Welkom

Ik hoop dat je inspiratie vindt op mijn site!

Reacties of suggesties voor onderwerpen zijn welkom op mijn e-mailadres: bertflier72@gmail.com.

Veel plezier,

Bert Flier

zondag 27 juli 2008

Zandhappen in Kijkduin

Het is 26 juli, kwart voor zes in de namiddag. Ik sta op het strand van Kijkduin tussen een stel in zwart rubber gehulde triatleten te wachten op het startschot. Johan Neevel, trainingsmaat en mededinger om de eindzege, wijst me op de snelste route naar de eerste boei. Die boei ligt driehonderd meter in de vandaag rustige Noordzee, zo'n 50 meter links van het startvak. Punt van aandacht is het publiek dat zich op de door Johan bedachte ideale lijn heeft opgesteld. Voor ons is dat geen probleem: na het startschot sprinten we, in plaats van rechtdoor, dwars door het publiek heen, recht op de eerste boei af. Erik Wolsing en Rick Nijhoving, de twee beste zwemmers van het veld, volgen ons spoor en in een treintje van vier passeren we de eerste boei. De rest van het startveld is dan al gezien. Ik gniffel in mezelf om de leepheid van de heer Neevel.
Erik en Rick zwemmen hard door en trekken een gat. Ik kan met Johan mee. Forceren wil ik niet op de eerste kilometer zwemmen: we moeten nog het water uit, 300 meter over het strand lopen, en daarna nog eens 500 meter zwemmen. Met name dat stuk lopen vreet energie, weet ik uit ervaring. Johan, die een andere lijn zwemt dan ik, loopt iets uit en als vierde kom ik op het strand voor het tussenstuk. Ik hoor dat Rick en Erik ruim 30 seconden hebben; Johan heeft 10 seconden. Alles onder controle. Tijdens het lopen blijf Johan op dezelfde afstand, terwijl ik toch wel wat gas geef. Sterk van hem. Tijdens het inlopen van de branding zie ik Johan wat verslappen. Ik voel me ook niet helemaal koosjer, maar dwing mezelf zo hard mogelijk, half springend, half dolfijnend, door te branding te worstelen. Johan kan ik daarbij inhalen. Ik bekoop op mijn beurt mijn inspanning tijdens het zwemmen, en Johan kan weer bij mij aansluiten. Gezamenlijk kruipen we uiteindelijk uit het water, met 45 seconden achterstand op Rick en Erik.


Na een gecontroleerde en snelle wissel zit Johan net voor me op de mountainbike. Gezamenlijk rijden we het irritante klimmetje naar de boulevard op, en vervolgens weer naar beneden, het mulle strand op. Ik zit dicht op Johans achterwiel, en probeer om fietsend de harde strook zand aan de kustlijn te halen. Daarbij rijd ik tegen Johans achterwiel, en val. Domme actie van mij, maar zonder al te veel gevolgen. Het gevolg is wel dat ik eruit zie als een ijsje dat in het zand is gevallen, en dat ik m'n draaischakelaar nauwelijks kan bedienen door mijn zandhanden.

Johan wacht me gelukkig op, en geeft gas om het gat naar de koplopers dicht te rijden. Ik ben blij dat ik het leven heb en neem de tijd om me weer enigszins zandvrij te krijgen. Na een minuut of tien ben ik weer op adem en kan overnemen. Tot mijn genoegen merk ik dat de extreem lage bandenspanning van vandaag, in ieder geval op het strand, werkt: het draait lekker, en we lopen in op Erik en Rick.

Vijf kilometer na het op het strand gelegen keerpunt doemen de Puinduinen op. Dat is een erg lastig stuk in het parcours. De eerste uitdaging is om van het strand af te komen, een duinpad op. Dat betekent snelheid maken op het zuigende zand langs de branding, een goede lijn kiezen, en zo ver mogelijk het rulle zand inrijden richting duinen. Dan gecontroleerd afstappen, het resterende stuk de fiets vooruit duwen door het zand, weer opstappen, inklikken, omhoog het duin op rijden, en proberen te herstellen op de enige paar honderd meter asfalt van het parcours. Vervolgens krijg je een smal, zanderig paadje gepresenteerd, waarna de Puinduinen opdoemen, inclusief drie trappen van 60 treden. Op dat paadje verlies ik, door een foute lijn te rijden, het contact met Johan.

Dat gaatje wil ik dichten op de eerste trap in de Puinduinen. Zo gezegd, zo gedaan: ik sjouw mezelf en fiets de trap op, en kom net achter Johan boven. Bovenop is tien meter pad beschikbaar om op te stappen en de schoenen in de pedalen te klikken, om direct daarna een steile en zanderige afdaling in te gaan. Ik krijg schoenen niet direct in de pedalen en duik, met los op de pedalen geplaatste voeten, de afdaling in. Wanneer ik m'n gewicht naar achter verplaats, schiet m'n rechtervoet over het pedaal heen. Ik maak een slinger, haak m'n stuur in een doornbos, en sla over de kop. Ik zit snel weer op de fiets, maar Johan is natuurlijk gevlogen. Al rijdend zie ik dat ik een paar flinke schrammen op m'n rechteronderbeen heb, maar dat lijkt alles te zijn.

Boos op mezelf neem ik de rest van Puinduinen op de macht, waarbij ik, net voor de strandafgang, Rick bijhaal. Die heeft Erik Wolsing moeten laten gaan. Gezamenlijk rijden we het strand op, en zien Johan tweehonderd meter voor ons uit rijden. Met name door toedoen van Rick halen we Johan bij. Erik blijft de eenzame koploper.

Bij de tweede doorkomst van de Puinduinen krijg ik het voor elkaar wederom een foute lijn te kiezen op het paadje in de duinen dat naar de Puinduinen leidt, waardoor Johan weer een voorsprong pakt. Ik ben nu heel erg boos op mezelf, en forceer me naar de eerste trap doe. Bij het afstappen onderaan de trap glijd ik uit, val op m'n rechterknie, en beschadig die flink. Samen met de wonden van de eerdere valpartijen ziet dat been er inmiddels flink bloederig en zanderig uit, maar het gewricht zelf lijkt niet beschadigd. Ik sta op en begin alsnog aan de trap. Halverwege haak ik m'n stuur in een loshangend stuk ijzerdraad, en ook daar ben ik niet blij mee. Ik word een beetje moedeloos van mezelf, en krijg een sterke aandrang m'n fiets de bosjes in de smijten.

M'n gemoed bedaart gelukkig wat, en ik besluit de rest van het fietsen maar gewoon uit te zitten en dan maar alles op het lopen te zetten. Met Rick neem ik de rest van de Puinduinen, om daarna, bij het oprijden van het strand, nog een keertje te vallen. Ik accepteer die valpartij ook maar, en zie tot m'n opluchting dat Johan en Erik niet al te ver voor ons liggen. In het laatste stuk kan ik nog flink inlopen op Erik, en het gat op Johan is na de wissel een dikke minuut.

Vol vertrouwen begin ik aan het lopen. Erik haal ik al snel bij, maar al na een halve kilometer begin ik me erg slecht te voelen. M'n maag en darmen spelen op, ik voel me slap en misselijk worden, en moet overgeven. Ik overweeg uit te stappen, maar hobbel toch maar door. Ik lig tenslotte tweede. Grijs en grauw kom ik halverwege het lopen door, en hoor dat het gat met Johan nog wat groter is geworden. Achter me dreigt geen direct gevaar. Gedurende de tweede loopronde begin ik me langzaamaan toch wat beter te worden, en met nog drie kilometer te gaan kan ik versnellen. Ik weet dat Johan dik anderhalve minuut voorligt, en dat blijkt teveel. Als tweede finish ik, blij dat ik er ben.

Offroad triatlon. Het blijft een moeilijk vak voor mij. Ik heb er nog één te gaan: het EK offroad triatlon, dat op 13 september op Ameland wordt georganiseerd. Ik beloof bij deze daar mijn uiterste best te doen op mijn fiets te blijven zitten.

Uitslag Beach Challenge Kijkduin, zaterdag 26 juli 2008

1 Johan Neevel 2:07:39
2 Bert Flier 2:08:33
3 Manfred Boogaard 2:11:33

PS Op http://www.triatlon.tv/ is een beeldverslag van deze wedstrijd te zien. Op de website van de wedstrijd, http://www.beach-challenge.nl/ is de link te vinden naar het verslag dat TV West heeft gemaakt.

zondag 6 juli 2008

De Tiroler episodes

Lermoos-Imst-Nauders-Morter-Meran-Eppan. Het zijn de zes plaatsjes in de Tiroler Alpen die ik de afgelopen week per mountainbike heb aangedaan. Zes plaatsjes, dat zijn vijf etappes. In een regelmatig ritme af te leggen. Elke ochtend start een peloton van een mannetje of zestig tussen 9 en 10 vanaf het dorpsplein van de plaats in kwestie, om een kilometer of zestig, zeventig later weer op het dorpsplein van het volgende plaatsje te arriveren. Ik rijd samen met Ronald Boers en Vincent van Os. Als primaire opdracht geven we onszelf mee, als het even kan, in dezelfde fysieke toestand als bij de start. Iets vermoeider wellicht, maar wel zonder kleerscheuren. Die loop je hier namelijk snel op.


Er wordt in deze regionen gewerkt met stijgingspercentages waar je stijl van achterover valt. Letterlijk. Stroken van meer dan 30% (dit is geen verschrijving: meer dan dertig procent) kom ik elke dag tegen. Zowel bergop als bergaf. Bergop zijn dergelijke percentages lastig omdat het grote moeite kost om, ten eerste, het voorwiel aan de grond te houden, en ten tweede, voldoende snelheid te genereren om niet om te vallen. Ik heb wijselijk geen kilometerteller gemonteerd, want ik frustreer me wanneer je zo langzaam rijdt dat de cijfers achter de komma gaan tellen. Snelheden van 3 tot 4 kilometer per uur zijn geen uitzondering, en dan maakt 3,0 of 3,9 algauw krap 25% snelheidsverschil uit. In het uiterste geval dien je af te stappen en jezelf met fiets omhoog te duwen. 'Schieben' noemt men dat hier. Ik haat het. Een mountainbike is om te fietsen, niet om te duwen.

De frustraties van het klimmen worden gelukkig ruimschoots vergoed met het genot dat de afdalingen schenken. Bergaf hebben we, uiteraard, dezelfde percentages te overwinnen als bergop. Meermaals heb ik, met de buik op het zadel en de kont ver naar achter gestoken, een soepele serpentine getrokken over een steil, met stenen bezaaid bergpaadje. Tot mijn grote vreugde kan ik vermelden dat ik daarbij niet één keer gevallen ben, en dat terwijl ik de gewoonte heb mezelf bij praktisch elke mountainbiketraining in Nederland zover te pushen dat ik tenminste één keer val. Zelfbeheersing is een groot goed.


Het begint allemaal in Lermoos, een klein Oostenrijks stadje net over de grens van Duitsland. Omdat ik inschat de etappe van 60 kilometer van vandaag in drie uurtjes af te raggen, start ik de dag met een looptraining. Net nadat ik terug ben in het hotel begint het te regenen. We dralen een tijdje voordat we wegrijden, want starten in de regen is geen hobby van me. Voor de zekerheid sjouw ik een rugzak mee, waarin ik kleding heb voor als het echt Donnergewitter wordt. Naast mijn eigen spullen draag ik ook die van Ronald mee, in de hoop de rugzak later in de etappe aan hem over te kunnen doen. (Die hoop bleek trouwens ijdel. Ronald vond het een uitstekend idee dat ik een paar kilo extra meezeulde. Ik heb me in mijn lot geschikt, omdat hij toch telkens later boven was dan ik. Dat weegt veel zwaarder dan een rugzak.) Hieronder ziet u de heer Boers klimmen, zonder rugzak uiteraard.




Het meest moeilijke stuk in deze etappe is een onbeleefd steile beklimming van zo'n dertig procent, waarbij ik bocht na bocht de hoop zie vervliegen dat de klim afvlakt. In totaal heb ik zo'n twee kilometer moeten schieben, maar de beloning is magistraal. We kunnen onze verhitte hoofden koelen in een snelstromend ijskoud beekje, en - na nog eens 10 kilometer klimmen aan vijftien tot twintig procent - de zintuigen laten genieten van een razend snelle en erg lange afdaling. Uiteindelijk blijk ik vierenhalf uur op de fiets gezeten te hebben: het gemiddelde bedraagt 12,5 km/u. En dan was ik nog als eerste binnen ook. Fietsen in de Alpen is van een geheel andere dimensie.



Datum
29. Juni bis 05. Juli 2008
Startort
Lermoos
Etappenorte
Imst, Nauders, Morter, Meran
Zielort
Eppan bei Bozen