Welkom

Ik hoop dat je inspiratie vindt op mijn site!

Reacties of suggesties voor onderwerpen zijn welkom op mijn e-mailadres: bertflier72@gmail.com.

Veel plezier,

Bert Flier

maandag 27 augustus 2007

Almere 2007

Geëlectrocuteerde benen

Volgens de receptuur van de klassieke afstand: 3,8 km zwemmen, 180 km fietsen en 42,2 km werd dit jaar het NK lange afstand afgewerkt. Lekker ouderwets zwemmen in het Gooimeer, fietsen in de polders en lopen over de dijken rond Almere. Voor mij is dit de belangrijkste wedstrijd van het seizoen, belangrijker nog dan het WK in Hawaii dat in oktober op het programma staat.

Tijdens het inzwemmen merk ik dat ik gespannen ben. M’n ademhaling zit veel te hoog en ik hyperventileer. De ontspannen, gecontroleerde ademhaling die nodig is voor een harde start ontbreekt, en ik pas m’n startplan aan. Ik neem plaats op de tweede rij in het startvak. Links voor me staat een vijftal debutanten op de lange afstand, onder wie Arjan Schilder, Remy Vasseur, Jerzy Kasemier en Bas Borreman. Ik heet de jonkies welkom op de hele triatlon.

Pal naast me staat Menno Iedema, veteraan inmiddels. Ook hij blikt voor het eerst de hele in de ogen. Menno, een goede zwemmer, vraagt me hoe hard er wordt gestart. Ik wijs om me heen. Iedereen staat zo strak als een snaar. ‘Ze starten als idioten’, zeg ik, ‘alsof de eerste boei de finish is’.

Kort daarna valt het startschot. Ik ben traag weg, want ik neem de tijd om m’n techniek en ademhaling onder controle te krijgen. Bij de eerste boei kom ik rond de dertigste plaats door. Voor me zie ik het veld op een lint trekken. De eerste schifting van de dag begint. Ik schuif plek voor plek op en kom, na 1100 meter zwemmen, op de 11e plaats door op de passage over het strand. Voordat ik weer in het Gooimeer duik, neem ik de situatie in ogenschouw. Zowel voor als achter me is het een lint van atleten, met hier en daar een klein gaatje. Ik meen Jonas Colting, een van de favorieten voor de winst, te herkennen. Dat betekent dat ik er redelijk bij zit. Ik blijf plaatsen opschuiven en ga steeds meer ontspannen zwemmen. Na drie kilometer heb ik m’n ademhaling zo onder controle dat ik één op vier kan zwemmen. Twintig meter voor me zie ik twee atleten liggen, en ik besluit dat gaatje dicht te zwemmen. Scheelt weer met het fietsen. Vlak voor de finish, in Almere Haven, schuift Dave Rost voorbij. Ik weet op dat moment niet op welke plaats ik lig en met welke achterstand op de eerste zwemmer. Mijn inschatting is dat ik als tiende met drie minuten achterstand aan het fietsen zou beginnen. Blij verrast hoor ik de speaker in de wisselzone melden dat ik als vierde uit het water ben gekomen, op dertig seconden van leider Colting.

Ik wissel snel. De eerste trappen op de fiets zijn gelijk raak. Voor me zie ik de koplopers rijden. Er staat spanning op de benen, en snel rijd ik het gaatje dicht. Bij het keerpunt op de dijk, na acht kilometer, overzie ik de situatie. De kopgroep is aangegroeid tot een man of acht. Ik mis Stijn Demeulemeester, titelkandidaat, Chris Brands en Anton Mol. Op de dijk, met de wind tegen, ga ik naar de kop om het tempo te onderhouden. Vijftien kilometer later – Colting rijdt dan op kop, als ik me goed herinner – dendert Stijn Demeulemeester voorbij. Hij drijft het tempo naar de 47/u, en de groep rekt zich als een harmonica uit. Vijf kilometer later blijkt niemand gelost, en iets rustiger rijden we verder. De groep is me veel te groot, maar het is nog te vroeg om weg te rijden. Ik blijf bij de eerste drie rijden om niet te worden verrast door eventuele wegrijdpogingen. Na krap vijftig kilometer sluit Chris Brands aan, en hij geeft meteen gas: 43/u op een stuk zijwind. Jerzy Kasemier is dan ook aangesloten, en Chris roept dat hij weg wil rijden. Ik trek even door, en daarna Jerzy. Op een kruispunt, waar Frank Heldoorn staat, horen we dat Stijn Demeulemeester eraf is. (Later bleek hij twee maal te zijn lekgereden en daarna uitgestapt.) Dat nieuws is koren op mijn molen, en op een viaduct neem ik de kop over van de erg zwaar trappende Jonas Colting. Wanneer ik even later achterom kijk, zie ik dat ik vijftig meter los ben. Ik houd een beetje in, en zie Chris en Jerzy weer voorbij komen. Chris wil het kaf van het koren scheiden en roept dat we moeten doorrijden: er komt zo meteen een onoverzichtelijk stuk aan, waar je uit het zicht van de groep kan komen. We rijden kilometers lang hard door, maar tevergeefs. De stayerafstand van 7 meter is echt te weinig om verschil te kunnen maken – althans, op dit moment. Alles klit weer samen. Ik blijf wel voorin rijden om als eerste door de coachpost te komen. Mis ik tenminste m’n bidons niet.

De eerste ronde ging, met al die aanvalspogingen, in bijna 41 gemiddeld. Ik laat me, voor het eerst in de wedstrijd, afzakken tot achterin de groep. Wat een verschil is dat. Ik moet regelmatig de benen stilhouden om niet in de stayerzone te komen. Zonder noemenswaardige incidenten rijden we zo de tweede ronde.

Na 120 kilometer, op het stuk meewind op de dijk, trek ik het gas open. Vijfig meter voor me rijd Teevu Toivanen, een Fin die ook van goede wil is. Chris en Jerzy sluiten aan en rijden vol door: Remy Vasseur, Dave Rost en Bevan Leach (een vlezige Australiër, type slagerszoon) rijden op achterstand. Met 50/u rammen we richting het keerpunt bij de Stichtse brug. Op de terugweg zien we dat Dave op 10 seconden rijdt; Remy zit daar weer 30 seconden achter; Leach zie ik niet. Colting, met zijn megaverzet, heeft ook bij ons kunnen aansluiten, en dat vind ik goed: de vijf beste fietsers zitten nu bij elkaar, en de mannen die niet op kop zijn gekomen zijn gelost.

Dat de oorlogshandelingen langs de dijk me veel hebben gekost, merk ik even later: m’n blik wordt wazig, ik zie sterretjes en voel de kracht uit m’n benen vloeien. Een halve bidon voeding en een gelletje helpen me over de dip heen, maar ik weet dat dat tijdelijk is. Op kilometer 160 zetten Jerzy en Chris nog eens aan. Ik moet een gaatje laten. De Fin komt me ook voorbij. Colting rijdt op dat moment lek. Ik besluit me niet gek te laten maken en op eigen tempo naar de wisselzone te rijden. Zo kom ik als vierde, op ruim 2 minuten achterstand op het leidend drietal, van de fiets.

In de wisselzone wordt me gevraagd hoe het gaat. ‘Zwaar’ is het enige wat ik me herinner te hebben gezegd. Als een gewonde soldaat loop ik de eerste vijf kilometer. Hopend op betere tijden. Ik neem zoveel vocht en energie tot me als m’n maag kan verdragen. Geleidelijk kom ik beter in het ritme, en na 10 kilometer loop ik als zonnetje. Weer een dip overwonnen. De achterstand op de Fin is dan vijf minuten. Chris loopt dik twee minuten voor me, en Jerzy krijg ik in het vizier. Colting, die z’n lekke band heeft vervangen en lekker aan het lopen is, loopt op mij in. Alles is nog mogelijk met nog 32 kilometer te gaan. Ik loop ontspannen kilometers van 4 minuten en zie na 16 kilometer Colting voorbij komen. Ik sluit bij hem aan, blij gezelschap te hebben. Een paar kilometer last hij echter een plaspauze in, en loop ik weer alleen. Inmiddels heb ik Jerzy bijgehaald en loop ik op plaats drie in de wedstrijd. De Fin blijft op ruim vijf minuten afstand, maar het gat met Chris wordt heel langzaam kleiner. Hoe verleidelijk het ook is, ik blijf m’n eigen tempo lopen, ook al voel ik me nog redelijk goed.

Dat ‘redelijk goed’ is erg relatief. Na een krap uur zwemmen, 180 km fietsen waarbij ik minstens drie jasjes heb uitgedaan en anderhalf uur tempo lopen begint het overal zeer te doen. Op zich is daar nog mee te leven. Ik weet echter dat de echte test nog moet komen. De energie raakt op, de benen verkrampen, de geest wordt murw – en in die toestand moet je aan de finale beginnen. De strijd met de anderen wordt nu secundair aan de strijd tegen jezelf. Ik zet de drie opties voor het laatste uur wedstrijd op een rij. Optie één overweeg ik niet eens. Die is namelijk langzamer lopen, om wat minder pijn te hebben, en een mindere plek accepteren. Optie twee is de meest aantrekkelijke: dit tempo vasthouden, en dan maar hopen dat de rest moet inleveren, en m’n huidige positie vasthouden. Optie drie is de meest moeilijke: versnellen en de absolute grens opzoeken van wat het lichaam aankan. Dat betekent dat je jezelf constant, pas voor pas, moet dwingen om hard te blijven gaan, en niet toegeven aan pijn, misselijkheid, of wat dan ook. Ik zie er vreselijk tegenop dat gebied te betreden, omdat ik weet wat de consequenties zijn. Tussen kilometer 25 en 30 durf ik nog geen beslissing te nemen en handhaaf ik m’n huidige tempo. Op kilometer 30 neem ik m’n beslissing: ik ga voor optie drie. De dood of de gladiolen. Opdat ik na de finish geen spijt heb en moet leven met de onzekerheid van ‘wat, als…’ Stel, ik eindig als tweede door m’n huidige tempo te handhaven. Mooi resultaat, tweede, maar ik zal nooit weten wat er had gebeurd als ik voor optie drie was gegaan. Misschien had ik dan gewonnen. Misschien had ik in elkaar gestort en per brancard afgevoerd moeten worden. Het onuitstaanbare is: je zal het nooit weten. Spijt is een verleden wat je hindert.

Op kilometer dertig versnel ik van 4.20/km naar 4.10/km. De achterstand op Chris verkleint met 5 seconden. Krampscheuten vlijmen door m’n kuiten, als signaal dat ik op de grens zit. Kilometer 31 gaat ook in 4.10. Ik loop weer 7 seconden in op Chris, en zit nu binnen de twee minuten. Dat geeft moed. Ik hoor dat Chris en Teevu er slecht bijlopen. Met een laatste tien kilometer in veertig of eenenveertig minuten win ik ‘m, besef ik. Zo houd ik m’n focus scherp en de geest positief. M’n benen protesteren echter hevig, maar ik negeer dat. Net voorbij het 32 kilometerpunt buigt m’n lichaam voor m’n geest. Alsof er vier ijzeren klauwen in beide onder- en bovenbenen worden gezet, zo hard slaat de kramp toe. Het voelt alsof er 220 volt door de benen stroomt, die de spieren maximaal doet samentrekken. Ik blokkeer volledig en sta van het ene op het andere moment stil. Doorlopen gaat niet. Ik buig me voorover en rek voorzichtig m’n benen. De krampaanval ebt weg, en ik zet een rustige dribbelpas in. 5.30/km haal ik. Sneller kan niet, want dan schiet de kramp er weer in. Het enige wat ik kan denken, is dat het tien lange, lange laatste kilometers gaan worden en dat ik moet zorgen aan de finish te komen, en wel zo snel mogelijk. Ik lig nog steeds derde, en je weet nooit wat er allemaal nog gebeurt.

Ik stel m’n doel bij: zolang ik de ene voet voor de andere blijf zetten en blijf hardlopen, heb ik mezelf niets te verwijten. Al snel komt Colting me voorbij; ik zak naar plaats vier. Ik hoor dat Teevu Toivanen en Chris er ook meer dood dan levend bijlopen. Normaal haal ik daar inspiratie uit, maar nu heb ik genoeg aan m’n eigen ellende. Elke kilometer rek ik even om de spanning van de benen af te halen en niet opnieuw in de kramp te schieten. Onderwijl probeer ik m’n gedachten op positieve zaken te focussen: hoe blauw de lucht is, hoe lekker het zou zijn om op één van de zeilbootjes te zitten die over het Gooimeer scheren, en hoe fijn het zou zijn om binnen te zijn. Escapisme van de geest. Iemand op de dijk geeft het advies om wijsvinger en duim hard tegen elkaar te drukken ter bestrijding van de kramp. Ik druk zo hard als ik kan, maar tevergeefs: de kramp is en blijft. Op kilometer 36 haalt Jerzy mij in en loop ik vijfde. Daarachter zit een groot gat. Als ik op deze manier kan blijven doorlopen, dan moet ik de vijfde positie kunnen vasthouden. Ik tel de kilometers af. Kilometer 37: nog vijf kilometer. En tweehonderd meter. Almere Haven, dat ik in de verte zie liggen, is nog een heel eind weg. Kilometer 38: nog vier kilometer. Almere Haven ligt nog net zo ver aan de horizon als een kilometer geleden. Kilometer 39: plukjes publiek. Men probeert me naar voren te schreeuwen, maar dat heeft geen zichtbaar effect op mij. Nog 3,2 kilometer: ik reken. Dat is nog ruim een kwartier, en dat gaat een erg, heel erg kwartier worden. Relativiteitstheorie van Einstein. Kilometer 40: meer publiek, maar nog lang geen finish in zicht. Positiever is dat er nog geen teken is van mensen die me achterop komen. Wel word ik constant ingehaald door mensen die aan hun eerste of tweede ronde bezig zijn. Kilometer 41: nog 1,2 kilometer, waarin De Loopbrug. Die is aangelegd om over het fietsparcours te komen, is opgebouwd uit steigermateriaal, en zwiept en golft bij elke stap. Het ideale recept voor een krampaanval. Ik voel dat, wanneer er nu kramp inschiet, ik het laatste stuk wel eens zou moeten kruipen. Heel voorzichtig, alsof de brug is geplaveid met eieren, neem ik deze laatste hindernis. Nog driehonderd meter, waarin een keerpunt. Ook dat kom ik ongeschonden door.

Na 8:34:16 finish ik. Als vijfde overall en derde Nederlander. Dat is wat ik vandaag waard was. Natuurlijk, ik had het liefst gewonnen, maar dat zat er niet in. Toch houd ik een heel goed gevoel over aan deze wedstrijd. Ik ben de confrontatie met mezelf aangegaan. In het verleden bleek mijn lichaam vaak sterker dan m’n geest. Dat is vreselijk en vind ik erg moeilijk te accepteren. Vandaag bleek m’n geest sterker dan het lichaam, en daar kan ik goed mee leven.

Een Ironman wordt weleens de ultieme test van menselijk kunnen genoemd. In het Ironman-circuit geldt Ironman Hawaii weer als meest ultieme wedstrijd. Dat is mijn volgende doel. Nog zeven weken. Was het maar al zover.

Uitslag

1 Teevu Toivanen (Finland) 8:18:56
2 Jonas Colting (Zweden) 8:24:17
3 Chris Brands (1e NK) 8:24:51
4 Jerzy Kasemier (2e NK) 8:29:45
5 Bert Flier (3e NK) 8:34:16
6 Dave Rost 8:43:01
7 Daniel Avant 8:44:36
8 Dirk Wijnalda 8:46:22
9 Remy Vasseur 8:50:12
10 Bas Borreman 8:51:08

dinsdag 21 augustus 2007

XL Xterra Ameland: drie oorlogen op rij

Onder het motto: je moet het ijzer smeden wanneer het heet is, reis ik een week na m’n Nederlandse offroad titel in Ter Heijde af naar Ameland. Daar wordt de laatste offroad triatlon van het seizoen georganiseerd, over afstanden die mij op het lijf geschreven zijn: 2 km zeezwemmen, 40 km mountainbiken en 15 km offroad lopen. Een wedstrijd van een uurtje of drie dus, perfect voor iemand die van het lange werk houdt.

Een dag voor de wedstrijd arriveer ik op Ameland, in het gezelschap van Matthijm en Vera Wassink, Sandra Hitzert, en Rick Nijhoving en Mirjam Weert. Op de boot loop ik nog veel meer triatleten tegen het magere lijf, zoals daar zijn Johan Neevel, Riikka Kelja (in het gezelschap van een Finse triatleet), en vele anderen. We spreken af om half drie een verkenning van het mountainbikeparcours te gaan doen.

Om half drie is niemand van de bootgangers is aanwezig, behalve huisgenoten Mathijm, Rick, Mirjam en ik – wij willen het parcours namelijk graag zien en voelen. In eerste instantie lijkt de verkenning op waterfietsen, zo hard regent het. Het eerste stuk offroad betreft een weiland. Dat ligt er vers gemaaid bij. Binnen de kortste keren zit m’n fiets onder het natte gras. Ik vrees een enorme schoonmaakactie, maar we hebben mazzel: de regen trekt weg, en een half uurtje later breekt een bleek zonnetje door. Wij zijn inmiddels door de weilanden en duinen naar de vuurtoren gereden. Daar ligt het mooiste stuk van het parcours, met, vlak voor het punt waar je het strand op moet, een steil klimmetje in het zand. Ik probeer daar fietsend boven te komen. Tevergeefs. Matthijm en Rick redden het ook niet. Dat kunnen we niet hebben, en Rick en ik ondernemen een paar pogingen dit lastige klimmetje te nemen. Ik blijf falen, maar Rick redt het in de derde poging. Rick rijdt na zijn geslaagde poging weer terug om mij zijn lijn te laten zien. Vol gas komt hij aangereden, pakt de binnenbocht, en zet iets van 1500 watt op het achterwiel. Dat gaat vijf trappen goed, maar bij de zesde knapt de ketting. Finaal doormidden. Dat betekent het einde van zijn demonstratie, en een hoop geklooi om zijn fiets weer berijdbaar te krijgen. Uiteindelijk vinden we een fietsenmaker waar Rick z’n ketting weer repareert. Ik ben gewaarschuwt: drie jaar geleden, toen ik hier voor het laatst startte, haalde ik de finish niet omdat ik m’n achterwiel aan gort reed. Voor de Rick- (en Bert-)achtigen ligt één van de uitdagingen van offroadwedstrijden het heel houden van het materiaal, zo blijkt maar weer eens.

De ochtend voor de wedstrijd rijd ik drie kwartier in. Nu eens niet offroad, maar gewoon over de weg: heen tegenwind naar Buren, en daarna lekker voor de wind terug naar huis. Ik heb het prima naar m’n zin, en rijd anderhalf uur voor de start Nes weer in. Alles voelt goed; eens kijken of ik vandaag goed genoeg ben voor het podium. Extra motiverend is dat ik vandaag voor het eerst in m’n nieuwe kleding zal starten. Valutawear (http://www.valuatwear.eu/) heeft een vreselijk mooi tenue voor me ontworpen, en zulke dingen motiveren altijd.

In Nes moet ik de straat oversteken. Ik kijk netjes achterom (het zou lullig zijn door één van de weinige auto’s op het eiland geschept te worden), zie dat de kust veilig is, en stuur naar links. Eentiende seconde later lig ik op m’n snufferd: trottoirbandje gemist. Ik stap gelijk weer op (niemand zag me vallen, gelukkig), en voel de adrenaline door m’n lichaam stromen. Ik ben heel, heel boos op mezelf en neem de schade op. M’n nieuwe kleding is bevlekt, maar gelukkig niet kapot, de fiets is ook in orde. Dat is het goede nieuws. Minder prettig is dat m’n linkerhand openligt. Dat geldt ook voor m’n linkerheup, enkel, en scheen. De m’n linkerschouder en –elleboog doen ook zeer. Zeer chagrijnig rijd ik de oprit naar ons huisje op. Nadat ik afgestapt ben, smijt ik m’n helm op de grond en schop een paar keer hard tegen een (verder volledig onschuldig) muurtje.


Gelukkig kennen m’n huisgenoten me een beetje, en laten me even uitrazen. ‘t Is nog een dik uur voor de start, dus veel tijd voor woede heb ik niet. Ik was de wonden even uit, spuit er wat Hansaplast vloeibaar desinfecterend en wondbeschermend spul op, en pak mijn tas met startbenodigdheden. Ik doe er nog een stel handschoentjes in: normaal fiets ik met blote handen, maar schakelen gaat, gezien m’n draaischakelsysteem, een bloederige bedoening worden, schat ik in.

In het parc fermée kom ik als één van de laatsten binnen. Iedereen die er vorige week in Ter Heijde bij was, is er nu ook: Rob Barel, Johan Neevel, Freek de Boer en Frans van Heteren om er maar een paar te noemen. Daarnaast nog vele anderen: Paul Embrechts, de winnaar van de Xterra in Lanklaar van vorige week, Machiel Ittman, die Fin die ik op de boot tegenkwam en natuurlijk m’n huisgenoot Rick Nijhoving (een door de anderen onderschatte factor).

Wanneer ik naar de dijk afloop richting Waddenzee om in te zwemmen, hoor ik de speaker de watertemperatuur afkondigen: 14 graden. Bij het horen van dit bericht draai ik me terstond om, en loop terug naar m’n tas. Daarin zit een heerlijke, 2mm dikke neopreen badmuts, die tot over de oren gaat, en zelfs helemaal onder de kin doorloopt. Zoals vroeger mensen die kiespijn hadden en een doek om het hoofd gebonden hadden eruitzagen. Charmant is het niet, maar wel effectief. Ik neem de tijd om door te komen – de eerste minuut lig ik te hyperventileren van ellende, en het zoute water in m’n wonden voelt ook niet prettig. Eenmaal aangepast aan de temperatuur besluit ik met een paar sprintjes naar een 300 meter verder gelegen boei te zwemmen. Geen goed plan, want die boei blijkt het einde van de vaarweg aan te geven. Die vaarweg is met paaltjes aangegeven, en die paaltjes staan met het heersende tij net twintig centimeter onder water. Ik knal met m’n rechterheup hard op zo’n paaltje, en wordt weer boos op mezelf. Drie jaar geleden overkwam me namelijk hetzelfde.

Het goede aan de tumultueus verlopen voorbereiding is dat ik, omdat ik boos ben op mezelf, zo scherp als een mes aan de start sta. Ik ben goed weg, en kan na tweehonderd meter in groep twee aansluiten. Door het koude water kan ik perfect m’n warmte kwijt, en tot mijn grote genoegen zie ik dat in mijn groepje onder andere Rob Barel en Rick Nijhoving zitten. Dat zijn precies de mannen met wie ik op de fiets wil zitten. Rond de zesde plaats kom ik uit het water, achter Mikka Vastaranta, de Fin, die vandaag de snelste zwemmer was. Voor me zitten verder Erik Wolsing en Freek de Boer. Een ideale uitgangssituatie, zo lijkt het, voor het mountainbiken.

Ik verkloot m’n goede zwemmen echter volledig in de wissel. Het hele jaar wissel ik goed, maar nu gaan twee cruciale zaken fout. Bij het aantrekken van m’n rechterschoen trap ik de neopreen tong naar binnen. Ik moet die schoen dus weer uitdoen, die tong rechttrekken, en weer opnieuw instappen. Dat zijn twaalf kostbare seconden. Fout twee is dat ik m’n handschoenen niet aan blijk te krijgen. M'n handen zijn te koud en nat, en handschoenen blijken te krap. Rob is al weg, en ook Rick zit al op de fiets. Rick roept nog wel dat ik moet opschieten, zodat we samen naar Rob kunnen, maar ik ben te laat: het gat van honderd meter op beiden krijg ik niet dicht.

Rob, die merkt dat ik er niet bij zit, geeft gelijk gas, en ik zie de twee met lede ogen meter voor meter wegrijden. Paul Embrechts heeft mij bijgehaald, en gezamenlijk rijden we door de weilanden richting duinen. Voor ons klonteren vijf man samen: Rob, Rick, Freek de Boer, Erik Wolsing, en de Fin. Paul neemt af en toe de achterstand van ons op. Dat begint met een krappe minuut, maar is bij het oprijden van een flinke klim in de duinen al bijna twee minuten. Geen reden voor paniek, maar ik realiseer me dat m’n gestuntel in de wissel me erg veel heeft gekost. Ik rijd nog wat op reserve – straks op het strand, en vooral met het lopen, wil ik nog energie in de tank hebben. Ik schat dat vooral Rob het gas vol open trekt om het gat met mij te slaan en een buffer voor het lopen op te bouwen.

Achter de vuurtoren, net na het klimmetje waar Rick gisteren z’n ketting brak, rijd ik achter Paul het strand op. Ik maak een stuurfout en duikel over m’n stuur in het mulle zand. Fysiek heb ik geen schade, maar Paul rijdt direct twintig seconden van me weg. Domme fout. Ik herstel zo snel mogelijk en geef vol gas op het zachte strand. Paul haal ik snel weer bij, en ik ga erop en erover. Vol enthousiasme ram ik door, in de veronderstelling dat het parcours in één rechte lijn richting Nes leidt. Terwijl ik diep voorovergebogen zo veel mogelijk snelheid maak over het strand, hoor ik opeens mensen roepen en schreeuwen. Ik blijk een opgang terug naar de duinen te hebben gemist, moet vol in de remmen, en dertig meter terug en omhoog door het mulle zand om weer terug op het parcours te komen.


Onderaan het duin hoor ik dat de groep met Rob vier minuten voor ligt. Ik kan het bijna niet geloven. In vijfentwintig kilometer heb ik vier minuten verloren. Op een pad door de duinen stuiven Johan Neevel, Machiel Ittman en Frans van Heteren voorbij. Paul Embrechts, die weer voor me is komen te rijden na m’n misser, probeert op hangen en wurgen aan te klampen. Ik moet vol aan de bak, maar kan op m’n tandvlees in het wiel van Frans komen. Johan rijdt op kop wanneer zich een rare kronkel aandient: via een rechts-links chicane leidt het paadje naar een vijftig centimer breed houten vlonderpaadje over een soort moeras. Johan mist het paadje en snoekduikt prachtig voorover in het moeras. Machiel, die op tien centimer Johans derailleur rijdt, vliegt achter Johan aan. Frans is ook kansloos en valt op Machiel en Johan. Ik probeer te ontsnappen aan de vallende ziekte, maar tevergeefs, en duik bovenop de drie. Johan, aanstichter van de inmiddels niet te overziene chaos, besluit de coördinatie ter hand te nemen. Vanuit zijn zeer penibele situatie maant hij ons ten eerste tot kalmte. Daarna dien ik, als laatste gevallene, mijzelf en fiets overeind te helpen. De beurt is vervolgens een Frans en dan aan Machiel. Ten slotte ook Johan zijn modderige lichaam weer in verticale positie.

Na een korte check (Johan: ‘Alles in orde?!’, gevolgd door een driewerf: ‘Ja!’) springen we weer op de fiets, om weer in dezelfde ziedende vaart richting strand te rijden. Op het strand, waar de wind mee staat, moet ik alle zeilen bijzetten om in het spoor van m’n drie valgenoten te blijven, mede omdat mijn handen zo onder de modder en bloed zitten dat ik niet meer kan schakelen. Op een pielverzet probeer ik de schade te beperken, maar zie met lede ogen Johan en Machiel van me wegrijden. Frans pakt vijftig meter, maar loopt daarna niet meer uit. Meter voor meter knok ik me terug naar zijn achterwiel, onderwijl voortdurend de handen vegend aan m’n nieuwe kleding. Die was wit, maar heeft nu allerlei roodbruine strepen. Na een tijdje kan ik weer schakelen, en rijd daarna het gat op Frans dicht. Samen komen we van het strand af, en gezamenlijk rijden we de laatste kilometers naar de wissel. De benen zijn gelukkig nog goed, en ik bereid me mentaal voor op het lopen.

In de wisselzone hoor ik dat ik achtste lig. De achterstand op Rob, die inmiddels aan de leiding ligt, is fors, maar ik krijg niet door hoe groot precies. Wel begrijp dat ik nog steeds kans maak op de winst, maar dan zal ik wel snoeihard moeten lopen. Ietwat stroef loop ik weg, en neem de tijd om in het ritme te komen. Ik drink nog een halve liter voeding weg in de eerste kilometers. Een lege tank kan ik zeker niet kan gebruiken vandaag, want er is nog veel werk te doen. Harder en harder gaat het, en één voor één pak ik de mannen voor me op: eerst Johan Neevel, daarna Erik Wolsing, en dan Freek de Boer: in vijf kilometer schuif ik drie plaatsen op. Eenmaal op het strand zie ik in de verte de auto rijden die leider Rob begeleidt. Die is nog een minuut of twee vooruit, maar er is nog krap tien kilometer te gaan. Voor me loopt Rick, die op de vierde plaats loopt. Daarvoor zie ik Machiel op plaats drie lopen. Ik voel dat ik kan winnen en blijf hard doorlopen.

Net voor de duinopgang, door mul zand, haal ik Rick bij. Ik heb net een gelletje genomen en besluit die met een paar door de organisatie aangeboden bekers water weg te spoelen. Ik wandel dertig meter door het mulle zand, klok het water weg, en wil weer gaan hardlopen. Direct schiet een felle kramp in m’n linkerbovenbeen. Ik word verlamd van de pijn, en val zijdelings in het zand. Al liggend probeer ik de kramp eruit te krijgen, maar de kramp houdt aan. Ik voel de wedstrijd uit handen glippen. Rick komt langszij, daarna Frans van Heteren. Ik probeer weer overeind te komen om uit de mulle zandstrook te komen die me heeft genekt. Hinkelend op m’n rechterbeen lukt me dat bijna.

Dan passeert ook Freek de Boer me. Hij stond vorige week in Ter Heijde ook geparkeerd met kramp, en geeft een tip: op te hurken zitten. Ik probeer het linkerbeen ik los te schudden en zak op de hurken, maar het effect is desastreus: de kramp schiet er weer in. Weer moet ik me laten vallen, en ik vraag me af of ik nog wel verder kan. De pijn is bijna niet uit te houden. Erik van der Linden, die opnames maakt voor triatlon.tv, filmt mijn ellende. Daarna biedt hij aan het been te rekken. Ik stem toe. Langzaam brengt hij het been omhoog. Langzaam ebt de krampgolf weg, en ik kan weer staan. Ik wil nog niet uitstappen en besluit het nog even te proberen, maar spreek met mezelf af dat ik bij de eerste de beste volgende krampaanval uitstap: Hawaii moet niet in gevaar komen.


Paul Embrechts haalt me ook weer terug en ziet mijn probleem. Hij waarschuwt me voor doorlopen: hij is drie jaar uit de running geweest na het doorlopen met een spierscheuring in een wedstrijd. Ik knoop dat advies in m’n oor en probeer in te schatten welk risico ik loop. Na een moeizame herstart loop ik inmiddels weer bijna vijftien per uur, en de kramp lijkt weg te blijven. De spier is niet gescheurd, dat voel ik wel, maar wel erg sensibel. Er is nog acht kilometer te gaan tot de finish. Ik besluit dat dat moet kunnen. Samen met Paul haal ik Johan, Erik, Freek en Frans weer terug. Met nog vijf kilometer te gaan rollen we ook Rick op en lopen dan op plaats vier en vijf.

Ik begin me beter en beter te voelen en neem m’n tweede gelletje. Paul heeft steeds meer moeite met het tempo, en na de doorkomst bij het parc fermée versnel ik. Paul moet meteen lossen, en ik lig op plaats vier. Een paar honderd meter voor me zie ik de Vastaranta, de Fin, lopen. Zou ik dan toch nog naar het podium kunnen? Ik versnel nog wat, en kan naar de zeventien per uur. Ik besef met een stunt bezig te zijn als ik de Fin nog kan verschalken, en met nog twee kilometer te gaan haal ik ‘m bij. Tot mijn verbazing zie ik even later Machiel een paar honderd meter voor me lopen. Helaas is het nog maar een krappe kilometer tot de streep, maar ik blijf het tempo onderhouden. Je weet nooit. Machiel voelt me komen, kijkt een paar keer achterom, maar houdt stand. Rob, die ik nooit in beeld gekregen heb, wint, en dat is hem gegund. Machiel wordt een dikke minuut daarachter tweede, ik derde. Een strofe van Aerosmith komt bovendrijven: Some days I’m good, but when I’m bad, I’m better. Ik ben heel blij met die derde plaats, en vooral over m'n mentale gesteldheid en fysieke veerkracht. Maar ik heb ook een bijsmaak, want ik had hier o zo graag gewonnen.

Volgend jaar kom ik terug. Dan vormt Ameland het décor voor het EK Xterra. Ik heb besloten dat dat mijn hoofddoel voor volgend jaar wordt. Zonder kramp en zonder valpartijen kan ik mooie dingen laten zien op dit eiland dat me elk jaar een beetje meer aan het hart komt te liggen.

Nog één klus rest me dit seizoen: het WK Ironman op Hawaii. 13 Oktober is De Dag.

Uitslag, XL Xterra Ameland, 18 september 2007

1. Rob Barel 3:15.38
2. Machiel Ittman 3:16.26
3. Bert Flier 3:17.05

vrijdag 10 augustus 2007

Nederlands kampioen offroad triatlon: hoe een koe een haas vangt


Twee weken na het NK lange afstand in Almere sta ik aan de start van weer een nationale titelstrijd, ditmaal de offroad triatlon in Terheijde. Onzeker ben ik over mijn kansen. Waar ik me in Almere kandidaat voelde voor de overall winst, vind ik me hier vooral een outsider. Aanschouw de feiten. In offroad triatlons – die ik vooral doe omdat ik het de meest pure vorm van triatlon vind – eindigde ik nog nooit op het podium. Altijd verpest ik wel een onderdeel, waardoor ik kansloos ben voor de overwinning.

Een bloemlezing van missers. In één van de eerste afleveringen van de Beach Challenge, zoals het NK in Terheijde heet, dacht ik me, als mindere zwemmer, losgezwommen te hebben van het complete deelnemersveld. Links en rechts van me zag ik niemand. Zou ik zo'n zeldzame dag hebben waarop ik, door een combinatie van gunstige stroming en een bloedvorm, alle topzwemmers erop zou leggen? Recht voor me zag ik de laatste oranje boei die het einde van het zwemonderdeel markeerde. Dacht ik. Na een tijdje viel het me op dat die boei zich zelfstandig door de Noordzee bewoog. Voor de zekerheid keek ik even naar achteren om het gat met de concurrentie te checken. Tot mijn onsteltenis zag ik diezelfde concurrentie driehonderd meter terug over het strand rennen. Toen ik scherp stelde op de vermeende oranje boei, bleek dat een windsurfer te zijn die een oranje zeil had gehesen. Vijf minuten achterstand na het zwemonderdeel leverde me dat op, en de bevestiging dat de wens weer eens de vader van de gedachte was. Zelfs de snelste fietstijd kon mijn kansen niet keren, want volledig uitgewoond begon ik aan het looponderdeel.
Met het NK offroad in Ameland een paar jaar geleden lag ik, na een goed zwemonderdeel en ook een tot op dat moment voortreffelijk verlopend fietsonderdeel in kansrijke positie voor een podiumplaats. Totdat ik met m’n achterwiel in een richel reed, kapseisde, en daarbij m’n achterwiel zo krom als een hoepel trok. Nadat ik, dankzij een lift van een behulpzame Amelandse boswachter, weer terug bij het parc fermé kwam, wisselden op dat moment precies de groep met wie ik eerder in de duinen reed. Ik heb de loopschoenen aangedaan en liep toen, buiten mededinging, alsnog de snelste looptijd. Zodat ik wist wat ik waard het geweest.
Een laatste voorval dateert van Goldrush triatlon in Nijverdal van vorig jaar. Na maar liefst vijf verkenningen van het fietsparcours, om de ideale lijnen in mijn geheugen te etsen, bleek ik in staat in de laatste van de drie rondes fout te rijden. Simpelweg omdat ik als een blinde door de bossen aan het rammen was en boven m’n limiet reed. Dat kostte me een minuut of twee en wederom een potentiële podiumplaats.

Vorig jaar stond ik ook aan de start van de Beach Challenge. Ik zwom geweldig, maar verloor in de eerste fietsronde van 16 kilometer vier minuten. Dat is absurd veel. De reden was simpel: ik was niet opgewarmd, had het parcours niet verkend en had niet op de mountainbike getraind. Dit jaar heb ik dat anders gedaan. Het parcours heb ik uitgebreid verkend, zelfs op de dag van de wedstrijd, en m’n warming-up was uitgebreid. Daar zou het in ieder geval niet aan liggen. Onzeker was ik wel over mijn fysieke gesteldheid, want twee weken geleden, na het al gemelde NK in Almere, was ik total loss. Daarnaast was ik de woensdag voor de wedstrijd grieperig geweest. De strohalm waaraan ik me vastklamp is dat ik me zaterdag bij het opstaan goed voel, en zin heb om er vol in te knallen. Ik weet wat ik nodig heb om hier te winnen: niet twee negens en een vijfje voor de drie onderdelen, maar drie maal een acht. Constant zijn, geen gekke dingen doen, en de energie verdelen tot aan de finish.

Om mijn intenties duidelijk te maken, stel ik me op de eerste startrij op. Ik kijk om me heen en monster de favorieten. Rob Barel, 49 jaar inmiddels, straalt één brok ervaring uit. Rorik Schouten, de nummer twee hier vorig jaar, vrees ik met name op het fietsen. Dat geldt ook voor veteraan Frans van Heteren die me hier vorig jaar op het eerste fietsrondje deklasseerde. Dan hebben we Johan Neevel. Ook al een veteraan. In vorm, want won vorige week in Drachten, en een goede zwemmer en heel goede mountainbiker. Freek de Boer is net zo’n outsider als ik. Hij zwemt goed, kan behoorlijk lopen, maar z’n fietsonderdeel is voor mij een vraagteken. Voor hem ook, trouwens. Rik Nijhoving is ook zo’n vraagteken. Drie weken geleden klopte hij mij in Veenendaal door heel hard zwemmen en fietsen. Naast deze mannen staat, ter gelegenheid van de tiende editie van deze wedstrijd, een stel oudwinnaars aan de start. Zoals daar zijn: Erik van der Linden, Casper van den Burg en Peter-Johan Dillo. (Rob Barel won hier trouwens ook al). Oudwinnaars vind ik onvoorspelbaar. Zo vang ik een gerucht op dat Erik nog steeds een 1500m in 18.30 zwemt. Daarentegen zou-ie niet meer zo hard lopen als vroeger. Dat wil zeggen: hij is nu goed voor een 34-er op de tien.

Na het startschot ben ik goed weg. Naast Rob ren ik de branding in, maar vind een ongelukkige serie brekende golven op mijn route naar de eerste boei. Een paar man scheidt zich in dat eerste stuk af. Ik beland in een tweede groepje. De zee is ruw. Op het ene moment bevind ik me middenin het groepje, het andere moment – na een plotselinge golf – ligt het boeltje meters uit elkaar. Ik probeer een armritme te vinden dat gelijke tred houd met het ritme der golven, en dat gaat steeds beter. Redelijk ontspannen glijd ik mee in de groep. Na 1100 meter moeten we, ter vermaak van het publiek, weer door de branding, daarna een stuk over het strand, en dan weer terug door de branding om de resterende 400 meter vol te maken.


Ik verlies de aansluiting met het groepje bij het terugzwemmen door de branding. Bij het weer de zee in gaan pas ik de les die ik heb geleerd met de start toe, en ik dicht het gat op het groepje door nu wel op een goede manier door de branding te zwemmen. Rond de zevende plaats loop ik wisselzone binnen, net achter Rob Barel, en op 1:16 van de kop. Perfect. Nu zorgen dat ik met Rob op de fiets zit, zodat we op het stuk strand tegenwind kunnen samenwerken. Rob wisselt net wat sneller, en ik moet vol op het gas om het gaatje van vijftig meter dicht te rijden. Zodra ik hem heb bijgehaald, laat hij mij op kop. Ik vind het prima, en rijd op reserve het kleine lusje door Terheijde.

Op het einde van dat lusje komt Rob weer voorbij. Op een technisch stukje – een trap omhoog, waarlangs je door een gootje net omhoog kunt fietsen, en wat ik drie keer heb geoefend in de verkenning – maakt Rob een stuurfoutje. Hij moet van de fiets af, en ik ook. Irritant, want dit akkefietje kost me dertig meter op Rob. Bij het oprijden van het strand, door het mulle zand, kan Rob twintig meter verder rijden dan ik, waardoor ik vijftig meter achterstand heb op Rob wanneer ik weer kan beginnen met fietsen op het harde gedeelde langs de vloedlijn. Ik heb moeite dit gaatje te dichten, maar weet aan te sluiten. Even later, op een zwaar, zuigend stuk, trekt Rob door en moet ik hem laten gaan. Ik kan gewoon niet harder. In de verte zie ik de koplopers rijden. Dat gat oogt behoorlijk groot, en bij het binnenrijden van de Puinduinen, een technisch stukje van het parcours met drie ontzagwekkende trappen, hoor ik dat ik 1:45 achterlig op koploper Freek de Boer. Die is dus goed aan het fietsen. Op de eerste trap haal ik Casper van den Burg bij, en laat ‘m meteen achter.


Ik lig nu vierde: Freek de Boer ligt op kop, daarachter rijdt goede zwemmer Erik Wolsing, dan Rob, en dan ik. Ik vraag me af waar mannen als Frans van Heteren, Rorik Schouten, en Johan Neevel uithangen. Het zou wenselijk zijn om op het strand gezelschap te krijgen, maar ik zie niemand. In mijn fanatisme bij het afstappen voor de derde trap in de Puinduinen haak ik mezelf en val hard op m’n linkerschouder. Ik maan mezelf tot kalmte, raap de fiets weer op, en maak het rondje Puinduinen zonder verdere incidenten af. Het stuk terug op het strand naar Terheijde loopt zwaar. De wind staat weliswaar mee, maar het zand blijft zuigen. Ik overweeg af te stappen en nog wat lucht uit de banden te laten lopen, maar besluit dat toch niet te doen. Gewoon zorgen dat elke trap raak is, dat is alles wat nu telt. Bij het keerpunt hoor ik dat Freek krap twee minuten op me heeft. Rob rijdt een dikke minuut voor me en het gat op Erik Wolsing is dik veertig seconden. Achter me zie ik Johan Neevel aankomen. Mannen als Erik-Simon Strijk, en Frans van Heteren, die vlak achter mij uit het water kwamen, heb ik al op flinke achterstand gezet.

Op het stuk tegenwind over het strand richting de Puinduinen (we rijden twee rondes) stabiliseert de achterstand op Rob en Freek. Erik Wolsing haal ik terug op de beklimming van de tweede trap. Daarvoor heb ik wel een atleet uit een vroegere serie verschrikkelijk moeten opjagen op de beklimming van de eerste trap. Ik voel me namelijk steeds beter worden, en heb bij het binnenrijden van de Puinduinen besloten op dit gedeelde alles te geven om wat van m’n achterstand af te halen. Ondanks mijn inspanningen zie ik Johan Neevel, net voor de beklimming van de derde trap, aansluiten. Ik wil heel graag gelijk met hem het strand op, en neem de trap vol (na weer een slipper bij het afstappen…) Dit levert me een paar meter voorsprong op bij het begin van een paar honderd meter single track. Kan-ie me daar, met al z’n technische vaardigheden, tenminste niet inhalen. Bij het oprijden van strand hoor ik dat ik veertig seconden van de achterstand heb afgehaald. Freek rijdt op 1:20 voor ons, samen met Rob. Johan trekt hard door op het strand, en ik heb in eerste instantie moeite te volgen. We trekken hard door in een poging het gat binnen te minuut te krijgen. Zienderogen lopen we in. Rob heeft inmiddels Freek gelost, die last van krampscheuten heeft. Als vierde, net achter Johan en Freek, en dertig seconden achter Rob, kom ik het parc fermé binnen. Ik neem de tijd m’n schoenen aan te trekken. Johan is sneller weg en Rob pakt tien seconden terug op me. Wanneer ik wegloop, staat Freek rekoefeningen te doen. Weer eentje minder.


Johan haal ik snel terug. Ik besef dat ik vandaag kan winnen, maar dan moet ik nog wel met de oude nestor afrekenen. Veertig seconden is niet veel, maar je moet het wel dichtlopen en okselfris ben ook ik niet meer. Op m’n eigen tempo – hard, maar nog net comfortabel – loop ik de eerste kilometers. Langzaam wordt het gat op Rob kleiner. Ik overdenk de situatie. Van de mensen achter me heb ik niets te vrezen. Rob kennende loopt hij waarschijnlijk met enige reserve. Het enige waar ik me op dien te concentreren is het gat dichtlopen, en zorgen dat ik nog wat over heb voor later. Voor de finale en de titel.

Na vijf kilometer, aan het eind van de eerste ronde lopen, heb ik Rob bijgehaald. Ik temporiseer om te herstellen van m’n inhaalrace, en verschuil me een paar honderd meter achter Rob. De wind staat hier tegen. Rob drukt het tempo. Ik neem m’n verantwoordelijkheid en pak de kop over. Rob nestelt zich schuin achter me. Hij oogt ontspannen en lijkt alles onder controle te hebben. Even testen dan maar. Ik versnel licht. Dat gaat me niet makkelijk af, en Rob volgt. Makkelijk, zo lijkt het. Ik dring Rob de kop op. Hij vertraagt direct, en flink. Ik kijk ‘m aan, en zie een grijs van oor tot oor. Ik grijns terug, en neem weer de kop, me ondertussen afvragend hoe ik deze klus moet klaren.

Aan het eind van het stuk strand loopt het parcours dwars door het mulle zand richting duinen. Dit stuk ligt me totaal niet. Ik verkort m’n pas en loop zo licht als mogelijk met mijn 84 kilo. Naast me loopt Rob, en het valt me op dat hij plotseling zwaar ademt. Ik ruik m'n kans: nu moet ik gaan. Ik zet aan, loop het resterende stuk mul zand zo hard als ik kan, en blijf vol doortrekken op het eerst omhooglopende, en dan weer dalende duinpad. Achterom kijken doe ik niet. In plaats daarvan vraag ik aan de met de leider van de wedstrijd meefietsende begeleider of ik los ben. ‘Vijftien seconden’, zegt hij. Ik kan het niet geloven: in 500 meter 15 seconden?! Het blijkt echt zo te zijn, en ik ga over tot een iets prettiger. Ik blijf weglopen, en besef dat de winst binnen is. Rob wordt tweede, Johan Neevel derde. Ervaring is wat deze wedstrijd de doorslag gaf: de gezamenlijke leeftijd van het overall podium is 134 jaar.


Ik neem nu even de tijd de winst te vieren. Ik kan het nauwelijks geloven dat ik, twee weken na Almere, en met hoe ik me de afgelopen week voelde, hier aan het langste eind trek. Op de lauweren rusten kan echter niet, want er rest me nog één, hele grote, klus: het WK Ironman op Hawaii. Dat wordt de kers op de taart, want ik beschouw mijn seizoen nu al als zeer geslaagd.

Uitslag NK Offroad Westland Beach Challenge, 8 september 2007

1. Bert Flier 2:15:43
2. Rob Barel 2:16:48
3. Johan Neevel 2:19:57