheid (Kolossenzen 4:5). Gebruik je talenten.

Starten om te winnen vraagt om toewijding en focus. Dat betekent ook niets aan het toeval overlaten. Dat is onderdeel van je verantwoordelijkheid. Daarom monteer ik vrijdagmiddag nieuwe banden. Dat is nodig voor de achterband, want het loopvlak is afgesleten. De voorband is nog prima, maar hij is rood en de nieuwe achterband is zwart. Ik kan deze imperfectie niet tolereren, en besluit ook de voorband te wisselen.

Het ventiel van de voorband komt maar net boven de hoge velg uit. Dat kan problemen opleveren. Een stemmetje in m’n achterhoofd waarschuwt me, maar ik negeer het. Ik leg de nieuwe, gitzwarte band om en probeer de band op te pompen. Het ventiel steekt een paar millimeter boven de velg uit. Ik ploeter minutenlang, maar krijg er geen zuchtje lucht in. Ik roep de hulp in van handymen Ron en Erik, twee handige clubgenoten die een paar kamers verderop zitten. Na drie brainstormsessies en het raadplegen van her en der tevoorschijn getoverde gereedschapskisten brengt een Halfords ventielverlenger uitkomst. We hebben drie verschillende pompen nodig om lucht in de band te krijgen, maar na een dik half uur knutselen lukt het om de band weer op spanning te krijgen. Maar dan zit er ook 8 bar in. De band is zo hard als een tuinslang.

Ik doe voor de zekerheid nog een testritje, met daarin een klim. Kan ik voelen hoe de Dean omhoog en omlaag rijdt. Bergop gaat prima, maar naar beneden kom ik erachter dat de remmen te ver van de velg staan. Met vol ingeknepen remmen rijd ik de 11%-afdaling af. De teller geeft 35 km/uur aan. Langzamer kan niet. Beelden uit Speed flitsen voorbij. Ik kom de haarspelden heelhuids door, en arriveer zonder kleerscheuren bij het hotel. Daar roep ik weer de hulp nodig van Ron en Erik om de exotische Ridley-remmen afgesteld te krijgen. Binnen twee minuten hebben ze de remmen strak. Ik haal opgelucht adem, want ik zag mezelf al met samengeknepen remmen en billen op hoop van zegen de Allgäuse bergen afrossen. Het enige wat nog een probleem kan geven is de af en toe haperende 39x23. Het kleinste verzet. Mocht ik die niet kunnen schakelen, dan zal het op de 39x21 moeten. Door schade en schande wijs geworden besluit ik van derailleur af te blijven. Dan maar wat harder trappen.

Strak als een snaar, maar ook zelfzeker en kalm maak ik me in de vroege, 9 oC koele zaterdagochtend klaar voor de wedstrijd. Door het temperatuurverschil tussen de lucht en het water is een dichte mist ontstaan. De boeien liggen verscholen achter een dikke witte nevel. Dat is lastig oriënteren. De zon doet hevig haar best de mist op te lossen. Het is een kwestie van tijd.

In het punctuele Duitsland wordt het tijdschema strak aangehouden. In Allgäu wordt een overall podium opgemaakt: de eerste tien finishers verdelen de prijzen, ongeacht of dat dames of heren zijn. Het tijdsschema schrijft voor dat de dames om 8 uur worden weggeschoten. De heren volgen 32 minuten later.

Klokslag acht uur, na het traditioneel blazen der jachthoorns, valt het startschot. Over het meer hangt nog steeds een dichte mist. Dat wordt spoorzoeken voor de dames in der Große Alpsee, denk ik met enig leedvermaak terwijl ik met m’n zwemelastieken mijn warming-up doe. Zwemelastieken kannt mann nicht hier. Om me heen zie ik een paar atleten onrustig worden wanneer ze mij bezig zien. Want triatleten zijn makkelijk onzeker te maken, zeker wanneer je net voor de start een activiteit ontplooit die ze niet kennen. Dan hebben ze het gevoel dat ze iets essentieels missen, en daar kunnen ze moeilijk mee omgaan. M’n trainingsmaatje Eimerd, die mee is gereisd, zegt: ‘Als je hier wint, dan wil iedereen zo’n elastiek, en staat hier volgend jaar 1000 man zich zo op te warmen’.

En zo is het. Het kuddegedrag onder triatleten is enorm. Twee jaar geleden zag je niemand met compressiekousen, nu loopt het complete peloton er mee rond. Op de dag voor de wedstrijd zag het centrum van Immenstadt zwart, wit, roze en groen van de compressiekousen. De kroon spande een triatlete die op hoge hakken naast haar wedstrijdfiets met compressiekousen door de straten van Immenstadt flaneerde.

Wanneer ik het water inga, is de mist opgetrokken en zijn de boeien tevoorschijn gekomen vanachter de mistsluiers. De lucht is helblauw, en de zon licht de boeien haarscherp uit aan de waterlijn. Het wordt een prachtige dag. Ik installeer me op de eerste startrij. Links van me ligt een Duitser. Hij zwemt zonder brilletje, en verdient daarvoor mijn respect. Wel vraag ik me af hoe hij zich gaat oriënteren in het ruime sop. De eerste boei ligt op 800 meter, en er liggen geen lijnen.

Precies om twee over half negen worden we weggeschoten. Mijn start is super. Na vijftig meter lig ik in tweede positie. Links van me vormt zich een tweede kopgroep, die even later inritst in mijn groepje. Ik heb twee minuten achterstand ingecalculeerd na het zwemmen. Wanneer ik na een paar honderd meter nog steeds in de staart van de kopgroep hang, stel ik mijn doel bij. Met de kopgroep uit het water, snel wisselen, en hard starten op het fietsen. En dan kijken of er iemand meekan.


Ik laat twee man, die flink aandringen, passeren en nestel me in hun voeten. Dat spaart energie, en ze zwemmen hard genoeg om de aansluiting te houden. Op de terugweg breekt het groepje toch in twee delen. Ik lig in het tweede groepje, en overweeg een sprintje om het gaatje te dichten. Ik doe het niet.

Plots schuift de Duitser-zonder-brilletje langszij. Zwemmen kan-ie, maar hij heeft geen idee waar hij zwemt. Het ene moment ligt hij half op me, het andere moment weer meters naast me. Hij zigzagt over het meer. Ik laat hem lekker zijn eigen route bepalen, en blijf strak in de voeten zwemmen van de man voor me. Ik durf te zeggen dat ik sterk zwem. De watertemperatuur is met 17 graden perfect. Kan ik lekker m’n warmte kwijt. Als zesde, op 23 seconden van de snelste zwemmer, klim ik op de kant.

De wissel gaat vloeiend. Als derde zit ik op de fiets. De eerste kilometers rijd ik met de blote voeten op de fietsschoenen om direct het gat te maken op de achtervolgers. Dat lukt prima, maar ik kan niet naar de kop jumpen. Drie kilometer verder draai ik de Kalvarienberg op. Dat is de eerste klim van de dag, en hij is schofterig steil. Er staat al aardig wat publiek. Voor me zie ik de kop rijden. Ik rijd mijn eigen tempo, en zie tot mijn leedwezen dat ik meter na meter verlies. Daar ben ik niet blij mee, want er moet nogal wat geklommen worden vandaag. Ruim 1200 onregelmatige hoogtemeters in 80 kilometer. Geen moment kan je in je ritme komen op dit parcours.

De benen voelen redelijk, maar ik vind het moeilijk om de goede intensiteit te vinden. Ik rijd zonder hartslagmeter, op gevoel. Bergop rijd ik een zo licht mogelijk verzet en tegen het rood aan, in de afdalingen maak ik zoveel snelheid op een zo groot mogelijk mes. Dit is de eerste wedstrijd in de bergen met de Ridley Dean, en zeker ben ik niet over de klim- en daaleigenschappen van m’n nieuwe tijdrithouding. Een eerste bevestiging dat dat wel goed zit, krijg ik op het 25-kilometerpunt. Ik lig 1 minuut achter. De kop rijdt dus iets van me weg, maar niet hard. Toch maak ik me zorgen. Als het iemand is die zich nu spaart om in het tweede deel te versnellen, dan is die minuut zo verdriedubbeld. Ik weet dat ik drie minuten kan belopen, maar liever doe ik dat niet.

Ik blijf mezelf onder druk zetten om zo hard mogelijk te fietsen. Ideaal is dat ik fiets met een Garmin, die live het stijgingspercentage aangeeft. De nieuwe Fast Forward-wielen met Powertap zijn deze week binnengekomen, maar ik heb nog geen gelegenheid gehad de tubes te laten monteren. Anders had ik op wattage de klimmen kunnen rijden. Ik kan bergop 400 watt produceren. Dat is zo’n 5 watt per kilo. Voldoende om redelijk omhoog te kunnen, maar te weinig om bij de echte klimgeiten te blijven. In de afdalingen en de vlakke stukken compenseert m’n gewicht en mijn absolute wattage dat weer een beetje.

Na 50 kilometer rond ik het keerpunt, met 1 minuut 20 achterstand. Twintig seconden verloren in een erg heuvelachtig gedeelte. Dat is te overzien, maar ik blijf tijd verliezen. Ik reken het scenario even door: er is nog dertig kilometer te fietsen, met twee erg steile klimmen van 15 tot 20%. Dit wordt een cruciaal gedeelte. Als ik nog eens anderhalve minuut inlever, dan wordt het een lastige loopklus. Andersom: als ik inloop, zit ik in de spreekwoordelijke zetel.

Op een rotstuk klimmen van 15% weigert de 39x23 dienst. Dat moet dus op de 21. Met fietsen heeft dit niets te maken. Ik moet legpressen om boven te komen. Twaalf, dertien per uur, harder gaat niet. Ik schat dat ik hier twintig seconden verlies. De afdaling knal ik vol in, en ik kan gas blijven geven in de volgende, minder steile klimmetjes. Ik blijf lekker opschuiven in het vrouwenveld. Bij het keerpunt heb ik gezien dat er nog maar een stuk of 10 voor me zitten. Interessant voor het overall-klassement.

Na 60 km, op een gelijkmatige klim van 7%, komt na een bocht plots de man in zicht die van me weg reed op de Kalvarienberg. Dat is een onverwachte wending. Volgens mijn berekeningen is dit de nummer twee in de wedstrijd. Binnen een kilometer ga ik erop en erover. Weer een plaats opgeschoven. Goed voor de moraal. Nog één man voor me.

Dacht ik. Even verder hoor ik van een toeschouwer dat ik op kop lig. ‘Bin ich Erster?!’ roep ik ongelovig terug. ‘Ja!’

Of ik zit fout, of de toeschouwer. Ik ga van het slechtste uit. Voor de zekerheid versnel ik om definitief het gat te slaan. Per kilometer zie ik hem kleiner worden. Daar ben ik voorlopig vanaf. Ik haal, op de voorlaatste klim, ook nog een paar dames in. Aan een passerende Wettkamprichter-op-motor vraag ik in welke positie ik lig. ‘Erster!’ zegt hij.

Ik ben nog steeds niet overtuigd.

Aan het begin van de afdaling naar Immenstadt staat Eimerd. Ook hij meldt dat ik eerste lig. Dan moet het toch waar zijn. Achter me is niemand meer te zien. De afdaling neem ik vol. Het gat dient nu geslagen te worden. Dan heb ik een comfortabele buffer voor het lopen.

Voor het zover is, mag ik voor de tweede keer de Kalvarienberg over. Het is daar een gekkenhuis. De toeschouwers staan twee rijen dik langs de kant. Het lawaai is oorverdovend. Men hanteert gastoeters, king size ratels, en koeienbellen zo groot als kerkklokken. Ergens halverwege de berg ligt een Duitser languit op een stretcher zijn longen vacuüm te blazen op een vuvuzela. Horen en zien vergaat je. Ik zuig de energie met volle teugen op. De klim kan me niet lang genoeg duren. Ik rijd ‘m minder hard op dan ik kan. Even genieten, en me mentaal voorbereiden op het lopen.

Met het kippenvel op de armen rijd ik het atletiekstadion binnen, de wisselzone in. Ik ben inderdaad de eerste heer die wisselt. Voor het overall klassement heb ik ook goede zaken gedaan, want er zijn pas twee vrouwen op het loopparcours. Ik heb een voedingsbidon gemist bij de laatste verzorgingspost met het fietsen, maar heb er gelukkig nog eentje bij m’n loopspullen gedaan. Die drink ik leeg in de eerste loopkilometer.

Bij het eerste keerpunt, na twee kilometer in Immenstad-centrum zie ik dat de tijdsverschillen op de twee dames voor me geen probleem zijn. Ik time het verschil met de nummer twee bij de heren. Dat is al bijna vier minuten. Dan heb ik de laatste twintig fietskilometers heel goede zaken gedaan.

Het gat is groot, maar het geeft me geen zekerheid. Want op de eerste 5 kilometer klok ik 19 minuten. Dat is één minuut langzamer dan ik dacht te lopen. Als de achtervolging harder opent, geef ik ze hoop.

Ik dwing me een hoger tempo op, en haal en passant de tweede dame bij. Bij het tweede keerpunt, na 7 kilometer, druk ik m’n horloge in. Als het gat minder is dan vier minuten heb ik een mogelijk probleem, als het meer is, dan kan ik aan de winst denken.

Het duurt meer dan drie minuten voor ik de eerste achtervolger zie. Maal twee betekent ruim 6 minuten voorsprong. Mocht de concurrentie nog hoop hebben op de overwinning, dan is daar bij deze definitief de bodem onder geslagen. Ik blijf het tempo onderhouden, want er ligt nog één dame voor me, en nog best wel hard ook.

Bij de doorkomst in het stadion, na 10 kilometer, doet de speaker alsof de winst al binnen is. Het stadion zit bomvol, en ik krijg weer extra energie. De benen zijn nog prima, maar ik blijf me concentreren. Er moet nog steeds 10 kilometer gelopen worden.



Het duurt tot kilometer 13 voor ik definitief aan de leiding kom. Daar haal ik de eerste dame bij. Ik heb geen benul van de voorsprong op eerstvolgende heer, maar ik blijf voor de zekerheid hard doorlopen. Ik kan vandaag niet moe worden, en ik besef maar half waar ik mee bezig ben. Achteraf blijk ik in de laatste ronde per kilometer loop dertig seconden weggelopen te zijn op de eerste achtervolger.

Wanneer ik het stadion binnenkom voor de laatste paar honderd meter, ontploft de boel zowat. De speaker heeft het publiek tien kilometer lang opgewarmd voor mijn binnenkomst. Een groepje kinderen, feestelijk uitgerust met ballonnen, loopt de laatste meters mee om me binnen te halen. Erg bijzonder om deze wedstrijd te mogen winnen, en om zo onthaald te worden.


Na alle huldigingen, tijdens een rondje uitlopen ergens in een verlaten parkje aan de rand van Immenstadt, is de euforie alweer weggeëbt. Ik ben even geen bezienswaardigheid meer. En dat is wel even prettig.

Het is een voorrecht dat ik Allgäu heb mogen winnen. Maar: het is maar een triathlon. Uiteindelijk bevredigen overwinningen en titels niet. Voor even misschien, maar ze geven het leven geen zin en diepere betekenis. En dat is maar goed ook. Want het is uiteindelijk helemaal niet belangrijk of je wint of verliest. Winst legitimeert niets, winst rechtvaardigt niets. De maatstaf is of God ermee gediend is. Want we mogen genieten van alles wat de schepping te bieden heeft. Triathlon geeft daar alle mogelijkheid toe. Leef voluit. In alles wat je doet. We kunnen veel meer dan we zelf ooit voor mogelijk houden. En we krijgen veel meer dan waar we ooit om durven vragen.


Our deepest fear is not that we are inadequate.
Our deepest fear is that we are powerful beyond imagination.
It is our light more than our darkness which scares us.
We ask ourselves – who are we to be brilliant, beautiful, talented, and fabulous.

But honestly, who are you to not be so?

Uit Nelson Mandela’s inaugurele toespraak - Originele tekst: Marianne Williamson


Uitslag Allgäu Classic – 31 juli 2010

1. Bert Flier 4:07:26
2. Martin Joost 4:19:40
3. Peter Nowak 4:21:14